De boekenplank van de maand september

Ik vertel op deze website dat ik kamers vol oude sportboeken wil verzamelen. Elke maand bezoek ik kringloopwinkels en 2dehandsboekhandels. Ook snuister ik in de plooien van het internet. Ik zoek oude sportboeken, maar ben niet blind voor elpees, singles en andere sportmemorabilia.

‘Man with a Racket’ | Pancho Gonzales & Cy Rice

Som de grootste namen uit de tennisgeschiedenis op en wellicht staat Pancho Gonzales niet bij de eerste tien die je te binnenschieten. En toch behoort Ricardo Alonso ‘Pancho’ González, in 1928 geboren in Los Angeles, tot de allergrootsten.

In eerste instantie in letterlijke zin. Met zijn plusminus 1m90 was Pancho een stuk groter dan zijn concurrenten. Zo omschreef Tony Trabert, meervoudig grandslamwinnaar tijdens de jaren 50, hem in de Los Angeles Times als volgt:

He is the greatest natural athlete tennis has ever known. The way he can move that 6-foot-3-inch frame of his around the court is almost unbelievable. He’s just like a big cat. Pancho’s reflexes and reactions are God-given talents.

Als tennisspeler was Gonzales een autodidact met een stevige opslag en dynamisch serve-and-volley-spel. Hij was een van de meest competitieve spelers die het mannentennis heeft gekend. Velen hadden dan ook schrik van hem. “He gets meaner every time you play him,” aldus Rod Laver in The New York Times.

Maar ook het palmares van Pancho Gonzales staat als een appartementsblok. Zo won hij in 1948 en 1949 de US Open, alvorens een jaar later over te stappen naar de professionals. Daardoor mocht hij niet langer deelnemen aan grandslamtoernooien, maar toerde jarenlang met de beste tennisspelers van dat moment de wereld rond. Gonzales won tijdens die jaren onder meer vier keer de Wembley Championships en acht keer de US Pro Tennis Championships.

Het lijden van de ghostwriter

Het is tijdens die periode, in 1959, dat ‘Man with a Racket’ verschijnt, een officiële biografie opgetekend door Cy Rice. Die sprong aanvankelijk een gat in de lucht bij het voorstel om een boek te schrijven over een van de beste tennisspelers te wereld. Daar dacht hij na de eerste kennismaking met Pancho Gonzales anders over:

Interviewing Pancho is analogous to squeezing a slippery tube of tooth paste with a blocked passage. Nothing, of course, comes out. If I’d known then what I do now, and had been given a choice of helping put the book together or climbing Mount Everest, barefooted and in my shorts, I would have taken the latter.

Het duurde tot Pancho op een dag voor Rices deur opdook en vertelde dat hij klaar was om te babbelen. En babbelen deed hij. Urenlang, waarna hij vertelde dat hij nu meer woorden had gesproken dan de twee jaren voordien.

Een beeldenstormer in een conservatieve tenniswereld

Rice wist als ghostwriter uiteindelijk een entertainend boek uit de pen te duwen dat een goed inzicht geeft in de tenniswereld tijdens de jaren 40 en 50. ‘Man with a Racket’ telt 21 hoofdstukken en wisselt af tussen het persoonlijke en tennisleven van Pancho Gonzales, aangevuld met passend beeldmateriaal.

Het voorlaatste hoofdstuk bestaat uit een reeks vragen met korte en krachtige antwoorden. Ze zijn soms amusant en geven een goede kijk op Gonzales’ persoonlijkheid.

  • Q. Do spectators bother you?
  • A. Only by staying away from my matches.
  • Q. Do you believe in lessons?
  • A. For everyone in the world except myself.
  • Q. Are you romantically inclined?
  • A. I’m of Latin temperament.
  • Q. Name your favourite tennis book.
  • A. The one you’re reading.

Pancho Gonzales in de Open Era

1959 is niet het einde van Pancho’s tenniscarrière. Wanneer in mei 1968 de Open Era start, en professionals opnieuw kunnen deelnemen aan grandslamtoernooien, is Gonzales er inmiddels 40. Op Roland Garros wint hij van titelverdediger Roy Emerson alvorens in de halve finales te verliezen van Rod Laver.

Een jaar later, op zijn 41ste, verslaat hij op Wimbledon met wervelend serve-and-volley de 25-jarige Charlie Pasarell. De wedstrijd, over twee dagen gespreid, duurt 5u12, de langste wedstrijd op Wimbledon tot Isner – Mahut in 2010. Gonzales neemt pas halfweg jaren 70 definitief afscheid van het professionele tennis. Hij overlijdt in 1995 in Las Vegas op 67-jarige leeftijd.

A.S. Barnes and Company, New York, 1959, eerste druk, 254 pagina’s


Ik schreef eerder over deze sportboeken (klik op de titels voor meer info):

De boekenplank van de maand juli

Ik vertel op deze website dat ik kamers vol oude sportboeken wil verzamelen. Elke maand bezoek ik kringloopwinkels en 2dehandsboekhandels. Ook snuister ik in de plooien van het internet. Ik zoek oude sportboeken, maar ben niet blind voor elpees, singles en andere sportmemorabilia.

‘The Education of a Tennis Player’ | Rod Laver & Bud Collins

Met het tennisseizoen in spagaat tussen Wimbledon en de US Open deze keer aandacht voor Rod Laver. Laver won zowel in 1962 als 1969 de Calendar Grand Slam – het winnen van elk van de vier grandslamtoernooien in één kalenderjaar. Die laatste dus exact vijftig jaar geleden. Twee jaar later, in 1971, kwam het boek ‘The Education of a Tennis Player’ op de markt.

Rod Laver en de Calendar Grand Slam 1969

‘The Education of a Tennis Player’ is in grote lijnen de neerslag van het tennisseizoen 1969. In 25 hoofdstukken kijkt Rod Laver terug op zijn kindertijd, memorabele wedstrijden en illustere concurrenten. Tennis Hall of Fame journalist Bud Collins levert de vlotte vertelstem die nooit gaat vervelen, doordrenkt met Lavers’ nederigheid. Je moet weten: Rod Laver was ooit een traag jongetje uit Queensland – vandaar z’n bijnaam “The Rocket” – die uitgroeide tot een totaaltennisser die, op dat moment, als de grootste tennisser aller tijden kon worden beschouwd.

Paris in the spring may mean love to some, chestnuts to others, but for me it signifies the toughest two weeks of the year.

De linkshandige Laver ruilde in 1963 de amateurstatus voor het profbestaan. Daardoor mocht hij niet langer deelnemen aan grandslamtoernooien. Pas vanaf mei 1968 – de start van de Open Era – was dat opnieuw het geval. Hij zou elf grandslamtoernooien winnen, waaronder vier keer Wimbledon.

