Gelukkige verjaardag, Raoul Lambert! – #Lotte75

Beste Raoul

Verjaardagen, zeker als ze op een zondag vallen zoals vandaag, worden vaak aan de familietafel doorgebracht. Heel boeiend is dat meestal niet. Jouw familietafel is echter geen gewone. Jouw familie is tienduizenden leden groot en de feesttafel staat zowat overal in Vlaanderen, van Knokke-Heist tot Tongeren en van Brecht tot Ieper. Zelfs bij het Wallonia Bruges Army in Namen snijden ze vandaag allicht een stuk taart aan.

De hoogconjunctuur die de Club momenteel kent, moet je veel plezier doen. Op een dag als vandaag moet ik dan ook vooral denken aan hoe jij binnen het huidige Club zou hebben gefunctioneerd. Hoe je vast had genoten van het samenspel met onze snelle zwarte parels voorin. Hoeveel assists een infiltrerende Ruud Vormer je zou hebben gegeven, en hoe Hans Vanaken je met een splijtende pas de diepte in zou hebben gestuurd, al was jouw aangever Pierre Carteus ook niet mis, heb ik horen zeggen.

Ik herinner het me nog als gisteren toen ik je tijdens de zomer van 2016 voor het eerst uitgebreid kon spreken. Op een maandagnamiddag kwam je de parking van het Jan Breydelstadion opgereden. Je stapte uit je auto, doofde je sigaretje en liftte de zonnebril van je gezicht. Bijna twee uur lang kon ik me die namiddag laven aan jouw verhalen en anekdoten. Na afloop schudden we elkaar op de parking de hand. Je stapte in je auto, zwaaide nog even en weg was je, de Clubspeler van de eeuw, terug naar huis. Het gras moest immers nog worden gemaaid.

Zoals doelmannen een beetje gek heten te zijn, zo hoort bij spitsen, gasten die leven voor de doelpunten, het cliché dat ze egotrippers zijn. Elk interview, elk boek, dat ik van jouw ploeggenoten las, vertelt het omgekeerde. Dat werd me die namiddag bevestigd. Jij bent het standaardvoorbeeld van de Clubspeler. Wanneer iemand ons, supporters, vraagt wat Club Brugge betekent, dan moeten we hen jouw foto tonen. Tegenwoordig kan dat op het scherm van een smartphone, jazeker, maar eigenlijk hoort het op papier. Elke Clubfan zou jouw afbeelding op zak moeten hebben, bij voorkeur in zwart en wit en met een ezelsoor dat je er nooit uitkrijgt. Authentiek en met de littekens van vele veldslagen.

Als pater familias van de hele Clubfamilie zit je vandaag aan het hoofd van die immense feesttafel. Gefeliciteerd met je 75ste verjaardag.

Geniet van jouw dag en veel plezier.

Met blauwzwarte groet
Sven

De boekenplank van de maand augustus

Ik vertel op deze website dat ik kamers vol oude sportboeken wil verzamelen. Elke maand bezoek ik kringloopwinkels en 2dehandsboekhandels. Ook snuister ik in de plooien van het internet. Ik zoek oude sportboeken, maar ben niet blind voor elpees, singles en andere sportmemorabilia.

‘Robby Rensenbrink’ | Jacques Hereng

In 2017 verscheen onder de titel ‘Het slangenmens’ een biografie van Rob Rensenbrink van de hand van de Nederlandse journalist Bert Nederlof. Veertig jaar eerder, in 1977, werd een eerste biografie van Rensenbrink gepubliceerd. Dat gebeurde naar aanleiding van de Gouden Schoen die Rensenbrink als speler van Anderlecht in 1976 won.

De kleine timmerman van Oostzaan

In het eerste hoofdstuk droomt een jongen uit Oostzaan, nabij Amsterdam, van een voetbalbestaan. Tot die tijd werkt hij een opleiding timmerman af en slacht kippen op een pluimveekwekerij. Talent laat zich echter niet temmen. Via Z.G.S.O en O.S.V. komt Rensenbrink in het eerste elftal van D.W.S., op dat moment de grootste voetbalclub van Amsterdam.

“Het was geen lachertje,” schrijft Rensenbrink. “Ik ben altijd schuchter geweest. Als inwoner van Oostzaan was ik in Amsterdam een boerenjongen.” Rensenbrink wordt international. Nederlandse topclubs kloppen aan voor de linksbuiten. Met zeven miljoen Belgische frank trekt het ambitieuze Club Brugge aan het langste eind. D.W.S. laat zijn goudhaantje liever niet naar de concurrentie vertrekken.

