Boek ‘de Club’ in teaser Club Brugge – LASK

Club Brugge speelde op woensdag 28 augustus de terugwedstrijd in de play-offs van de Champions League. Daarin gaf het het Oostenrijkse LASK uit Linz partij. In aanloop naar de wedstrijd werd het boek ‘de Club’, geschreven naar aanleiding van 125 jaar Club Brugge, gebruikt in een van de aankondigingsfilmpjes. Dat leverde dit knap resultaat op.

 

Dit bericht bekijken op Instagram

 

📢 This is your captain speaking: Vanavond doen we het samen! Laat ons geschiedenis schrijven! 🔵⚫ #CLULASK #UCL

Een bericht gedeeld door Club Brugge (@clubbrugge) op

Boek ‘de Club’ in Sport/Voetbalmagazine

Elke week laat Sport/Voetbalmagazine in de rubriek ‘clubliefde is…’ een bekende Vlaming aan het woord over zijn of haar favoriete voetbalclub. Afgelopen week was dat acteur Geert Hunaerts. Tot mijn verbazing kreeg ‘de Club’, mijn boek naar aanleiding van 125 jaar Club Brugge, de nodige aandacht. Een leuke verrassing met een mooie foto en deugddoende woorden. Je kunt het volledige artikel, inclusief de bijhorende foto, hieronder lezen.

Naar een generaal kijk je op

Het oude volkscafé Local Unique op de Grote Markt van Ronse is op een doordeweekse maandag een baken van rust. Aan de toog hoor je er enkel zacht geroezemoes. De stoof geeft warmte aan een kwartet vaste klanten. De houten tafels en stoelen lijken afkomstig uit een huiskamer van de jaren 50. Aan de muren hangen tegeltableaus van keramiekfabriek Helman uit Brussel. Ze tonen schrijvers en schilders, Hendrik Conscience en Peter Paul Rubens zijn de bekendsten. Hier is ook het portret van Pierre Carteus, een van de stijlrijkste voetballers van Club Brugge, te zien.

Pierre Carteus bewoog als een giraf over het veld. Altijd met het hoofd in de lucht. Hij behield ten allen tijde het overzicht en keek waar hij de bal kon neerleggen.

Ploeggenoten van Pierre Carteus hebben me allen hetzelfde verteld: hij was een strateeg, een generaal. Een sierlijke, intelligente voetballer die de bal het liefst in de voeten kreeg en zelden buiten de middencirkel kwam. De lieveling van De Klokke. En ook: de man die Raoul Lambert lanceerde. Snelle Raoul vertrok, en grote Pierre bediende hem perfect met buitenkant voet. Pierre Carteus bewoog als een giraf over het veld. Altijd met het hoofd in de lucht. Hij behield ten allen tijde het overzicht en keek waar hij de bal kon neerleggen.

De voetballer Pierre Carteus werd gevormd bij het lokale Club Ronse. In 1966 maakte hij de overstap van SK Roeselare naar Club Brugge. Carteus wint met FCB in 1968 en 1970 de Beker van België en wordt in 1973 landskampioen. Tweewekelijks is het in Ronse verzamelen. Op zondag rijden bussen richting De Klokke om hun Pierre aan te moedigen. Na 262 wedstrijden en 88 doelpunten verlaat hij in 1974 Club voor AS Oostende. Het steeds meer tactisch wordend spelletje fnuikt zijn goesting, en ik herken in de instinctvoetballer Carteus de woorden van een vermaard voetbalanalist: fuck the system!

Voor Pierre Carteus was voetbal amusement. Op een autoloze zondag maakten hij en boezemvriend Johny Thio de rest wijs dat ze vanuit Roeselare naar Brugge waren gefietst. In werkelijkheid namen ze de trein en sprongen pas bij Tillegembos op de fiets. Ik krijg de indruk dat voetbal voor Pierre echt de belangrijkste bijzaak ter wereld was. Pierre overleed in 2003 op 59-jarige leeftijd. Veel te vroeg.

In café Local Unique vind je zijn foto pal boven de biljarttafel. Ze zeggen er dat hij over hen waakt. Pierre draagt dat helder blauw en zwart gestreepte sixties-shirt en heeft nog altijd een knuffelbeertje in de kleuren van Club Brugge naast zich staan. Je kunt ‘m alleen zien als je omhoog kijkt. Dat hoort zo. Immers, naar een generaal kijk je op.

Dit verhaal is een van de 125 verhalen in ‘de Club’, het boek naar aanleiding van 125 jaar Club Brugge, uitgegeven bij Lannoo. Meer weten over het boek en hoe je het kunt kopen? Je vindt hier alle informatie.