Leuk detail: tijdens het seizoen 1969 verwachtten Laver en echtgenote Mary hun eerste kind. De conversaties, vaak aan de telefoon, tussen man en vrouw lopen als een rode draad door het boek.

Kleurrijke observaties van tegenstanders

Een heel hoofdstuk is gewijd aan Pancho Gonzales, winnaar van de US Open in 1948 en 1949. Laver beschrijft op smakelijke wijze het verschil in stijl en uitzicht tussen zijn eigen kleine magere zelve (1m73) en de rijzige Pancho (1m88) die met een weelderigere donkere haardos de aandacht trekt.

When we’re playing each other, the contrast is almost comical. Me with my bowlegs and 49.000 freckles, a little guy chasing about. Him with his dark, forbidding face, crowned by the black hair tinged with gray, tall, graceful, gliding. Gonzales is the master gamesman.

Typerend voor Pancho’s aanblik is de openingsronde op Wimbledon 1969 tussen de dan 41-jarige Gonzales en de zestien jaar jongere Charlie Pasarell. De wedstrijd, gewonnen door Gonzales, zou over twee dagen gespreid 5 uur en 12 minuten duren, de langste wedstrijd op Wimbledon tot Isner – Mahut in 2010. De beelden zijn te vinden op YouTube – deze link – en het bekijken waard. Let op het tempo en het constante serve-and-volley.

Ik kocht overigens onlangs een eerste editie van Pancho Gonzales’ biografie uit 1959. Dat boek passeert een van de komende maanden de revue. ;-)

25 hoofdstukken, 25 tennistips

Laver en Collins schrijven na elk hoofdstuk tennistips neer, geput uit allerlei wedstrijdanekdotes. De tekstjes gaan soms heel verrassende richtingen uit, zoals hoe je jouw manier van tennissen moet aanpassen aan je leeftijd.

Older players muster their energy, saving the big serve for when they really need it. They keep their returns low and soft, and use the lob often and well. It’s a great game at any age. So take it easy and enjoy it.

Andere delen gaan over mentale voorbereiding, het ‘killer instinct’, de verschillende basisslagen en hoe het best te spelen tegen tegenstanders die je door en door kent. Korte stukjes die nog altijd relevant zijn.

Het jubileum van de Calendar Grand Slam in 2019

Ook vandaag is Rod Laver alom gerespecteerd in het wereldje. Er is sinds 2017 de naar hem genoemde Laver Cup en zijn Calendar Grand Slam-jubileum werd al uitgebreid gevierd tijdens de voorbije grandslamtoernooien. Zo mocht hij eerder dit jaar op Roland Garros de overwinningstrofee uitreiken aan Rafael Nadal. Ook tijdens de US Open wacht hem ongetwijfeld een warm onthaal.

Voor wie zich meer in de verwezenlijkingen van Rod Laver en het verhaal achter zijn tweede Calendar Grand Slam wil verdiepen, is ‘The Education of a Tennis Player’ een aanrader.

Simon and Schuster, New York, 1971, eerste druk, 318 pagina’s


Ik schreef eerder over deze sportboeken (klik op de titels voor meer info):

De boekenplank van de maand februari

Ik vertel op deze website dat ik kamers vol oude sportboeken wil verzamelen. Elke maand bezoek ik daarom meermaals kringloopwinkels en 2dehandsboekhandels. Ook snuister ik in de plooien van het internet. Ik zoek oude sportboeken, maar ben niet blind voor elpees, singles en andere sportmemorabilia. Ditmaal gaat de aandacht naar een tennisboek uit 1928.

‘TENNIS’ | René Lacoste

Het gros van de sportboeken in mijn boekenkasten dateert van de jaren 70 en 80. Die boeken vind ik makkelijk in 2dehandsboekenwinkels. Zo af en toe ga ik op zoek naar een specialleke.

Ik zag vorig jaar op Bruzz deze reportage over de fantastische Royal Tennis Club de Belgique. De club is alvast een must visit voor de komende tijd. In de minidocu haalt voorzitter Gilbert Elseneer op een bepaald moment een bijzonder tennisboek uit de kast: ‘TENNIS’ van René Lacoste, publicatiejaar 1928, en uitgegeven bij het in 1907 door Bernard Grasset opgerichte Éditions Grasset. Overigens werd ook het eerste deel van Marcel Prousts beroemde roman ‘À la recherche du temps perdu’ in 1913 oorspronkelijk (in eigen beheer) uitgegeven bij Grasset.

In elk geval, de reportage triggerde mijn nieuwsgierigheid en dus zocht ik een exemplaar van het boek van René Lacoste. Ik vond het bij een antiquariaat nabij Bordeaux dat ook online boeken verkoopt. Een week na mijn aankoop ontving ik tot mijn opluchting het boek in goede staat. Met publicatiejaar 1928 is het meteen het oudste boek in m’n bezit.

René Lacoste, de Vier Musketiers en Roland Garros

Even situeren. Auteur René Lacoste werd geboren in 1904. Samen met landgenoten Jacques Brugnon, Jean Borotra en Henri Cochet domineerde hij tijdens de jaren 20 en 30 het internationale tennis. Het viertal werd dan ook toepasselijk ‘les Quatre Mousquetaires’ genoemd. Wie ooit de site van Roland Garros bezocht, passeerde ongetwijfeld al langs La Place des Mousquetaires, waar elk een standbeeld heeft.

De geboorte van ‘Le Crocodile’ en Lacoste het kledingmerk

René Lacoste kreeg van de Amerikaanse pers de bijnaam ‘Le Crocodile’. Die zou afkomstig zijn van een weddenschap waarbij men Lacoste een koffer in krokodillenleer beloofde bij het winnen van een beslissende wedstrijd (die hij overigens verloor). Lacoste omarmde de bijnaam en liet een afbeelding van een krokodil op zijn blazer borduren, zoals hier te zien. Diezelfde krokodil werd in 1933 bij de oprichting van zijn kledingmerk gebruikt als logo, ook vandaag nog.

Als tennisspeler was Lacoste een baseliner die zelden zelf in de fout ging. Hij stond erom bekend op die manier zijn tegenstander als het ware langzaamaan dood te knijpen.

Lacoste over elk aspect van het tennisspel

Over het boek dan. ‘TENNIS’ telt 21 hoofdstukken waarin Lacoste, na een korte inleiding hoe hij als vijftienjarige in Engeland met tennis in contact is gekomen, uitvoerig vertelt over de basisslagen en -technieken (forehand, backhand, lob, smash, opslag en return, netspel, dubbelspel).