Het enthousiasme van het publiek op ‘De Klokke’

De zomer van 1969 is er een vol veranderingen. Rensenbrink gaat voor Club voetballen en huwt met Corry. Rensenbrink steunt in die beginjaren erg op zijn Nederlandse ploeggenoot Henk Houwaart. Hij speelt zijn eerste officiële wedstrijd voor Club op het veld van Anderlecht, waar meteen wordt gewonnen. Club zal het seizoen ’69-’70 op de tweede plaats stranden, maar wint wel de beker.

Europees laat Rensenbrink van zich spreken in de thuiswedstrijd tegen het Hongaarse Újpesti Dózsa. Club wint 5-2, Rensenbrink scoort een hattrick. Van de Hongaarse coach Lajos Baróti krijgt hij zijn bijnaam het ‘slangenmens’. In Hongarije loopt Club na een 3-0-nederlaag alsnog de kwalificatie mis. Het verleidt Rensenbrink tot volgende uitspraak:

Ik speelde als het ware in twee verschillende elftallen: het Club Brugge uit, het Club Brugge thuis. Het verschil was de buitengewone sfeer op ’De Klokke’. Aanvankelijk onderging ik die niet als een prikkel. Ik kwam uit de woestijn. Te Amsterdam kon men de toeschouwers tellen. Op ‘De Klokke’ wordt Blauw-Zwart gedragen op de geestdrift van het publiek. Het elftal betaalt met overwinningen.

Rensenbrink heeft ook mooie woorden voor ploeggenoot Raoul Lambert. “Raoul is een reus met lemen spieren. Voor Raoul heb ik altijd veel sympathie gehad. Men kent onvoldoende deze jongen, wiens kalmte en ingekeerdheid verkeerde vermoedens voeden. Ergens is Raoul een beetje de Robby die met u praat. Ik uit me moeilijk. Ik loop niet achter de publiciteit aan en hou niet van persconferenties. Raoul is niet anders.”

Van Club Brugge naar Anderlecht

Op het einde van het seizoen ’70-’71 komt het tot transfer naar Anderlecht: Rensenbrink in ruil voor Anderlecht-spelers Wilfried Puis en Johnny Velkeneers, plus vier miljoen Belgische frank. “Dat ik niet van Brugge hield, is een goedkoop verhaal. Nooit zal ik het enthousiasme van het publiek op ‘De Klokke’ vergeten. Niet alles is naar Olympia verhuisd. Bij mijn aankomst in Brugge werd ik verwelkomd door twee leiders: Hutsebaut en Dujardin. Eenmaal per week waren Henk Houwaart en ik voor een etentje hun gasten. In aanwezigheid van de dames. Paling in ’t groen te Knokke: het komt mij voor dat ik het gisteren at.”

Zowel financieel als sportief is Anderlecht een stap voorwaarts. “Iedereen kende Anderlecht via de Europabeker. Paul Van Himst was al erg populair over de Moerdijk. Naast hem spelen kon niet schaden.” Met onder meer Jean Dockx en latere Bruggelingen Hugo Broos en Jos Volders start een nieuw Anderlecht onder leiding van Georg Kessler het seizoen ’71-’72. In een zinderend slot wordt Anderlecht ten koste van Club alsnog landskampioen.

Toch kon ik niet nalaten te denken aan Club Brugge, aan de Brugse spelers met wie ik geruime tijd lief en leed had gedeeld. Ik herinnerde mij ook een van de eerste met Paul Van Himst gevoerde gesprekken. ‘Met Brugge heb je niet veel geluk gehad, met Anderlecht word je kampioen,’ had hij voorspeld.

Club zou een jaar later wel voor de tweede keer landskampioen worden, dat na een zege op Anderlecht.

De Beker der Bekerwinnaars in Brussel

Midden jaren 70 kijkt Anderlecht richting Europese top. Tijdens het seizoen ’75-’76 bereikt de club de finale van de Beker der Bekerwinnaars. Daarin speelt het in het Heizelstadion tegen West Ham. In een met 4-2 gewonnen wedstrijd scoort Rensenbrink twee doelpunten. “Nooit vergeet ik de laatste minuten. Ik genoot intens van mijn eerste internationale overwinning. In de kleedkamer omhelsde iedereen iedereen. Voorzitter Constant Vanden Stock was zichtbaar bewogen. Elftalafgevaardigde Georges Denil verborg zijn emoties achter een verdachte ijver om de champagneflessen te ontkurken.”

