De boekenplank van de maand april

Ik vertel op deze website dat ik kamers vol oude sportboeken wil verzamelen. Elke maand bezoek ik kringloopwinkels en 2dehandsboekhandels. Ook snuister ik in de plooien van het internet. Ik zoek oude sportboeken, maar ben niet blind voor elpees, singles en andere sportmemorabilia.

Na ‘TENNIS’ van René Lacoste (1928) en de memoires van boksmanager Karel De Jager (1979) ditmaal een boek van Maurice van Nieuwenhuizen, de Nederlandse pionier in het jiujitsu en judo, uit 1948. Als dessert ook een klassieker van een single over de Rode Duivels.

‘Judo. De moderne wetenschap van het jiujitsu| Maurice van Nieuwenhuizen

Het is fijn om voor te stellen hoe Maurice van Nieuwenhuizen (1912-1998) in 1947 in Den Haag de inleiding schreef van zijn boek over judo en jiujitsu. Van Nieuwenhuizen had een sportschool in de stad en was Nederlands kampioen jiujitsu. Eind jaren 30 stichtte hij de Nederlandsche Jiu-Jitsu Bond, wat later de Judo Bond Nederland werd. In die hoedanigheden schreef van Nieuwenhuizen voor en na de Tweede Wereldoorlog boeken over judo en jiujitsu.

Dit boek is een mooi overzicht van alle aspecten van het judo en jiujitsu. Het belangrijkste verschil ligt volgens de auteur in het wedstrijdaspect. Wanneer dat ontbreekt, aldus van Nieuwenhuizen, vervalt men  in geestdodende oefeningen waaraan elke spanning ontbreekt. Judo, wat ‘zachte weg’ betekent en verwijst naar een soepele, sierlijke en stijlvolle uitvoering, is om die reden populairder en heeft een grotere uitwerking op de karaktervorming.

Die lichamelijke en geestelijke vorming komt vaak terug. Aan elk aspect is een hoofdstuk gewijd. Van Nieuwenhuizen gaat er soms de hoogdravende toer op. Zo schrijft hij: “Na jarenlange praktische ervaring en grondige studie kwalificeer ik de judosport als een economisch, filosofisch en ethisch systeem van opvoeding waarvan de studie harmonie brengt in de ontwikkeling, wat tot noodzakelijk gevolg zal hebben dat de beoefenaar gekenmerkt wordt door een gezond superioriteitsgevoel, berustend op een zelfvertrouwen en dat hij een evenwichtige en krachtige persoonlijkheid wordt.”

Het boek is niet enkel een lange uitleg over de grondbeginselen van judo en jiujitsu. Daarnaast is er ruime aandacht voor de technische vaardigheden, zoals de worpen en valbewegingen, rijkelijk geïllustreerd met fotomateriaal. Wat online zoekwerk bracht me ook bij een Franse versie van het boek die dateert van 1949.

Uitgeverij A.W. Bruna & zoon, Utrecht, 1948, eerste druk, 124 pagina’s

Bezoek aan het Boekenfestijn in Kortrijk

Half april landde het Boekenfestijn opnieuw in Kortrijk. Ik kocht er ‘Het Kanon’, de biografie van Coen Dillen, tussen 1949 en 1961 aanvaller bij PSV en met 43 stuks nog steeds recordhouder wat betreft het aantal doelpunten in één eredivisieseizoen (seizoen ‘56-‘57).

Dillen, zo staat op de achterflap te lezen, was een koele doelpuntenmachine met een onbedaarlijk hard schot, wat hem de bijnaam ‘Het Kanon’ opleverde. Hij overleed in 1990 op 63-jarige leeftijd. De biografie van Jeroen van den Berck dateert van 2006 en telt 207 bladzijden.

De Rode Duivels gaan naar Mexico

In een lokale kringloopwinkel ontdekte ik in de bak met elpees en singles ook deze klassieker van Will Tura. Onmogelijk om te laten liggen toch? :-)

Gelezen | ‘Lat is hoog over’ – Arjan Peters

Arjan Peters, literair recensent bij de Volkskrant, schreef tijdens de wereldbeker voetbal in Rusland voor diezelfde krant elke dag een column. In 24 stukjes, niet langer dan driehonderd woorden, legt hij telkens de link tussen voetbal en literatuur. Na afloop van het toernooi werden de columns verzameld in een bundel met als titel ‘Lat is hoog over’.