Het meest boeiende hoofdstuk gaat echter over het mentale aspect. Lacoste noemt het ‘tempérament’ en staaft de verschillende vaardigheden (concentratie, kalmte, geduld en overwinningsdrang) met anekdotes uit wedstrijden tijdens de grootste toernooien. Vooral het stuk over geduld was voor deze, euh, weinig afwachtende tennisspeler erg nuttig. :-)

Extra leuk is dat naast de teksten heel veel foto’s zijn opgenomen, soms uitklapbaar met een vergelijking tussen de basisslagen van topspelers Bill Tilden, Bill Johnston en Lacoste.

René Lacoste won in zijn relatief korte carrière – hij speelde door gezondheidsproblemen amper zeven jaar op het hoogste niveau – zeven grandslamtoernooien in het enkelspel (waaronder Roland Garros in 1925, 1927 en 1929) en drie in het dubbelspel. In 1927 en 1928 won Lacoste met het Franse team de Davis Cup. Hij overleed in 1996 op 92-jarige leeftijd.

Ook ‘Lacoste on tennis’ en ‘Lacoste über Tennis’

Ik probeer nog uit te vissen wat destijds de oplage was van deze eerste druk. ‘TENNIS’ kreeg verschillende herdrukken in het Frans, waaronder een derde druk in 1935, maar opmerkelijker is dat het boek in 1928 onmiddellijk een Engelse en Duitse vertaling kreeg. ‘Lacoste on tennis’ en ‘Lacoste über Tennis’ werden gepubliceerd in samenwerking met de Britse Dunlop Sports Company.

Een primitieve versie van een ballenmachine (uit ‘TENNIS’ van René Lacoste)

Éditions Grasset, Parijs, 1928, eerste druk, 234 pagina’s

Beluisterd | Mijn 5 favoriete tennis podcasts

In Melbourne is de Australian Open, het leukste grandslamtoernooi van het jaar, aan de gang. Tennis is mijn favoriete sport, allicht nog meer dan voetbal. Ik speel het graag, ik kijk er graag naar, ik lees er graag over, en ik luister graag als er over tennis wordt gepraat. Elk aspect boeit me mateloos. Het internet wemelt van de tennis podcasts. Ik vertel hieronder meer over mijn 5 favorieten en dat zijn niet altijd vertellingen met voorspellingen en analyses.

Thirty Love: Conversations About Tennis

Carl Bialik is de stem van Thirty Love. In zijn podcast covert hij alle aspecten van de tennissport. Het is soms voer voor de echte tennisfanaat, zoals de laatste aflevering met Stephanie Kovalchik van Tennis Australia over het gebruik van statistieken en tennisdata, maar er zijn ook meer laagdrempelige episodes over tennisboeken, tennisdocu’s en een inkijk in het leven van een commentator en volbloed fan.

Thirty Love bestaat sinds april vorig jaar. Er is wekelijks een nieuwe episode en die duurt iets minder dan dertig minuten. Je vindt hier alle voorgaande afleveringen.

Tennis Psychology Podcast

Zoals de naam het zegt gaat deze podcast over het mentale aspect van het spelletje. Niet zelden vertellen spelers en coaches dat vijftig tot zeventig procent van een prestatie tussen de oren zit. Termen als ‘choken’ en ‘het korte armpje’ zijn bekend voor wie tennis volgt en speelt.

In elke aflevering beantwoordt gastheer Dr. Patrick Cohn één vraag van een luisteraar. De episodes zijn vaak niet langer dan zeven minuten en komen willekeurig in de tijd. Het loont de moeite om een keer door het archief te surfen.

Beyond the Baseline

Van alle podcasts legt Beyond the Baseline het meeste gewicht in de schaal. De podcast is onderdeel van Sports Illustrated en dat is te horen. Je krijgt een brede waaier aan high profile gasten en interessante topics, aan elkaar gepraat door de ervaren Jon Wertheim. Voor ons Belgen is de aflevering met Kim Clijsters van afgelopen zomer een goede instap. Je vindt hier een lijst met alle episodes.

The Main Draw

The Main Draw is een spin-off van het luxueuze Racquet Magazine. De podcast is er zo goed als wekelijks sinds juni 2015. De afleveringen zijn meestal actualiteitsgebonden met voorspellingen en terugblikken, maar er worden regelmatig zijsprongen gemaakt. Zo kon de aflevering van 8 februari 2017 over schrijver David Foster Wallace me erg bekoren – over DFW en zijn tennisteksten schreef ik eerder dit. Alle afleveringen zijn hier netjes opgelijst.

The Tennis Podcast

Deze podcast is het geesteskind van David Law en Catherine Whitaker en de Britse tegenhanger van Beyond the Baseline. Ik vind de relaxte Britten aangenamer om te horen dan de Amerikanen die de hyperkinetische toer durven opgaan. The Tennis Podcast is kwaliteit in geluid en inhoud. Tijdens grandslamtoernooien is er dagelijks een aflevering van plusminus dertig minuten. Aan te raden tijdens deze Australian Open dus. Hier is een overzicht van alle episodes.

Nog tennis podcasts?

Ook deze tennis podcasts zijn het beluisteren waard:

  • No Challenges Remaining is al aan aflevering 200 toe, vrij mainstream met veel informatie en onder meer de twitteractieve Ben Rothenberg van The New York Times als host.
  • In de Tactical Tennis Podcast leggen de initiatiefnemers het tactische aspect van tennis onder de loep. De profielschetsen van de toppers zijn boeiend om te beluisteren.
  • Achter de Baseline is de enige Nederlandstalige tennis podcast die ik ken. De meest recente aflevering dateert wel al van juli vorig jaar.

Longread | Memoires van een beginnend tennisspeler (5)

Lees hier de eerdere delen van ‘Memoires van een beginnend tennisspeler’.

Tijdens de zomer van 2017 vier ik mijn vijfendertigste verjaardag. In het enkelspel mag ik op officiële toernooien voortaan deelnemen in de leeftijdscategorie tot vijfenveertig jaar. Ik kies echter voor het kleine interne clubtoernooi dat tijdens de maand september plaatsvindt, waar ik deelneem in de laagste categorie en drie poulewedstrijden zal spelen.

“Mijn wankele opslag zorgt ervoor dat ik nog altijd op drijfzand tennis.”

Mijn eerste tegenstander, een veertiger, heb ik de voorbije maanden regelmatig zien tennissen. Ook hij volgde lessen, op dezelfde dag en hetzelfde uur als ik, maar op het terrein naast het onze. Ik taxeerde zijn slagen en lette op zijn service. Zijn medeleerlingen waren geen beginners. Ze speelden krachtig en goed, en leerden onder meer hoe een drive volley te spelen. Daartoe zijn wij in onze groep nooit gekomen. Ik ben op mijn hoede. Mijn wankele opslag zorgt ervoor dat ik nog altijd op drijfzand tennis. Er is geen stabiele basis. Op de dag van de wedstrijd schijnt de zon, dus spelen we buiten, op het gravel. Tot mijn verbazing kom ik geen moment in de problemen. Ik moet amper één game toestaan. Achteraf, tijdens het vegen van de court, lonk ik naar hem. Zijn hoofd is verscholen tussen zijn schouders, zijn rug is gekromd en hij sloft heen en weer met het sleepnet achter zich aan. Ik voel de zon op mijn gelaat en kan een glimlach niet onderdrukken. Nog altijd kan ik het beeld moeiteloos boetseren.

