De boekenplank van de maand maart

Ik vertel op deze website dat ik kamers vol oude sportboeken wil verzamelen. Elke maand bezoek ik kringloopwinkels en 2dehandsboekhandels. Ook snuister ik in de plooien van het internet. Ik zoek oude sportboeken, maar ben niet blind voor elpees, singles en andere sportmemorabilia. Na ‘TENNIS’ van René Lacoste (1928) ditmaal de memoires van Karel De Jager, de man die jarenlang in de hoek van bokser Jean-Pierre Coopman kampeerde, publicatiejaar 1979.

‘Verzorgers uit!’ | Karel De Jager & Jan Van den Berghe

De coverfoto van ‘Verzorgers uit!’ toont een in de lens kijkende Jean-Pierre Coopman. Over zijn schouder kijkt Karel De Jager vaderlijk toe. Op de achterflap lezen we dat De Jager was voorbestemd om deurwaarder te worden maar na een meningsverschil met zijn baas haarkapper werd. ‘Toen de internationale loopbaan van Jean-Pierre Coopman hem fulltime opeiste, kwam de techniek van het inzepen en de baard afdoen hem goed van pas. Het aandeel van de slimme Izegemse kapper in Coopmans fabelachtige carrière kan nauwelijks overschat worden.’

‘Verzorgers uit!’, een kreet die verwijst naar het signaal dat wordt gegeven wanneer een nieuwe ronde staat te beginnen, is geschreven in een aansprekende met-de-voeten-op-de-grond stijl. Journalist Jan Van den Berghe, die onder meer in 2013 ‘De artistieke uppercut: hoe kunst en boksen elkaar vonden’ publiceerde, bewerkte het manuscript van De Jager. Hij gaf het ook een swingende inleiding.

Een café in Izegem

Verzorgers uit! opent op een exhibitiekamp in de zomer van 1970 in het West-Vlaamse Rumbeke. Daar ontmoeten Karel De Jager en Jean-Pierre Coopman elkaar voor het eerst. ‘Coopman had iets innemend, iets ontwapenend sympathiek over zich. Waren het zijn vriendelijke ogen? Was het zijn open, spontane lach of dat gezonde, robuuste in zijn houding? Ik was in ieder geval onmiddellijk 100 procent voor hem gewonnen. Ik bleef wel zitten met mijn twijfels over zijn bokskunde.’

Na de oefenkamp verdwijnen de twijfels. Twee weken later, tussen pot en pint in een café in Izegem, zet voormalig arduinkapper Jean-Pierre Coopman de definitieve stap naar een professionele bokscarrière, symbolisch met het uitdoven van een sigaret. ‘Dat was de laatste. Vraag maar een vergunning aan.’

De stapstenen richting de kamp met Ali

Van dan af aan modereert De Jager Coopmans carrière. Via de eerste profkampen in het najaar van 1972 laveert de boksmanager zijn pupil behoedzaam langs valkuilen en kiest tegenstanders zorgvuldig uit. Kamp na kamp klimt Coopman hoger op de ladder. Ook moeder Coopman, aanvankelijk sceptisch, is inmiddels overtuigd. ‘Na elke kamp kwam zij hem in de kleedkamer feliciteren, angstvallig speurend of er geen blauwe ogen of blessures te zien waren.’

Coopman is in het najaar van 1974 een begrip geworden. ‘Jean-Pierre begon steeds meer voor zijn sport te leven. Hij bestudeerde het leven van alle zwaargewichten, probeerde allerlei trainingsschema’s en sloeg geen enkele raad in de wind. Thuis richtte hij zelf een oefenzaaltje in om alle dagen te kunnen trainen.’ Een jaar later telt Coopman 24 overwinningen uit 27 profkampen. Hij is de uitdager voor de Europese titel.

‘Ali heeft ook maar twee vuisten’

Op 18 december 1975 volgt nieuws uit New York. Niet Dunn (de mede-uitdager voor de Europese titel) maar Coopman zal boksen tegen Ali. Coopman krijgt de voorkeur omdat hij al tegen Amerikaanse boksers heeft gevochten. De Jager weet met zichzelf geen blijf. ‘Na het telefoongesprek wist ik niet meer of ik droomde of aan aderverkalking leed. Ik kneep me in de wangen en keek in de spiegel van mijn kapperszaak om te zien of alles wel in orde was.’ Twee weken later is de deal rond. ‘Dit is het mooiste nieuwjaarsgeschenk van mijn leven, zei Jean-Pierre. Hij sprak voor ons beiden.’

Jean-Pierre gedroeg zich als iemand die nooit anders in zijn leven had gedaan. Hij stapte flegmatiek op Ali af en zei gewoontjes: “Hello, Ali. I’m Coopman.”