In de coulissen van de wereldbeker

De laatste hoofdstukken van het boek zijn gewijd aan Rensenbrinks passage bij het nationale elftal. Nederland plaatst zich ten koste van België voor de wereldbeker 1974 in West-Duitsland. Rensenbrink ligt op de linksbuitenpositie in balans met Piet Keizer van Ajax. Nederland plaatst zich voor de finale in het olympisch stadion in München. Rensenbrink raakt na een blessure speelklaar, maar vraagt tijdens de rust, bij een 1-2-achterstand, om een vervanging. “Was mijn blessure geheeld, ik voelde me niet bestand tegen de inspanning.” Nederland zal de achterstand niet meer ombuigen.

“Nadien heeft men gezocht naar oorzaken van onze nederlaag. Men beweerde dat Cruyff zijn finale had gemist. Men heeft ook beweerd dat wij niet steeds hebben geleefd naar de regels van de sportmoraal. Met dergelijke nonsens dacht een Duitse sensatiekrant het geheim te hebben ontsluierd. De reden van onze nederlaag is veel eenvoudiger. Wij hebben drie weken geleefd onder de bescherming van de goden van de sport, die ons op het beslissende moment de rug hebben toegekeerd.”

De mens Rensenbrink, minder de voetballer

‘Robby Rensenbrink’ telt tien hoofdstukken, leest vlot weg en wordt verteld in de ik-vorm. Het boek telt talloze anekdotes en is opgesmukt met sprekend zwart-witfotomateriaal. Opvallend is de veelheid aan introspectie. Dit is het verhaal van de mens Rensenbrink, niet zozeer de voetballer.

Of zoals op de achterflap staat te lezen:

Uitgeverij Het Volk, Gent, 1977, eerste druk, 124 pagina’s


Ik schreef eerder over deze sportboeken (klik op de titels voor meer info):

Het gebed van de ballenjongen

Met trage tred stroomde ik na afloop van Club Brugge tegen LASK in de supportersmassa de donkere straten van Sint-Andries in. Achter onze ruggen scheen het stadionlicht nog fel, maar doofde het geluid langzaamaan uit. De wedstrijd was op dat moment nog een lappendeken van aan elkaar gestikte fragmenten. Het was te vroeg om alles wat zich gedurende de twee uren voordien had afgespeeld te ordenen.

Pas toen ik in de stilte van de nacht de wedstrijd in versneld tempo opnieuw bekeek, viel door één beeld alles op zijn plaats. In de 83ste minuut, vlak voor het trappen van een hoekschop voor Club bij een 1-1-stand, nam de regie een jongen in beeld. Een ballenjongen. Hij droeg een pet. Met een hesje van de Champions League rondom het bovenlichaam hield hij de ogen dicht en de vingers gekruist. Een stil gebed vóór Club en tégen die ene verkeerd vallende bal aan de overkant. Het beeld dateert van tien minuten voordien, toen Club een strafschop tegenkreeg. Milo, zoals de jongen heet, hoopte heel erg dat de strafschop zou worden gemist.

Ik moest denken aan wat Pascal Plovie me enkele jaren geleden heeft verteld. Als ballenjongen stond hij in 1976 op Olympia langs de lijn tijdens de terugwedstrijd van de UEFA-bekerfinale tegen Liverpool. Onder meer Kevin Keegan, Ray Kennedy en Phil Neal draafden over het veld. Ray Clemence was de Liverpool-doelman. Omdat die avond een schot van Raoul Lambert tegen de paal ketste en drie weken eerder de Duitse scheidsrechter Ferdinand Biwersi een strafschopfout zag in een correcte tussenkomst van kapitein Fons Bastijns, won Club toen de UEFA-beker niet. De foto met bedroefde elkaar troostende spelers in donkere badjassen is er één voor de eeuwigheid. Naast het veld was het niet anders.

Weldra landen Paris Saint-Germain, Real Madrid en Galatasaray in Brugge. Dan bedienen de ballenjongens en -meisjes Kylian Mbappé, Thomas Meunier, Eden Hazard, Thibaut Courtois en Ryan Donk.