Een week later ontmoet ik mijn tweede tegenstander. Hij is opnieuw zo’n tien jaar ouder dan ik en slaat elke bal, forehand en backhand, met slice. De wedstrijd is echter vlug voorbij. Na drie spelletjes blesseert hij zich aan het been en moet noodgedwongen de match staken. Het betekent dat de derde groepswedstrijd zal beslissen over winst of verlies in het minitoernooi. Daarvoor speel ik tegen een ervaren clublid. Hij is een jonge zestiger en zijn dubbelklassement is drie trapper hoger dan het mijne. Enkelspel speelt hij echter zelden of nooit. Net zoals ik heeft hij zijn eerdere wedstrijden gewonnen. De eerste keer verloor hij vijf spelletjes, de tweede keer vier.

“Meer dan met zijn dwingende opslag kruipt hij onder mijn vel door zijn totale afwezigheid van dorstlust. Niet één keer tijdens onze twee uur durende wedstrijd zal hij een slok water drinken.”

Tijdens de eerste set onderga ik het spel. Hij speelde ooit op hoger niveau volleybal en beschikt over een sterke opslag, hard en uitstekend geplaatst. Hij kijkt vooraf waar ik me positioneer om zijn service te ontvangen en speelt daar perfect op in. Tijdens het spel focust hij voortdurend op mijn zwakke backhand. Ik verlies de set kansloos met 6-1.

Voor mijn winstkansen geef ik geen cent meer. Meer dan met zijn dwingende opslag is hij onder mijn vel gekropen door zijn totale afwezigheid van dorstlust. Terwijl ik na iedere twee games smacht naar een oase, tennist hij vrolijk verder. Niet één keer tijdens onze twee uur durende wedstrijd zal hij een slok water drinken.

In de tweede set kan ik dominanter tennissen en ga in het derde game door zijn opslag. Ik serveer steeds beter en win de set met 6-4. Dat betekent dat een matchtiebreak de beslissing zal brengen. Wie als eerste tien punten haalt, met een verschil van twee punten, wint de wedstrijd. Dan gebeurt wat twee jaar lang geen enkele keer, niet in het enkelspel en niet in het dubbelspel, heeft plaatsgevonden. Tijdens de allesbeslissende punten voel ik me mentaal en fysiek sterker. In plaats van af te brokkelen als een ruïne, lijm ik aan elkaar. Het wordt 10-4. Ik win een wedstrijd die ik twaalf maanden eerder nooit had kunnen winnen.

Als we samen de tennisbaan verlaten en de cafetaria opzoeken, vertelt hij me dat dit zijn allerlaatste wedstrijd is geweest. Een volgend winterseizoen komt er niet. Ik daarentegen ben nog lang niet de tennisspeler die ik wil zijn, maar ik heb de voorbije vierentwintig maanden meer nieuwe mensen leren kennen dan het decennium voordien. Waarom heb ik zolang gewacht?

In de auto open ik de enveloppe die ik als toernooiwinnaar heb ontvangen.

‘ENKEL HEREN. WINNAAR. WAARDEBON 20 EURO.’

Ik ben een tennisspeler, een tennisspeler met prijzengeld.

Ik ben zielsgelukkig.

Longread | Memoires van een beginnend tennisspeler (4)

Je kunt hier de eerdere delen van ‘Memoires van een beginnend tennisspeler’ lezen.

Op 1 januari 2017 beslis ik dat het anders moet. Op de weegschaal is ruim 82 kilogram af te lezen, meer dan ooit tevoren. Snelle koolhydraten en frisdrank behoren tot het verleden en ik wil meer bewegen. In mijn bureel installeer ik een hometrainer die mijn ouders twintig jaar geleden voor mijn vader hebben gekocht. Het ding is grijs en wit en waggelt als je erop gaat zitten. Voor het ontbijt ga ik een halfuur fietsen. Wanneer ik voetbal kijk, dan fiets ik. Wanneer ik tennis kijk, dan fiets ik. Ook ’s nachts. Als ik wakker word en niet meteen opnieuw de slaap kan vatten, dan hoor ik de lokroep van de hometrainer. Ik kruip even uit bed, ga fietsen, neem een douche en ga terug slapen. Het is een obsessie geworden. Tegen eind april staat de teller op min acht kilogram. Tegen de zomer heb ik mijn streefgewicht van zeventig kilogram bereikt. Waar ik enkele maanden geleden tijdens een enkelwedstrijd mezelf na elk punt puffend terug naar de basislijn sleepte, kan ik inmiddels moeiteloos twee uur na elkaar intensief tennissen. Ik voelde me nooit fitter.

***

“In de ogen en aan de lichaamstaal van mijn medeleerlingen is plezier af te lezen. Zij zijn hier voor een gezellig onderonsje, een theekransje met een tennisracket.”

Tijdens het voorjaar schrijf ik me in voor de tennislessen die de club organiseert. Onze groep bestaat uit drie. De anderen, moeder en dochter, zijn absolute beginners. In hun ogen en aan hun lichaamstaal is plezier af te lezen. Zij zijn hier voor een gezellig onderonsje, een theekransje met een tennisracket. Ik brand van ongeduld. Tijdens de acht keer dat we op woensdagavond gedurende een uur zullen samenkomen wil ik zoveel mogelijk leren. Onze leraar is een jonge twintiger en als B-speler een van de sterspelers van de club.

“Ik tennis als een houthakker, iemand die met een botte bijl grote hompen hout in stukken slaat.”

Het duurt niet lang voor ik met al mijn onvolmaaktheden wordt geconfronteerd. De tennisleraar zegt het niet, maar ik zie wat hij denkt: die man speelt als een houthakker, iemand die met een botte bijl grote hompen hout in stukken slaat. Ik moet de bal strelen en onder de bal kruipen. Bij het volleren stap ik met de verkeerde voet naar voren en hou mijn tennisracket te laag. Ik moet een split step uitvoeren en de bal rustig wegleggen zegt hij, terwijl hij het voordoet. Mijn eenhandige backhand is een losgeslagen armzwaai – de timing zit volledig verkeerd. Maar het ergste is het gesteld met mijn opslagbeweging. De opgooi is veel te laag en tijdens de beweging laat ik het racket te weinig in mijn nek vallen. Met de instructies van de trainer in het achterhoofd onderneem ik verschillende pogingen. Het voelt als leren lezen. Heel aarzelend puzzel ik de aanwijzingen in elkaar. Haast altijd vliegt de bal mijlenver uit of belandt onder in het net. ‘Het is moeilijk als je al wat ouder bent,’ zegt hij met een uitgestreken gezicht. Zijn woorden hakken er stevig in.

