De boekenplank van de maand januari

Ik vertel op deze website dat ik kamers vol oude sportboeken wil verzamelen. Daarom bezoek ik maandelijks kringloopwinkels en 2dehandsboekhandels. Ook snuister ik in de plooien van het internet. Ik zoek oude sportboeken, maar ben niet blind voor elpees, singles en andere sportmemorabilia. Dit is een greep uit de vangst van de maand januari.

‘Ik, Jean-Marie’ | Lex Molenaar

“Iedereen denkt te weten hoe ik in elkaar zit. Nu wil ik zelf wel eens vertellen wie ik ben en wat ik tot nog toe heb gedaan.” Tot zover de bedoeling van deze memoires van Jean-Marie Pfaff, die in 1987 als ondertitel ‘de beste keeper ter wereld over zijn triomfen en nederlagen’ kregen. En dat is niet gelogen. Hoofdstukken boordevol fijne anekdotes worden afgewisseld met korte interviews met Carmen Pfaff en Guy Thys.

Het boek werd opgetekend door Lex Molenaar, destijds chef-redacteur van het weekblad Panorama, in een zeer entertainende schrijfstijl. Inhoudelijk af en toe met een korrel zout te nemen maar nooit ofte nimmer vervelend.

Uitgeverij De Ballon, Wommelgem, 1987, eerste druk, 160 pagina’s

‘Snooker’ | Rudy Bauwens

Auteur Rudy Bauwens is vandaag snookercommentator bij Eurosport. In 1986 schreef hij ‘Snooker’, dat een mooi overzicht geeft van de snookerwereld tijdens de jaren 80, het decennium waarin snooker met een stevige windstoot uit Engeland kwam overgewaaid.

Het boek bevat naast biografieën van topspelers ook tal van trainingstips, wat het ook tot instructieboek maakt. De laatste hoofdstukken zijn gewijd aan ‘de goddelijke 147’ (maximumbreak) en snooker in België. Het boek kreeg een mooie inleiding door Raymond Ceulemans.

Press, Antwerpen, 1986, eerste druk, 280 pagina’s

Björn Borg en Jack Kramer kregen gezelschap

Enkele jaren geleden kocht ik via eBay twee houten tennisrackets. Bij een online garageverkoop van een man uit Connecticut zag ik een zwarte Bancroft Björn Borg Personal en een witte Wilson Jack Kramer Authograph. Beide rackets waren in goede staat en de verleiding was te groot. Bancroft is een oud Amerikaans tennisracketmerk daterend van eind 19de eeuw, waarmee Borg om sponsorredenen buiten Europa tenniste. Binnen Europa gebruikte hij de rackets van het Belgische Donnay uit het Naamse Couvin. De Amerikaan Jack Kramer won tijdens de jaren 40 zowel Wimbledon als de US Open. Ik kocht een tijdje geleden ook zijn biografie uit 1979, maar daar schrijf ik in een latere boekenplankblogpost meer over.

Beide rackets kregen de voorbije maand gezelschap. In een kringloopwinkel in de buurt vond ik een zwarte Snauwaert Caravelle St. en een witte Slazenger Professional. Vooral met de Snauwaert, het legendarische Belgische tennisracketmerk uit Roeselare, ben ik heel tevreden. Dit houten racket heeft immers nog een besnaring met het logo van Snauwaert en kwam met een originele beschermhoes. Beide rackets dateren vermoedelijk van midden tot eind jaren 70 of begin jaren 80.

Het is alleszins de bedoeling om de collectie tennisrackets uit te breiden. :-)

Column | Een zoektocht naar perfectie

Er is geen beter tijdstip om de ruim tweeduizend planten in de Sheffield Winter Garden te bezichtigen dan tijdens de tweede helft van de maand april. Dan bouwt de BBC er tijdens het wereldkampioenschap snooker een kleine televisiestudio en dat levert fantastische beelden op. Een gezette Brit hijgt in de hals van presentatrice Hazel Irvine. Oud-wereldkampioen John Parrott grapt en grolt. Zesvoudig wereldkampioen Steve Davis toont op de oefentafel hoe het had moeten zijn en lardeert het pomeransgeaai met deskundigheid. En af en toe wordt een quizje gespeeld. Zo gaat het elk jaar opnieuw. Snooker kijk je op de BBC. En snooker kijk je in stilte. Gesprekken gebeuren hoogstens op vezeltoon. De enige zin die je thuis luider de kamer inblaast is een interpretatie van John Virgo’s ‘Where’s the cue ball going?

De kleine Surrey Street en het Tudor Square scheiden de Winter Garden van het Crucible Theatre. Wat het Centre Court van Wimbledon is voor tennis, is The Crucible voor snooker: het heiligdom der heiligdommen. Zodra jongens een eerste keu in hun kleine kinderhanden krijgen gestopt, dromen ze slechts van één ding: op een dag aangekondigd worden in The Crucible.

“Al verliest Ronnie O’Sullivan in de eerste ronde, dan nog denk je op de laatste dag: ‘Daar had Ronnie moeten staan.”

Het wereldkampioenschap telt 32 deelnemers. Toch draait alles om één man: Ronnie O’Sullivan. Al verliest Ronnie in de eerste ronde, dan nog denk je op de laatste dag: ‘Daar had Ronnie moeten staan.’ Voor Ronnie is de keu geen werkinstrument; het is het verlengde van zijn arm en brein. Ronnie is zo goed dat jaloezie bij tegenstanders om de hoek kan komen loeren. Toch is dat niet het geval. Ronnie is immers ook mens, want hij is een beetje gek. Af en toe is Ronnie alles beu. Dan stopt hij midden in een frame of houdt er enkele maanden mee op. In 2013 speelde hij in de aanloop naar het wereldkampioenschap één wedstrijd. In Sheffield kwam Ronnie vervolgens zijn titel verdedigen. Hij opende het wereldkampioenschap en sloot het voor een vijfde keer als winnaar af. Alsof hij gauw bij de bakker om de hoek een brood ging halen.

“Snooker is een eindeloze strafschoppenreeks. Missers worden genadeloos afgestraft en de veroordeling bestaat uit een stilleven in de spelersfauteuil.”

Ik kan Ronnie wel begrijpen. Het snookerbestaan is een mentale beproeving. Snooker is een eindeloze strafschoppenreeks. Missers worden genadeloos afgestraft en de veroordeling bestaat uit een stilleven in de spelersfauteuil. De Australische schrijver Clive James vergeleek snooker met schaken: ‘Whoever called snooker “chess with balls” was rude, but right.’ Joe Davis, vijftien keer wereldkampioen, beschreef het spelletje ooit als ’a game of simple shots played to perfection’. Perfectie. Dat is het woord. Die constante hang naar perfectie leidt vroeg of laat tot mentale droogte. En toch is dit het lot van elke snookerspeler.

Immers, enkel met de perfecte stoot laat de pocket zich bezwangeren.