Wedden dat Pascal dan telkens negentig minuten lang meebidt?

Copyright foto: Fernand Proot

Boek ‘de Club’ in teaser Club Brugge – LASK

Club Brugge speelde op woensdag 28 augustus de terugwedstrijd in de play-offs van de Champions League. Daarin gaf het het Oostenrijkse LASK uit Linz partij. In aanloop naar de wedstrijd werd het boek ‘de Club’, geschreven naar aanleiding van 125 jaar Club Brugge, gebruikt in een van de aankondigingsfilmpjes. Dat leverde dit knap resultaat op.

 

Dit bericht bekijken op Instagram

 

📢 This is your captain speaking: Vanavond doen we het samen! Laat ons geschiedenis schrijven! 🔵⚫ #CLULASK #UCL

Een bericht gedeeld door Club Brugge (@clubbrugge) op

Boek ‘de Club’ in Sport/Voetbalmagazine

Elke week laat Sport/Voetbalmagazine in de rubriek ‘clubliefde is…’ een bekende Vlaming aan het woord over zijn of haar favoriete voetbalclub. Afgelopen week was dat acteur Geert Hunaerts. Tot mijn verbazing kreeg ‘de Club’, mijn boek naar aanleiding van 125 jaar Club Brugge, de nodige aandacht. Een leuke verrassing met een mooie foto en deugddoende woorden. Je kunt het volledige artikel, inclusief de bijhorende foto, hieronder lezen.

Column | Ouverture

Voetbal is in jaargangen met een groot toernooi een draaimolen waar je niet kunt en ook niet wilt afstappen. Dus keek ik gisterenavond alweer naar de Supercup tussen Club Brugge en Standard. Het werd aanvankelijk een gezapige en gesloten oefengalop die alle tekenen vertoonde van een klasreünie.

Een herkenbaar Standard speelde tegen een Club met nieuwkomers Mats Rits, Karlo Letica en Arnaut Danjuma in het basisteam. Vooral de laatste twee vielen op. En Hans Vanaken. Opnieuw Hans. Het is duimen dat scouts Brugge hebben bezocht met voordien leeg geschreven pennen. Halfweg hoorde ik de echo’s van een kampioensploeg op driekwartsnelheid.

Hét hoogtepunt van de avond vond al voor aanvang van de wedstrijd plaats: de terugkeer van Michel Preud’homme. In de catacomben wuifde MPH naar oude bekenden als een zonnekoning. Het was een schouwspel van intense omhelzingen en stevige handdrukken. Plagerijen en glimlachen alom.

De trainer Michel Preud’homme heet een prijzenpakker te zijn. Om beter te doen dan zijn voorganger Ricardo Sá Pinto moet hij, tien jaar na de laatste, de landstitel opnieuw naar Luik brengen. Die uitdaging is groot, maar niet onmogelijk. Eén strijd zal MPH alvast niet winnen: de prijs voor de coach met de fraaiste haardos heeft Sá Pinto meegenomen naar het zuiden.

Column | Het mooiste supportersgevoel

Na afloop van de verloren heenwedstrijd in de halve finales van de Beker van België deden manager, coach en kapitein van Club Brugge hun verhaal voor de televisiecamera’s. Ze vertelden allen hetzelfde: het is nog mogelijk. Dat zeiden ze niet omdat het moest, als was het een verplicht mediapraatje. Ze zeiden het omdat ze het écht meenden. Hun woorden bleven niet zonder gevolg; ze inspireerden. Ik loop immers al een week met een bijzonder gevoel rond.

“Heldenverhalen uit het verleden zijn de kapstokken voor de hoop van vandaag.”

Het gevoel zwelt dag na dag aan en uit zich in het fantaseren over allerlei scenario’s. Ik herken het bij medesupporters die ik lees op fora en social media en die ik beluister in gesprekken. Vreugde en ontgoocheling komen achteraf, wanneer elke bal is getrapt, alle gezangen zijn uitgestorven en de spanning is verdampt. Minstens even intens is de verwachting. Het is dan dat de ziel van de supporter kan koorddansen, krampachtig balanceren tussen realisme en naïviteit. Geloven in het haast onmogelijke. Ik vind het stiekem het mooiste supportersgevoel dat er bestaat.