“Wanneer ik ’s nachts wakker word, sla ik, liggend op mijn rug, mijn backhand in het ijle.”

Net als tijdens mijn dieet vertoon ik obsessief gedrag. De lessen blijven door mijn hoofd dansen. Het gebeurt tijdens het werk, tijdens het douchen, en ook wanneer ik in het midden van de nacht wakker word. Ik sla, liggend op mijn rug, mijn backhand in het ijle. Ik bekijk tientallen YouTube-filmpjes. Ik kijk naar de profspelers: naar hun houding, naar hun techniek en welk been ze als voorste plaatsen bij het spelen van een forehand- en backhandvolley. Ook dan ben ik ongeduldig: ik spoel door bij instructies en wil enkel beelden zien.

Wanneer ik de daaropvolgende maanden opnieuw wekelijks op donderdagavond tegen mijn vaste dubbelpartner speel, probeer ik los te laten. Ik mag niet denken aan winnen. Ik moet werken aan mijn techniek. Het punt opbouwen en niet meteen voor de winner willen gaan. Ik had mezelf tot juli gegeven om alles onder de knie te hebben. Die deadline ben ik voorbij. Ik voel voor de allereerste keer het ondenkbare: mijn zin in het spelletje is kleiner geworden.

Lees hier het laatste deel van ‘Memoires van een beginnend tennisspeler’.

Longread | Memoires van een beginnend tennisspeler (3)

Je kunt hier de eerdere delen van ‘Memoires van een beginnend tennisspeler’ lezen.

Enkele maanden na mijn debuut vindt in onze tennisclub een dubbeltoernooi plaats. Samen met mijn vaste tennispartner, met wie ik het dinsdaguurtje volmaak en intussen een twaalftal uren samen op de baan heb gestaan, neem ik deel. We zijn steeds beter op elkaar ingespeeld geraakt. Hij serveert goed, zijn backhand is heel stabiel en hij is, zoals mij was voorspeld, aalvlug. Ik kan inmiddels doorduwen met de forehand en onze goede reflexen zorgen ervoor dat we aan het net heel wat punten scoren. Ook ons spelinzicht is een stuk beter geworden. We raken niet meer voortdurend verstrikt in het tactische web dat onze tegenstanders voor ons spannen. Tijdens het dubbeluurtje winnen we steeds vaker een set.

“Wanneer ik onze tegenstanders in levenden lijve zie, doen ze me qua postuur denken aan Laurel en Hardy.”

We nemen deel in de laagste reeks, maar ook daar zijn we complete groentjes. Zo zijn we in de toernooitabel het enige duo met de lettercombinatie ‘N.G.’ naast onze namen, wat ‘Niet Geklasseerd’ betekent. Twee dagen voor aanvang van het toernooi vindt een computerloting plaats. Op de website van Tennis Vlaanderen zie ik voor het eerst de namen van onze tegenstanders. Ik bekijk hun leeftijden en hun speelgeschiedenis. Ze hebben de voorbije jaren heel wat toernooien gespeeld. Wanneer ik hen enkele dagen later in levenden lijve zie, doen ze me qua postuur denken aan Laurel en Hardy. ‘Het is Wimbledon niet,’ zegt één van hen alvorens we de opwarming starten, waarmee hij wil zeggen dat het vooral om het plezier gaat. Ik besluit zijn uitspraak te onthouden. Voortaan zal ik ze herhalen voor elke officiële wedstrijd die ik speel.

“Vandaag sta ik bij hen bekend als degene die elk game één of twee dubbele fouten slaat. Het is mijn grote zwakte, onze zwakte als team.”

Ik heb veel gehoord en gelezen over het mentale aspect van het tennisspel. Nu onderga ik het allemaal. Ik ben het tekstboekvoorbeeld van de choker. Ik voel in elke slag het korte armpje, zoals dat in tennistermen heet. Hoewel de intensiteit niet heel hoog is en we het tempo goed kunnen volgen, speel ik met de handrem op. Ik durf mijn slagen niet te lossen uit schrik in de fout te gaan. Maar erger is dat mijn opslag niet draait. Tijdens het dinsdaguurtje was mijn service veel beter geworden, maar vandaag sta ik bij onze tegenstanders bekend als degene die elk game één of twee dubbele fouten slaat. Het is mijn grote zwakte, onze zwakte als team. We verliezen de eerste set met 6-2. Tijdens de kampwissels peppen we elkaar op. In de tweede set staan we gauw 5-2 achter. Met de rug tegen de muur spelen we bevrijd. We komen terug tot 5-5, maar verliezen de set alsnog met 7-5. Ik ben ontgoocheld in mezelf.

In bed kan ik de slaap moeilijk vatten. De hele wedstrijd speelt zich voor mijn ogen af, ik kan me elk moment minutieus herinneren. Elke keer ik goed anticipeerde aan het net, elke keer ik een rally kon beslechten met een winnende forehand, maar vooral elke gemiste kans. De dubbele fouten zitten me dwars. Laurel en Hardy zullen nog de hele nacht als spoken opdoemen.

***

“Ik bekijk mijn dubbelpartner nu op een andere manier. Hij is een counterpuncher en de trage gravelondergrond zorgt ervoor dat hij nog méér ballen kan terugbrengen.”

Tijdens het zomerseizoen van 2016, dat loopt van april tot en met september, speel ik voor het eerst enkelwedstrijden, telkens tegen mijn vaste dubbelpartner die al vier jaar tennist. Ik speel de eerste keer op gravel en dat bevalt me matig. De vele valse botsen zinnen me niet. Ik bekijk mijn dubbelpartner voortaan op een andere manier. Hij is een volbloed counterpuncher en de trage gravelondergrond zorgt ervoor dat hij nog méér ballen kan terugbrengen. Ook de aanpassing aan het enkelspel is groot. Zo moet ik voortdurend mijn backhandzijde beschermen, en omdat ik nauwelijks mijn backhand durf door te slaan, doe ik niets anders dan de bal terug te slicen. Ik probeer heel aanvallend te spelen, maar mijn voetenwerk is een ramp. Niet zelden wanneer ik naar het net oploop, kom ik met mijn passen helemaal verkeerd uit.

“Qua spelniveau heb ik vooruitgang geboekt, maar op fysiek vlak ben ik een ramp geworden.”