Arjan Peters

Arjan Peters bekijkt voetbal op een andere manier. Hij observeert, kijkt naar de dag die zal volgen en schrijft zinnen die aanvoelen als momenten van zen. In elke column kleeft Arjan Peters een gebeurtenis, een opvallend iets, aan een passage uit een of meerdere voetbalboeken, vaak klassiekers, uit zijn naar eigen zeggen bescheiden voetbalbibliotheek.

België – Panama & dichter Remy

Zo wordt een vooruitblik naar België – Panama gelinkt aan Remy C. van de Kerckhove. Van de Kerckhove was, behalve dichter, eind jaren dertig en tijdens de jaren veertig ook aanvaller bij Racing Mechelen en later ook onder meer Union. Hij was ook voetbalverslaggever bij de toenmalige NIR, de voorloper van de BRT, tot hij in 1958 op 36-jarige leeftijd om het leven kwam bij een verkeersongeval.

In het prachtige Dichter Remy beschrijft Arjan Peters hoe van de Kerckhove voorafgaand aan de wedstrijd de kleedkamer van de tegenstander ingaat ‘om er wat bundeltjes te slijten’. “Het zou een stunt zijn als er voorafgaand aan de match op de kleedkamer van Panama wordt geklopt, omdat Leander Dendoncker zijn somberste sonnetten komt slijten, en Marouane Fellaini zijn vileine villanellen” sluit Peters de column af. Heerlijk.

Arjan Peters in de podcast ‘Bij Groenteman in de kast’

Arjan Peters was tijdens de wereldbeker ook te gast in de podcast ‘Bij Groenteman in de kast’, een podcast waarin schrijver, presentator en journalist Gijs Groenteman elke week in gesprek gaat met iemand die hem heeft verwonderd. De aflevering met Arjan Peters is een fijne blik op de wereldbeker en levert een boeiende babbel op over de ingrediënten van een goed voetbalboek.

‘Lat is hoog over’ van Arjan Peters telt tachtig bladzijden. Op de achterflap laat Peters weten dat hij het als zijn doel beschouwt de lezer aan te zetten klassieke voetbalverhalen te herlezen. Arjan Peters is in zijn opzet geslaagd. De goesting om die eigen voetbalbibliotheek uit te breiden is na het lezen van ‘Lat is hoog over’ alleen maar groter geworden.

Uitgeverij Prometheus, Amsterdam, 2018, eerste druk, 80 bladzijden

De zomer van 1994

Tijdens de zomer van 1994 marcheerden over het uitgestrekte veld achter ons huis twee maaidorsers. Ze waren geel van kleur en hadden grote grijparmen en een bolle kont. Hun geroezemoes gaf het open landschap een vorm van sereniteit. Volgeladen leverden ze hun buit af bij een oude tractor met een groene kar. Het daaropvolgende jaar was de ene verdwenen. Later verdween ook de tweede. Ze werden vervangen door blinkende hoekige bulldozers die een hels kabaal maakten. Zielloos bolden ze heen en weer en zetten niet langer aan tot fantaseren. Ze deden waarvoor ze waren gemaakt: tarwe oogsten. Niets meer.

Diezelfde zomer namen de Rode Duivels deel aan de wereldbeker voetbal in de Verenigde Staten. Ik herinner me levendig de openingswedstrijd tussen Duitsland en Bolivië. Marco Etcheverry, de ster van het Boliviaanse team, startte op de bank. De middenvelder viel tien minuten voor affluiten in en kreeg drie minuten later de rode kaart, wat het einde van zijn toernooi betekende. Jürgen Klinsmann scoorde het enige doelpunt. Wanneer ik mijn ogen sluit, dan kan ik de World Cup afspelen als een reeks dia’s.