Comebacks behoren tot het DNA van Club Brugge

Het is op zulke dagen dat je het Clubgevoel als een knus deken om je heen kunt wentelen. Hoe groter de uitdaging, hoe warmer de gloed. Heldenverhalen uit het verleden zijn de kapstokken voor de hoop van vandaag. Wie door de meer dan 125-jarige geschiedenis van Club Brugge bladert, weet dat comebacks tot het DNA van de Club behoren.

Wij weten: uit zware uitnederlagen worden mythische voetbalavonden geboren.

Al maanden domineert Club Brugge de vaderlandse competitie met wervend en dwingend voetbal. Vandaag zijn we even dat kleine Gallische dorpje omsingeld door de Romeinen. En hoe klein de kans ook is, laat onze waarden en onze geschiedenis onze toverdrank zijn.

Dan is alles mogelijk.

Vergeten voetballer van Club Brugge: Wiver Hernandes da Silva

Tijdens het voorjaar van 2016 zocht ik voor ‘de Club’, mijn boek over 125 jaar Club Brugge, goede verhalen over voetballers van Club Brugge. Wiver Hernandes was een van de namen waaraan ik dacht. Ik herinnerde me hem en wist dat hij begin jaren negentig na enkele seizoenen Club naar Brazilië was teruggekeerd.

Vergelijk me niet met Romário. Ik ben Wiver.

Maar hoe zou het nu zijn met onze Braziliaan? Dus opende ik Facebook en zocht een profiel dat matchte met de voetballer Wiver Hernandes da Silva. Ik vond enkele Wivers, maar slechts één met het embleem van zijn thuisclub Clube Atlético Mineiro. Op de foto was de voetballer van twintig, geboren op 12 januari 1974, nu een bebaarde veertiger. Ik stuurde een privébericht, zonder respons. November 2016 ging voorbij, ‘de Club’ werd gepubliceerd zonder Wiver Hernandes.

Van L naar R: Norbert Roels, Michel Van Maele, Wiver, Antoine Vanhove, Jacques De Nolf

De sambadanser uit Belo Horizonte

Wiver Hernandes arriveert tijdens de zomer van 1994 in Brugge. Hij is de eerste Zuid-Amerikaanse speler van Club Brugge. In zijn eerste kranteninterview, op 13 juli 1994, omschrijft ontdekker Israel Maoz hem als ‘een voetballer met een grote technische bagage, oneindig explosief op de eerste meters en fysiek sterk’. Wiver houdt het bescheiden.

“Vergelijk me alstublieft niet met Romário. Ik ben Wiver. Ik hoop dat ik het hier maak en dezelfde naambekendheid geniet als Daniel Amokachi nu. Jan Ceulemans is ook bij ons een monument, maar ik wist echt niet dat hij zolang en zoveel in dezelfde zetel heeft gezeten als ik hier nu in het spelershome. Van der Elst, Staelens, … Ik heb tijdens de World Cup bewonderend naar hen gekeken.”

Oefendebuut met twee doelpunten

Wiver debuteert in een oefenwedstrijd tegen provincialer FC Heist. Club wint 6-1 en Wiver scoort twee keer, de eerste na een afstandsschot, de tweede na een knappe dribbel. Goed genoeg voor de spitspositie bij Club? Trainer Hugo Broos twijfelt. Terecht, zo blijkt. Sportief ligt de lat te hoog. Wiver speelt nauwelijks en scoort in een bekerwedstrijd tegen Club Luik zijn enige officiële doelpunt. Hij logeert bij Magda en Willy, het gastgezin waar ook Daniel Amokachi een thuis vond. Na twee seizoenen keert Wiver terug naar Brazilië.

“I will talk to you tomorrow.”

Meer dan een jaar hoorde ik niks van Wiver. Tot 12 juli 2017, om 4u56, ik een privébericht ontving met daarin de woorden: “I will talk to you tomorrow.” En zo gebeurde het. Minder dan een etmaal later stuurde Wiver me een langer bericht.

“I’m very honoured and happy to be part of the Club Brugge history, even not having corresponded on the field. I would like to have played more and better. I still watch the games on TV. I’m still passionate by the club and the city, even I have lived only two years in Brugge. Thank you for contacting me and forgive me my English, it is not so good.”

I had a big affection with Paul Okon and Eric Addo, and a great gratitude with Franky Van der Elst, Sven Vermant, René Eijkelkamp, Vital Borkelmans and Rudi Cossey. I will never forget these guys.