In onze wedstrijdjes zijn we nagenoeg gelijkwaardig. Een set eindigt vaak in een tiebreak. De lange wedstrijden zorgen ervoor dat er heel veel moet worden geserveerd, wat mijn opslag ten goede komt. Het liefste speelde ik elke dag uren aan een stuk – we zijn niet langer gebonden aan het vaste dinsdaguurtje – maar dat kan niet. Ik ben bezig met het schrijven van mijn eerste boek en de deadline ligt op half augustus.

Na afloop van het zomerseizoen zit mijn eerste jaar als tennisspeler erop. Qua spelniveau heb ik vooruitgang geboekt, maar op fysiek vlak ben ik een ramp geworden. De stress van het boek heeft voor extra kilogrammen gezorgd (en rijstwafels met aan de ene zijde een chocoladelaag). Ik weeg vijf kilogram meer dan enkele maanden geleden, twaalf meer dan tijdens mijn studententijd en dat kan ik niet laten gebeuren als ik mijn uiteindelijke doel wil bereiken: alsnog een deftig tennisspeler worden.

Lees hier deel 4 van ‘Memoires van een beginnend tennisspeler’.

Longread | Memoires van een beginnend tennisspeler (2)

Je kunt hier deel 1 van ‘Memoires van een beginnend tennisspeler’ lezen.

Ik was een tafeltennisspeler. Dat kwam zo. Ik ging met de schoolbus naar de lagere school. Tijdens het wachten speelden we bij de overburen in hun garage tafeltennis. Elke ochtend. Ik deed het graag en schijnbaar ook goed. Ik werd lid van een tafeltennisclub, zat tijdens mijn middelbareschooltijd in de schoolploeg en won verschillende keren het toernooi dat begin oktober tijdens de jaarlijkse wijkfeesten in de gemeente werd georganiseerd. En toch, toch wou ik nooit Jean-Michel Saive zijn en stond ik in onze garage nooit tegenover hem wanneer de tafeltennistafel half was dichtgeklapt. Neen, in mijn fantasie nam ik het op tegen Pete Sampras, Andre Agassi, Stefan Edberg, Jim Courier en Boris Becker. Zij speelden tennis.

“De oude Becker had een baard gekweekt en die machtige opslagbeweging was minder stabiel geworden. Hij sjokte over de court.”

Becker was mijn tennisheld. Niet de jongen van zeventien uit Leimen die in 1985 Wimbledon won en daarmee op slag een wereldster was geworden. Het was begin jaren negentig en zijn glorieperiode was voorbij. Ik was veroordeeld tot de oude Becker, de man die inmiddels tegen de dertig aanliep, een baard had gekweekt en wiens machtige opslag minder stabiel was geworden. Ik was fan van een man die sjokte over de court. In 1995 hoopte ik Becker eindelijk een grandslamtoernooi te zien winnen. Tijdens Wimbledon versloeg hij in de halve finales Andre Agassi. In de finale wachtte Pete Sampras. Becker won nog wel de eerste set in een tiebreak, maar terwijl ik steeds vlugger door de woonkamer ijsbeerde, serveerde Sampras zich naar de titel.

Mijn geduld werd op de proef gesteld, tot enkele maanden later Becker het ook bijzonder goed deed tijdens de Australian Open. In het weekend stond ik vroeger op en op woensdagmiddag hoopte ik in het huis van mijn grootmoeder, terwijl we zoals altijd balletjes in tomatensaus aten, op Eurosport nog de laatste wedstrijd van de avondsessie mee te pikken. Ik herinner me van het hele toernooi drie wedstrijden. Alleswinnaar Pete Sampras verloor in de derde ronde van Mark Philippoussis, een jonge thuisspeler, waardoor, zoals dat mooi heet, de bovenste tabelhelft zich opende. Becker speelde in de halve finales dus niet tegen Sampras maar tegen Mark Woodforde, een dubbelspecialist. Becker verloor amper zes games en plaatste zich voor een nieuwe grandslamfinale. Daarin werd verrassend niet Andre Agassi, maar de Amerikaan Michael Chang de tegenstander. Chang had zeven jaar eerder Roland Garros gewonnen, onder meer door een memorabele wedstrijd tegen Ivan Lendl, en stond toch vooral bekend als gravelspecialist. Kortom, Becker was favoriet. Op zondagvoormiddag bekeek ik uitgesteld de finale – de wedstrijd was de nacht voordien gespeeld. Becker deed wat ik niet gedacht had ooit nog te zullen zien: hij won een grandslamtoernooi. Zijn zesde, mijn eerste. Op het Centre Court pronkte hij met de beker. Het voelde onwerkelijk.

“Mijn tenniscourt bestond uit de tegels van het terras, geordend in rechte lijnen. Met het handvat van de garagepoort bepaalde ik de hoogte van het net.”

Tijdens diezelfde wintermaanden – mijn indoorseizoen in de garage – gebruikte ik mijn tafeltennispalet en een tennisbal in mousse om mijn tenniskriebels te uiten – een tennisracket was te groot voor de ruimte. Wanneer het weer beter werd en het daglicht langer scheen, trok ik opnieuw naar de andere kant van de garagepoort. Uren mepte ik er de gele balletjes in mousse tegenaan. Met het handvat bepaalde ik de hoogte van het net. Mijn tenniscourt bestond voorts uit de tegels van het terras, perfect geordend in rechte lijnen. Om de twee spelletjes ging ik zitten in de tuinstoel die ik naast mijn court had geplaatst, ik nam een slok water en stond op voor het volgende game. Tijdens Wimbledon verhuisde ik mijn court naar het grasveld in de tuin. De muur werd mijn tegenstander, krachtiger en minder wispelturig dan het oneffen oppervlak van de garagepoort. Nooit was ik in deze fantasiewereld nummer één op de wereldranglijst. Ik was altijd nummer drie en het maakte niet uit hoeveel grandslamfinales ik won, altijd bleef ik nummer drie. Alsof de fantasie nog een greintje realisme moest bevatten. Of ik voelde me prettig bij de underdogrol.

“Becker verloor van Patrick Rafter en nam afscheid van het tennis. Ik zei Becker vaarwel en vouwde mijn tenniscourt dicht.”

Die underdogrol zou ook Boris Becker tijdens de tweede helft van de jaren negentig vervullen. Hij kampte steeds vaker met blessures, en wanneer hij nog een keer op de baan verscheen, gebeurde dat tijdens Wimbledon. Becker verloor in 1999 in de vierde ronde van Patrick Rafter en nam afscheid van het tennis. Ik zei Becker vaarwel en vouwde mijn tenniscourt dicht. Tennis verdween naar de achtergrond, tot twee jaar na Beckers afscheid een Zwitser met korte paardenstaart tijdens Wimbledon Pete Sampras versloeg. Met een vriend ging ik nog enkele keren tennissen in een naburige club waar we deden alsof het gratis was. Maar verder ging het niet.