In januari 1976 reist het gezelschap naar de Verenigde Staten. ‘In de beurs van New York op Wall Street, waar we te gast waren, werd de komst van Coopman in grote letters op een elektrische telex gezet. Overal werden wij als koningen onthaald.’ Op 4 januari volgt de eerste ontmoeting met Ali. ‘Toen wij om 17 uur in Mama Leone’s Restaurant binnenkwamen, was Ali al aanwezig. Jean-Pierre gedroeg zich als iemand die nooit anders in zijn leven had gedaan. Hij stapte flegmatiek op Ali af en zei gewoontjes: “Hello, Ali. I’m Coopman.”’

De aanloop naar 20 februari 1976

De kamp vindt plaats in San Juan in Puerto Rico, waar de Belgische delegatie begin februari 1976 feestelijk wordt onthaald. Zo zingen enkele door Don King ingehuurde muzikanten Arriba El Leon, Viva Coopman’, een coverversie van het Vlaamse ‘Viva bomma’. De Jager is onder de indruk van Ali’s trainingen.

Ook daarnaast scoort Ali punten. ‘Op een avond leerden wij ook een andere Ali kennen. Niet de snoever, maar de mens. Jean-Pierre, Elaine en ik liepen van het restaurant terug naar onze hotelkamer. In de gang botsten we op Ali en zijn verloofde Veronique Porche. Er was niemand anders in de buurt. Ali nam Jean-Pierre vriendelijk bij de schouder en vroeg hoe het met zijn conditie was gesteld. Hij lachte en gaf Eliane een knipoog. “Is dat je vrouw?” informeerde hij. We stonden erbij of we van de hand Gods geslagen waren.’

‘Oog in oog met de allergrootste’

Gaandeweg, zo lezen we, is Coopman meer in zijn kansen gaan geloven. ‘Jean-Pierre had uitstekend geslapen. Hij had gedroomd en was wakker geworden als wereldkampioen.’ Van de hotelkamer gaat het naar het Estadio Roberto Clemente. ‘Jean-Pierre zat erbij alsof hij in Izegem tegen een sparringpartner enkele rondjes zou oefenen,’ herinnert De Jager zich.

Klokslag 21 uur stapt Coopman in de ring. Ali volgt even later. De Jager ziet de bui gauw hangen. ‘Toen Jean-Pierre na de eerste ronde in de hoek terugkeerde, zag ik al dat hij erg geleden had. “Neen, neen, ik voel niks,” stelde hij mij gerust. Ik was overtuigd van het tegendeel.’ De kamp zal bijna zes ronden duren, alvorens Coopman wordt uitgeteld. ‘Toen Jean-Pierre terug op zijn stoeltje zat, kwam er niets anders uit dan een krachtige Vlaamse “Godverdomme”. Voor mij was het wel het beste wat kon gebeuren. Na de eerste ronde had ik met onrust het verdere verloop afgewacht. Ik geloof niet dat Coopman er iets mee gewonnen had indien het gevecht twee of drie ronden langer had geduurd.’

Op zijn hotelkamer staat Coopman BRT-journalist Marc Stassijns te woord. Tijdens het interview barst Coopman in tranen uit. ‘Het is pas toen dat ik inzag dat Jean-Pierre honderd procent in zijn kansen had geloofd, en dat de desillusie des te groter was.’ Wat later ontmoeten Ali en Coopman elkaar in Ali’s hotelkamer. Dat levert een fijne anekdote op. ‘Bij het afscheid liet Jean-Pierre Ali in diepe gedachten achter. De wereldkampioen zal wellicht nog altijd niet achterhaald hebben wat mijn “Leeuw van Vlaanderen” bedoelde toen hij hem in steenkappers-Engels zei: “Allez gauw, you are a flink boy!”’

De tweede carrière van Jean-Pierre Coopman

Na de kamp start Coopman als het ware een tweede carrière. Jean-Pierre Coopman zal op 12 maart 1977 in het Antwerpse Sportpaleis tegen de Spanjaard José Manuel Urtainde na een knock-out in de vierde ronde de Europese titel veroveren. Daarover schrijft De Jager. ‘Jean-Pierre viel op zijn knieën en bedekte zijn gelaat met de handschoenen. Hij kust het vilt en stak beide armen triomfantelijk in de lucht. We hadden ons doel bereikt. Het was ontegensprekelijk de mooiste dag uit onze loopbaan.’

‘De laatste loodjes’

Karel De Jager sluit op 1 januari 1979 zijn boek af met een ode aan zijn pupil. Hij looft zowel de mens als de bokser Coopman. ‘Coopman is erin geslaagd de hele wereld naar hem te doen kijken. Hij is een sympathieke ambassadeur voor België geweest. Ik heb dit boek geschreven voor mijn vriend-bokser Jean-Pierre Coopman. Ik wil dat het een soort getuigenis voor zijn karaktersterkte is voor de aankomende generatie.’

Hij eindigt met een prachtige oneliner.

Jean-Pierre kon voor zijn levensdoel lijden als de eerste christenen onder de Romeinse keizers.

Uitgeverij J. Hoste, Brussel, 1979, eerste druk, 88 pagina’s

Alle foto’s zijn afkomstig uit ‘Verzorgers uit!’