Gelezen | ‘Marc Demeyer, een flandrien uit Outrijve’ – Eric en Johan Demets

Ik reed enkele maanden geleden naar het kleine kerkhof van Outrijve. Rond de kerk, tussen wankele en soms verzonken grafstenen, zocht ik de graven van twee oud-winnaars van Parijs-Roubaix. De eerste, Paul Deman, won de klassieker in 1920. Hij is echter vooral bekend als de allereerste winnaar van de Ronde van Vlaanderen, zeven jaar eerder.

Toegegeven, Paul Deman was niet de oorzaak van mijn bezoek. Ik zocht vooral de laatste rustplaats van Marc Demeyer, winnaar in 1976. Die zege was destijds een grote verrassing. Demeyer was een meesterknecht met een uitgebreide erelijst, en naast Michel Pollentier en Freddy Maertens een van de drie musketiers van de beroemde Flandria-ploeg van Lomme Driessens. Op de piste van Roubaix spurtte “Markie” sneller dan Francesco Moser, Roger De Vlaeminck en Hennie Kuiper. Die zondag stond het hele dorp op zijn kop.

A Sunday in Hell

Het toeval wil dat de triomf is vastgelegd voor de eeuwigheid. De Deense filmmaker Jørgen Leth draait dat jaar immers de documentaire A Sunday in Hell. Hij volgt daarin het spoor van de protagonisten, van hun ochtendlijke voorbereiding tot de betonnen douches. De documentaire geeft zo een uniek beeld van de koers. Tijdens de climax beklimt Marc het podium. Hij steekt de armen omhoog en neemt een teug van een flesje Perrier. Dat hoort zo. Sponsorverplichtingen.

Régional de l’étape

Marc Demeyer is geen anoniem gezicht in het peloton-van-voor-mijn-tijd. Meer zelfs, hij is de hoofdrolspeler in de wielerverhalen die ik als kind te horen kreeg. Zijn grootvader en mijn overgrootmoeder waren broer en zus. Elk verhaal schetst hetzelfde beeld: een man met oerkracht in de benen die in de jeugdreeksen zijn fietskaders breekt.

Wanneer Marc koerste, ging de familie vaak kijken. Ook als in 1977 de twaalfde rit van de Ronde van Frankrijk, tussen Roubaix en Charleroi, door zijn Outrijve passeert. Als régional de l’étape rijdt “Markie” voor het peloton uit. In 1978 en 1979 wint hij een Tourrit. Daarna slabakt zijn carrière. Marc Demeyer overlijdt op 20 januari 1982. Hartstilstand. 31 jaar oud. Op zijn grafzerk staat nog altijd een steen van wielerclub ‘Demeyers Hand in Hand’, zijn supportersclub.

Een flandrien uit Outrijve

Vorig jaar, veertig jaar na zijn overwinning in Parijs-Roubaix, hebben enkele leden van de wielerclub een compact boek uitgegeven. ‘Een flandrien uit Outrijve’ vertelt, naast het verhaal van Marc, ook dat van zijn Outrijve. Het is geïllustreerd met foto’s van onder andere het Wielermuseum Roeselare en uit het familiearchief. De Facebookpagina van het boek, waar wekelijks foto’s en krantenartikelen worden gepost, is een onuitputtelijke archiefplaats over de carrière van Marc Demeyer. De mooiste tekst is te vinden op pagina 93 van het boek, een gedicht van de Nederlander Albert Megens.

Marc Demeyer

Maertens, Demeyer en Pollentier.

Jij bent de grootste, de sterkste musketier. Meesterknecht met een palmares van een officier.

Ruim zestig zeges in totaal: klassiekers, etappes in de Tour.

Geen kannibaal maar een West-Vlaamse Reus, uit Outrijve meer speciaal.

Stevig, gedreven, onverzettelijk en stoer.

Hoe het een reus vergaat? Daar liegt geen boosaardig sprookje om.

Niet op het slagveld val jij neer, niet op een bed. Uiteraard ook niet van ouderdom.

Wel tot en met berooid, bestolen en gekooid.

Wielerclub ‘Demeyers Hand in Hand’, Eric en Johan Demets, eerste druk, 2016, 108 pagina’s

De laatste cadans van rugnummer 11

Niet ver vanwaar ik woon stond, op enkele meter van een kronkelende asfaltweg, en inmiddels tot kniehoogte in het gras, een verkrot huis. Het had een licht doorbuigend dak en door de vele ontbrekende dakpannen zag het eruit als een vervallen gebit. De deur was een tint groen. Dat zag je nog net. Mijn grootmoeder en moeder vertelden dat er ooit een gezin met vier kinderen had gewoond. Het huis was zo klein dat ik het nauwelijks kon geloven.

Telkens ik er passeerde, fantaseerde ik hoe het er vroeger, decennia terug, moet zijn geweest. Ik zag op elke zondag een groot familiefeest. Ik rook heerlijk versgebakken taart, geurende koffie die meewaaide met de boerenbuitenwind, en hoorde de ademstoten van bulderend lachen. Tijdens de zomermaanden zaten de mannen van de buurt in hun blauwe werkpakken en petten aan de kant van de weg, graanstengels tussen de lippen, terwijl de vrouwen glommen op wat ze bij ons, in het zuiden van West-Vlaanderen, de zulle noemen. Vandaag is alles verdwenen.

“Wielerlijven van 36 jaar oud zijn renovaties van renovaties.”

Ik moest aan het huis denken toen ik deze namiddag naar Parijs-Roubaix keek. Wielerlijven van 36 jaar oud zijn renovaties van renovaties van wat een ooit een woning was waar elke zondag dit buurttafereel zich heeft afgespeeld. Littekens bij de vleet. Het wielerlijf van Tom Boonen is zulk een vehikel. Een mijnkarretje dat voor de allerlaatste keer heen en weer boemelde. Schokkend. Rammelend. Dokkerend. En dan: de laatste cadans, in de buik van een groepje achtervolgers. Dertiende.

Wielercommentator Michel Wuyts noemde Tom Boonen ‘de laatste Roubaix-krokodil’. Dat laat het einde van een tijdperk vermoeden. Toen ik drie mannen voor de zege zag sprinten, keek ik met volle aandacht. Michel had gelijk. Hun lijven hadden iets meer frêle dan dat van de ware kasseistamper.

Uren later doofde in Frans-Vlaanderen langzaamaan alle geluid. Het gejoel ebde zacht weg. Campers verlieten tuffend de streek. Het bermgras krabbelde na een vermoeiende dag overeind. De komende 360 dagen zouden de kasseien opnieuw toebehoren aan hotsende tractoren.

Er was enkel nog de gedachte: het huis is af, ook zonder vijfde kassei.