Tafeltennis, de sport die toevallig op mijn pad was gekomen, speelde ik in het openbaar. Toch voelde ik dat mijn ware sportroeping zich weg van de tafel bevond, bij grotere rackets, thirty-love en de doordringende geur van een tennisbal. Er was immers geen sport ter wereld die ik liever beoefende dan tennis.

Je kunt hier deel 3 van ‘Memoires van een beginnend tennisspeler’ lezen.

Longread | Memoires van een beginnend tennisspeler (1)

Je kunt als dertigplusser niet blijven met een tennisracket een bal tegen een muur slaan, dus stap ik in november 2015, om kwart voor acht ’s avonds op een dinsdag, voor het eerst de tennisclub van mijn gemeente binnen. In mijn rechterhand draag ik een zwarte gitaarvormige tennistas. Daarin bevinden zich het tennisracket dat ik ruim tien jaar eerder heb gekocht – blauw met grijs frame en zwart handvat – en een paar zwarte tennisschoenen. Ik heb me helemaal in het zwart aangekleed. Behalve mijn tennisschoenen zijn ook mijn short, T-shirt, kousen en trainingsvest gitzwart. Zoals de nationale rugbyploeg van Nieuw-Zeeland. Ik voel de nood om extra zelfvertrouwen uit te stralen. Diep vanbinnen – ach, niet eens zo diep – ben ik immers bloednerveus. Ik ervaar dezelfde spanning als toen ik jaren geleden mijn praktisch rijexamen heb afgelegd: ik ken de regels van het spel, maar ik heb geen idee hoe ik zal reageren wanneer het erom gaat.

In de tennishal klinken de geluiden waarnaar ik heb verlangd: de typische plof wanneer racketsnaren een tennisbal raken, de scherpe klank van piepende schoenen, het lichte gekreun tijdens een lange rally en het gevloek na een misser. Clubleden lopen heen en weer. Af en toe zegt iemand ‘Goedenavond’. Ik antwoord hetzelfde of knik aarzelend. Waar zich de kleedkamers bevinden, weet ik niet, dus neem ik plaats op een laag stenen muurtje, tussen de planten. Ik wissel mijn versleten zwarte All Stars voor de tennisschoenen. Het is inmiddels vijf voor acht. Weldra zal ik tennis spelen.

“Ik heb mezelf een blind date bezorgd: ik weet niet wie ze zijn, wat hun leeftijd is, hoelang ze al tennis spelen en wat hun niveau is.”

Weken voordien heb ik mijn contactgegevens doorgegeven aan de voorzitter van de tennisclub. Ik zocht een tennispartner. De voorzitter zou bij enkele leden informeren. Enkele dagen geleden kreeg ik telefoon van een clublid. De man vertelde dat hij elke dinsdagavond dubbel speelt en dat zijn gezelschap voor het lopende winterseizoen één iemand tekortkomt. ‘Of ik wil meespelen?’ ‘Ja, natuurlijk. Ik zal er zijn,’ had ik zonder aarzelen gezegd, niet wetende waarin ik terecht zou komen. Ik had mezelf een blind date bezorgd: ik weet, behalve de mannenstem, niet wie ze zijn, wat hun leeftijd is, hoelang ze al tennis spelen en wat hun niveau is. Ik ben de nieuwkomer, een halve kluns, en misschien spelen zij wel heel erg goed. Toch overwon de goesting de angst. Dit was mijn kans. Terrein 13, daar zal ik debuteren.

“Terrein 13 is niet aangeduid, dus sta ik, iets voor acht, hulpeloos rond te kijken als een kind op een eerste schooldag.”

Terrein 13 bevindt zich helemaal achter in de tennishal. Vooraan liggen naast elkaar banen 10 en 11 en daarachter 12 en 13, tapijt als ondergrond in licht- en donkerblauwe kleuren. De voorste terreinen zijn aangeduid met vierkanten plakkaatjes in zwart en wit. Dat is niet zo voor 12 en 13, dus sta ik hulpeloos rond te kijken als een kind op zijn eerste schooldag. Het duurt tot twee mannen het terrein op komen wandelen. Terwijl ze hun rackets uit hun tassen halen, vraag ik hen of dit terrein 13 is. ‘Neen, dat is dáár,’ zeggen ze, terwijl ze beiden naar het terrein aan de overkant wijzen. Ik volg hun vingertoppen en zie een drietal in vol tennisornaat. Ik stap naar hen toe en ontmoet een man en een vrouw, beduidend ouder dan ik, samen goed voor ruim een halve eeuw tenniservaring. De derde persoon, waarvan ik later zou leren dat hij een leeftijdsgenoot is, wordt geïntroduceerd als iemand ‘die heel vlug kan lopen’. Hij zal vanavond mijn tennispartner zijn. We spreken af wie welke kant van de baan voor zijn rekening zal nemen: de forehandzijde (rechts) of backhandzijde (links). Omdat mijn tennispartner over een goede backhand beschikt en de rechterkant de makkelijkere zijde is, speel ik vanavond aan de forehandkant.

“Tijdens de eerste games heb ik moeite om het tempo te volgen. Ik krijg ook regelmatig een ace om de oren. Het vervalt echter in het niets bij dé uitdaging van de avond: bovenhands serveren.”

Tijdens de opwarming sla ik met licht trillende arm en op wankele benen de eerste ballen in mijn nieuwe tennisclub. Ik speel met zo weinig mogelijk risico en probeer de bal zo lang mogelijk in het spel te houden. Ik sla enkel forehands en loop zoveel als ik kan om mijn onbestaande backhand heen. Tijdens de eerste games van de wedstrijd heb ik moeite om het tempo te volgen. Ik krijg regelmatig een ace om de oren. Het vervalt echter in het niets bij dé uitdaging van de avond: bovenhands serveren. Wie niet bovenhands kan serveren, heeft op een dinsdagavond weinig te zoeken in een tennisclub.

Stiekem heb ik daarom de weken voordien in een naburige gemeente een tennisterrein bezocht. Niets groots, niet eens op een clubterrein. Ik bevond me op een veredelde parking waar op het beton enkele lijnen waren geschilderd en een net stond. Op YouTube had ik instructiefilmpjes bekeken met inspirerende titels als ‘How to hit fast tennis services’ en ‘How to effortlessly hit powerful tennis services’. Ik had ook geprobeerd in onze tuin te oefenen, maar dat werkte niet. Ik kon er niet voluit gaan. Pas op het beton deed ik de choreografie van de bovenhandse opslag in full flow: voorbereiding, opgooi, trofeehouding en slag. Stilaan ontdekte ik de juiste opgooi – ik gooide de bal aanvankelijk te ver naar achteren – en ook de snelheid van mijn service ging omhoog. Ik oefende ruim één uur. Een goede plaatsing was het verste van mijn gedachten. Mijn enige doel bestond erin de bal tegen een acceptabele snelheid over het net te krijgen en binnen het opslagvlak te laten landen. Daar slaagde ik steeds vaker in.