Ik zie het frivole Nigeria met Rashidi Yekini en Daniel Amokachi, de stoere Bulgaren met Hristo Stoichkov en Trifon Ivanov, die op zijn paniniplaatje alle mogelijke richtingen uitkijkt. Ik zie het laatste kunstje van Diego Maradona tegen Griekenland, de Italiaanse finaletranen van Roberto Baggio en het wieggebaar in drievoud uitgevoerd door Romário, Mazinho en Bebeto.

Vier jaar eerder, tijdens de Mondiali in Italië, was alles nog wazig. Het doelpunt van David Platt is verdwenen tussen de plooien van mijn herinneringen.

De wereldbeker van 1994 is de eerste waarvan ik de wedstrijden van Rode Duivels ten volle beleefde. Vier jaar eerder, tijdens de Mondiali in Italië, was alles nog wazig. Ik heb enkel een vage gedachte aan het vrijetrapdoelpunt van Patrick Vervoort in de wedstrijd tegen Spanje. Ik weet dat ik de achtste finale tussen België en Engeland heb gezien, maar het doelpunt van David Platt is verdwenen tussen de plooien van mijn herinneringen.

In de aanloop naar het toernooi verzamelde ik alles wat ik over de Rode Duivels te pakken kon krijgen: mutsen, sjaals, poppetjes, bierglazen en colablikjes.

Neen, de World Cup in de Verenigde Staten is mijn eerste echte wereldbeker, en daar genoot ik ten volle van. In de aanloop naar het toernooi verzamelde ik alles wat ik over de Rode Duivels te pakken kon krijgen: mutsen, sjaals, poppetjes, bierglazen en colablikjes. En ik kreeg van mijn ouders mijn allereerste voetbalshirt. Knalrood van Diadora met op de mouwen het zwart, geel en rood van de Belgische vlag.

Tijdens de eerste groepswedstrijd tegen Marokko traden de Rode Duivels aan in hun witte uitrusting. Ik supporterde thuis mee met mijn moeder en vader. We juichten wanneer Marc Degryse al in de elfde minuut het enige doelpunt van de wedstrijd scoorde. De daaropvolgende groepswedstrijd tegen Nederland viel samen met het laatste verjaardagsfeestje van het schooljaar. We ambeteerden de buurman en aten frieten aan een kraampje dat niets anders was dan een open keukenvenster. In de woonkamer zagen we allemaal samen op het televisiescherm Philippe Albert de bal aan de tweede paal binnenschuiven. De euforie doofde pas enkele dagen later wanneer onze jongens bij het doelpunt van de Saoedi Saeed Al-Owairan smolten als tinnen soldaatjes.

Thomas Helmer tackelde Josip Weber duizenden kilometers van ons af, maar het voelde alsof het in onze achtertuin gebeurde.

Ook de achtste finale tegen Duitsland keek ik samen met een klasgenoot. We vervloekten  Kurt Röthlisberger toen hij geen strafschop floot wanneer Thomas Helmer Josip Weber onderuit schoffelde. Het speelde zich duizenden kilometers van ons af, maar het voelde alsof het in onze achtertuin gebeurde. Er was geen weg terug. Voor de Rode Duivels was de wereldbeker voorbij.

Ik daarentegen hield mijn routine aan. Elke ochtend fietste ik in alle vroegte naar de enige krantenwinkel in het dorp. Ik kocht er Het Laatste Nieuws en ging thuis, of bij mijn grootmoeder, aan de tuintafel zitten waar ik alle artikels en het wedstrijdschema van de dag doornam. Er waren geen sociale media en geen internet. Het waren, erop terugkijkend, momenten van intens geluk.

Tijdens de zomer van 1994 stond onze totale zorgeloosheid op losse schroeven en we wisten het zelf niet.

Zo beleefden wij, de jongens van het dorp met geboortejaar 1982, de wereldbeker in de Verenigde Staten. Wij die weldra zouden uitzwermen. Geen juffen en meesters meer, gauw spraken we onze leraressen en leraren aan met ‘mevrouw’ en ‘mijnheer’ en wisten we niet meer waar ze woonden en met welke auto ze reden. Kon ik de tijd bevriezen, dan zou het altijd de zomer van 1994 zijn. Onze totale zorgeloosheid stond op losse schroeven en we wisten het zelf niet.