Dat Engels viel best mee, dus stuurden we elkaar nog enkele berichten.

Eric Addo (links), Wiver (rechts)

“I went to Belgium at a very young age and this really brought me adjustment problems, although I liked the city and the people. Daniel Amokachi was the first person that helped me in the club. He walked with me around in Brugge and other cities. Too bad he went so early to Everton.

But the truth is that everyone at the club tried to help me. I had a big affection with Paul Okon and Eric Addo, and a great gratitude with Franky Van der Elst, Sven Vermant, René Eijkelkamp, Vital Borkelmans and Rudi Cossey. I will never forget these guys. I really want to get back to Brugge one day. For me it would be a dream come true.”

De blijvende band met Brugge

Wiver speelt in Brazilië nog voor América Futebol Clube, Social Futebol Clube en Esporte Clube Democrata. In 1999, Wiver is vijfentwintig, stopt hij na blessureleed met voetballen. Hij hoopt in 2018 opnieuw iets in het voetbal te kunnen doen.

Wiver liet me nog iets opmerkelijk weten. Vandaag staat ‘Brugge’ nog altijd in zijn e-mailadres. Ik heb het gecheckt, en het klopt. Hoewel Wiver Hernandes België inmiddels twee decennia heeft verlaten, is hij Club en Brugge niet vergeten.

Foto’s: privéarchief Wiver Hernandes

Ode aan een gentleman

Ik wandelde op het nieuwe kerkhof van Sint-Andries en zag bij twee graven een vlaggetje van Club Brugge wapperen. Het eerste graf was er een van een supporter. Zwart met gouden letters. Het andere viel meer op. Er stond een grote voetbalbeker in witte natuursteen. Aan de voet lag een beertje van Club Brugge, ernaast een zwarte sjaal. Ik las de geboorte- en overlijdensdatum: 10-11-1941 en 15-12-1984. Zwarte afgebladderde letters tegen een witte achtergrond. Dit was het graf van Kurt Axelsson.

Kurt kwam in de zomer van 1967 naar Club Brugge. Trainer Norberto Höfling ontdekte de Zweed tijdens een wedstrijd met de nationale ploeg. Als 95 procent van de spelers met het hoofd naar de grond voetbalt, behoorde Axelsson tot de vijf procent die altijd het overzicht behoudt. Höfling was overtuigd: deze Scandinaviër moest zijn verdediging leiden. Een seizoen eerder was Kurt lid van het elftal van GAIS, de tweede ploeg uit Göteborg, dat promotie afdwong naar de eerste klasse. Ik vond online een ploegfoto van de promovendusklas. In het groen en zwart gestreept shirt heeft Axelsson bovenop die karakterkop dan al het kenmerkende kapsel dat op elke foto terugkeert. Ook op latere ploegfoto’s onderscheidt hij zich altijd van de anderen. Hij oogt net iets gepolijster.

“Kurt Axelsson was de eerste Clubspeler die intensief opwarmde en aan stretchen deed. Hij injecteerde de Scandinavische mentaliteit en nam de spelersgroep op sleeptouw.”

Het is niet alleen het kapsel van de Zweed dat in het oog springt. Tijdens gesprekken met tal van oud-ploegmaats klinkt het unisono: een gentleman, een klasbak, altijd honderd procent inzet en een ongebreideld professionalisme. Kurt Axelsson was de eerste Clubspeler die intensief opwarmde en aan stretchen deed. Hij injecteerde de Scandinavische mentaliteit en nam de spelersgroep op sleeptouw. Na afloop van zijn allereerste wedstrijd voor Club Brugge, een oefenmatch op het veld van Blankenberge, poetste Kurt zijn voetbalschoenen. Alle teamgenoten keken verbaasd op. De daaropvolgende wedstrijden deden zij hetzelfde. Als libero heerste hij over zijn verdediging: altijd positief coachend en anderen beter makend. Stijlrijk, op en naast het veld.

Een zware beenblessure zette in 1971 een rem op zijn carrière. Na zes seizoenen en 153 wedstrijden in het eerste elftal verliet hij Club Brugge en ging voor AS Oostende voetballen. Daar werd hij herenigd met Norberto Höfling. Ze dwongen samen de promotie af tot hartproblemen het abrupte einde van Kurts carrière betekenden. Zijn wereld stortte helemaal in. Ik hoorde dat het daarna niet meer zo goed met hem ging.