“Onze tegenstanders zijn goed op elkaar ingespeeld en roepen elkaar regelmatig instructies toe. Zij zijn één geheel. Wij spelen als kruimelende cake.”

Op baan 13 verliezen we de eerste set met 6-3. Ik sla elk opslaggame minstens één dubbele fout en kan geen enkele keer mijn service behouden. Het tempo ligt niet heel hoog en aan het net kan ik buigen op goede reflexen. Onze tegenstanders zijn goed op elkaar ingespeeld en roepen elkaar regelmatig instructies toe. Zij zijn één geheel. Wij spelen als kruimelende cake. In de tweede set staan we 4-2 achter. Dan verschijnt langs het terrein het kwartet dat het volgende uur heeft gereserveerd. Na afloop wisselen we zweterige handen uit en vertellen we elkaar dat we goed hebben gespeeld. Dat hoort zo.

Het is me gelukt. Ik heb het uur overleefd zonder me belachelijk te maken. Ik weet dat de volgende ochtend zal bestaan uit spierpijn over mijn hele lichaam. Toch kan ik me enkel overgeven aan dat overheersende gevoel: ik ben eindelijk thuisgekomen.

Je kunt hier deel 2 van ‘Memoires van een beginnend tennisspeler’ lezen.

Gelezen | ‘String Theory’ – David Foster Wallace

Tennis en schoonheid gaan hand in hand, of het nu gaat om een pioniersrol op modevlak, zowel op als naast de court, of de elegantie van het spel. Voeg er de mentale laag aan toe – tennis is, op het allerhoogste niveau, een spel van centimeters – en je krijgt een cocktail voor boeiende verhalen in een literair woordenspel.

Wie zich wil laven aan tennisliteratuur, moet zich wenden tot Engelstalige auteurs. Zo publiceerde John McPhee in 1969 de klassieker ‘Levels of the Game’, opgebouwd rond de 1968 US Open-halve finale tussen Arthur Ashe en Clark Graebner, twee Amerikanen die qua achtergrond niet meer van elkaar konden verschillen, en is er het paradijselijke toevluchtsoord David Foster Wallace (1962-2008). Library of America bundelde in 2016 vijf tennisessays met als titel ‘String Theory’.

Derivative Sport in Tornado Alley (1991)

David Foster Wallace vertelt in dit essay hoe hij de passie voor tennis ontdekt. Hij veegt de vloer aan met rijkeluiszonen, tot hij op zijn vijftiende op zijn limieten stuit en zich moet neerleggen bij het zelfverklaarde statuut van nearly great junior player. Opvallend: David Foster Wallace gebruikt de graansilo’s in Philo, een piepklein stadje in Illinois, als decor voor zijn kindertijd, terwijl hij er nooit heeft gewoond.

How Tracy Austin Broke My Heart (1992)

Aan de hand van ‘Beyond Centre Court: My Story’ (1992), de autobiografie van Tracy Austin, US Open-winnares in 1979 en 1981, ontleedt David Foster Wallace het probleem van veel sportbiografieën. Ze drijven meestal op ‘inspireren’ en gebruiken daarvoor het klassieke heldenverhaal als leidraad: de sporter heeft heel wat hindernissen moeten overwinnen, een uitputtende queeste naar de top. David Foster Wallace stelt dat dit ook kan gelden voor een fantastische boekhouder of een uitmuntende loodgieter.

Met andere woorden: sportbiografieën zijn een en al cliché. Ze suggereren grootsheid, maar zijn vaak niet zo bijzonder. Bovendien zijn ze vooral geschreven voor het welzijn van de sporter en diens naaste omgeving. Sportbiografieën zijn commercieel interessant, maar dragen zelden iets bij. Boeiende gedachtegang.

The String Theory (1996)

Fantastisch essay waarin David Foster Wallace de verborgen realiteit van het proftennis beschrijft. Dat doet hij aan de hand van Michael Joyce, een Amerikaans tennisser, en op het moment van het schrijven 22 jaar oud en het nummer 79 op de wereldranglijst. David Foster Wallace volgt Joyce tijdens het kwalificatietoernooi van de Canadian Open en geeft in één pennentrek door tennisgeschiedenisles. Het volledige essay is hier te lezen.

Eerder dit jaar verscheen in Racquet magazine een lezenswaardig vervolg. Daarin ging journalist Sam Riches op zoek naar Michael Joyce en de invloed van David Foster Wallace’s essay op het leven van Joyce. Je kunt het stuk, met als titel ‘Michael Joyce’s Second Act’, hier lezen.

Democracy and Commerce at the US Open (1996)

David Foster Wallace bezoekt tijdens Labor Day Weekend 1995 de US Open. Zijn perskaart laat hem toe te meanderen langs een wedstrijd tussen Pete Sampras en Mark Philippoussis, de overal aanwezige reclame en de bedrijvigheid bij eettenten en souvenirstanden. Bottom line: commercie regeert en tennis is slechts lijdend voorwerp. David Foster Wallace in volle vlucht.

Federer as Religious Experience (2006)

Het essay dat bekend is geworden voor het introduceren van de term ‘Federer Moments’ – zie de openingszinnen hieronder. Dit is geen stuk over Roger Federer zelf, wel over de toeschouwerservaring bij het zien van de tennisser Roger Federer. Daarvoor reist David Foster Wallace in 2006 naar Wimbledon waar hij de finale tussen Federer en Rafael Nadal bekijkt.

De manier waarop hij de Zwitser beschrijft is als een beeldhouwer die een standbeeld vervaardigt. Elke slag, elke gelaatsuitdrukking, het voetenwerk. Elk detail wordt weergegeven. Sublieme observatie en interpretatie. Het volledige stuk is hier te lezen.

Waarom zijn de teksten van David Foster Wallace over tennis zo goed?

David Foster Wallace kent tennis en begrijpt de mentale dimensie ervan. Hij is de leerling achterin de klas die nooit de vinger opsteekt, maar de omgeving observeert en die vervolgens woordelijk weergeeft met de precisie van een winnende forehand, backhand of opslag. Dat maakt David Foster Wallace tot een fantastisch tennisschrijver: zijn woorden en het tennisspel zijn van dezelfde soort. Ze zijn één.

De eerste zinnen uit ‘Federer as Religious Experience’

Almost anyone who loves tennis and follows the men’s tour on television has, over the last few years, had what might be termed Federer Moments. These are times, as you watch the young Swiss play, when the jaw drops and eyes protrude and sounds are made that bring spouses in from other rooms to see if you’re O.K.

Library of America, New York, derde druk, 2016, 138 pagina’s