Kurt Axelsson werd postuum een van mijn favoriete Clubspelers aller tijden. Ik aaide het Brugse knuffelbeertje over de bol en beloofde mezelf af en toe te komen kijken of het vlaggetje nog altijd fladdert.

Dit verhaal is een van de 125 verhalen in ‘de Club’, het boek naar aanleiding van 125 jaar Club Brugge, uitgegeven bij Lannoo. Meer weten over het boek en hoe je het kunt kopen? Je vindt hier alle informatie.

Even leek alles mogelijk

In de zomer van 2015 daalde ik af naar de krochten van het Jan Breydelstadion. Het was de eerste keer dat ik in de betonnen bunker op een plaats kwam waar je als supporter geen toegang tot hebt. Tussen massa’s papieren scoutingsverslagen, ellenlange lijsten met door makelaars aangeboden spelers en verkleurde jaarboeken lag in een kartonnen doos de bestofte videocassette op basis waarvan Andrés Mendoza zich een speler van Club Brugge mocht noemen. Het was de laatste maand van de vorige eeuw.

In die periode nam ik zo goed als elke Europese wedstrijd van Club Brugge op videoband op – YouTube was nog verre toekomst. Op de zijkanten van de zwarte cassettes, waarvan de meesten 180 minuten konden herbergen, noteerde ik de datum van de wedstrijd, de naam van de tegenstander en het resultaat. Dat deed ik ook op woensdagavond 22 oktober 2003, en ik schreef: ‘AC Milan – Club Brugge 0-1.’

Ik heb de videocassette er nog een keer bijgenomen. In de rechterbovenhoek van het scherm staat het vierkant van Canvas, in het introductiefilmpje van de Champions League figureren Zinédine Zidane, Oliver Kahn en een geblondeerde David Beckham. Paolo Maldini steekt op de tonen van de (inmiddels behoorlijk vals klinkende) hymne de Beker met de Grote Oren omhoog.

“Ik herinner me enkel de pass van Ivan Gvozdenović en de afwerking van Andrés Mendoza. Nu zie ik voor het eerst dat het allemaal begon bij Philippe Clement.”

Het verhaal van de stunt wordt geschreven in de 32ste minuut. Ik herinner me enkel de pass van Ivan Gvozdenović en de afwerking van Andrés Mendoza. Nu zie ik voor het eerst dat het allemaal begon bij Philippe Clement. Hij goochelt met de bal en slaat met de pass naar Gvozdenović Andrea Pirlo en linksachter Giuseppe Pancaro knock-out. Sandy Martens houdt Paolo Maldini aan de praat, Cafú en Alessandro Nesta komen te laat. Zij zien hoe Andrés Mendoza zich op witte voetbalschoenen en met buitenkant links dit boek inschiet. Dany Verlinden, dan al 40, wordt groter dan Goliath en zorgt ervoor dat Clarence Seedorf, Andriy Shevchenko en Filippo Inzaghi zich geen David dopen.

Na het laatste fluitsignaal werd ik overmand door een soort onoverwinnelijkheid die ik nog niet eerder had ervaren, ook niet bij vorige landstitels of de kwalificatie voor de Champions League tegen Borussia Dortmund twee maanden voordien (toen Mendoza ook al voor de beslissende doelpunten zorgde). Ik dacht geen moment aan wat de drie punten voor een eventuele kwalificatie voor de volgende ronde betekenden. Enkel dit: Club had gewonnen bij de uittredend winnaar van de Champions League en ik moest dat gevoel zolang mogelijk vasthouden.

De volgende ochtend wandelde ik in de duffe cafetaria van de hogeschool naar de grote ronde tafel waarrond mijn jaargenoten zich hadden verzameld. Jongens en meisjes die normaal niet de minste interesse in voetbal toonden, feliciteerden me nu alsof ik net iets heel bijzonders had gedaan. Die ochtend leek echt alles mogelijk te zijn. Het gevoel hield aan tot na het derde lesuur. In voetbaltermen is dat: tot een 4-2-nederlaag tegen tien man van Koninklijke Heusden-Zolder SK.

Dit verhaal is een van de 125 verhalen in ‘de Club’, het boek naar aanleiding van 125 jaar Club Brugge, uitgegeven bij Lannoo. Meer weten over het boek en hoe je het kunt kopen? Je vindt hier alle informatie.