In het belang van de ploeg

Philippe Clement kwam in de zomer van 1999 naar Club Brugge. Hij erfde het rugnummer zes van Franky Van der Elst. Zijn komst viel niet alleen samen met het afscheid van een Clubicoon, het viel ook pal in de periode waarin ik voetballers steeds vaker op een andere manier begon te bekijken. Ik richtte mijn aandacht in de eerste plaats nog altijd op alles wat op het voetbalveld gebeurde, maar vroeg me stilaan ook af wie de mens achter de voetballer was. Dat was vaak gissen. Voetballers zag ik enkel op training en wedstrijddagen, en ik las hun woorden in voorgekauwde interviews op televisie en in kranten. Pas veel later zou ik ontdekken waarom Philippe Clement zo goed bij Club Brugge past.

Als Judah Ben-Hur op zijn strijdwagen mende hij de Noord bij een alweer afgedwongen hoekschop, een corner die hij daarna niet zelden zelf binnenkopte.

Tien jaar lang was Clement een vertrouwd beeld in het basiselftal. Altijd die verbeten blik en altijd spelend met dezelfde intensiteit als op de pleintjes van Sint-Anneke. Op moeilijke momenten kwam een soort overlevingsdrang in hem naar boven. Als Judah Ben-Hur op zijn strijdwagen mende hij de Noord bij een alweer afgedwongen hoekschop, een corner die hij daarna niet zelden zelf binnenkopte. Altijd sturend ook. Een intelligente voetballer en toen al het verlengstuk van de trainer. Philippe Clement had gestudeerd en dat hoorde je in zijn interviews. De afstand tussen wat hij dacht en wat hij zei, leek groter dan bij andere voetballers. Onze eigen Dr. Phil.

Philippe Clement toonde zich gaandeweg ook een menselijke voetballer, zoals bij het overlijden van François Sterchele, maar ook tijdens acties voor verschillende goede doelen. Wanneer hij in 2009, na 353 wedstrijden en 51 doelpunten, Club Brugge verlaat, doet Philippe Clement dat niet voor eender welke club: hij keert terug naar zijn Beerschot, waar het ooit allemaal was begonnen. En wanneer hij er twee seizoenen later zijn carrière afsluit, keert hij onmiddellijk terug naar Club.

Al die jaren is er weinig veranderd. Enkel de haardos van Philippe Clement is dunner geworden, zijn kroontje altijd maar groter. ‘Mijn maats beweren dat telkens als ik kop, ik wat meer haar verlies. Ik verlies dus mijn haar in het belang van de ploeg’, zei hij ooit in een interview met Sport/Voetbalmagazine.

Ik onthoud die laatste woorden: in het belang van de ploeg.

Haaruitval werd zelden zo mooi omschreven.

Dit verhaal is een van de 125 verhalen in ‘de Club’, het boek naar aanleiding van 125 jaar Club Brugge, uitgegeven bij Lannoo. Meer weten over het boek en hoe je het kunt kopen? Je vindt hier alle informatie.

Vergeten voetballer van Club Brugge: Wiver Hernandes da Silva

Tijdens het voorjaar van 2016 zocht ik voor ‘de Club’, mijn boek over 125 jaar Club Brugge, goede verhalen over voetballers van Club Brugge. Wiver Hernandes was een van de namen waaraan ik dacht. Ik herinnerde me hem en wist dat hij begin jaren negentig na enkele seizoenen Club naar Brazilië was teruggekeerd.

Vergelijk me niet met Romário. Ik ben Wiver.

Maar hoe zou het nu zijn met onze Braziliaan? Dus opende ik Facebook en zocht een profiel dat matchte met de voetballer Wiver Hernandes da Silva. Ik vond enkele Wivers, maar slechts één met het embleem van zijn thuisclub Clube Atlético Mineiro. Op de foto was de voetballer van twintig, geboren op 12 januari 1974, nu een bebaarde veertiger. Ik stuurde een privébericht, zonder respons. November 2016 ging voorbij, ‘de Club’ werd gepubliceerd zonder Wiver Hernandes.

Van L naar R: Norbert Roels, Michel Van Maele, Wiver, Antoine Vanhove, Jacques De Nolf

De sambadanser uit Belo Horizonte

Wiver Hernandes arriveert tijdens de zomer van 1994 in Brugge. Hij is de eerste Zuid-Amerikaanse speler van Club Brugge. In zijn eerste kranteninterview, op 13 juli 1994, omschrijft ontdekker Israel Maoz hem als ‘een voetballer met een grote technische bagage, oneindig explosief op de eerste meters en fysiek sterk’. Wiver houdt het bescheiden.

“Vergelijk me alstublieft niet met Romário. Ik ben Wiver. Ik hoop dat ik het hier maak en dezelfde naambekendheid geniet als Daniel Amokachi nu. Jan Ceulemans is ook bij ons een monument, maar ik wist echt niet dat hij zolang en zoveel in dezelfde zetel heeft gezeten als ik hier nu in het spelershome. Van der Elst, Staelens, … Ik heb tijdens de World Cup bewonderend naar hen gekeken.”

Oefendebuut met twee doelpunten

Wiver debuteert in een oefenwedstrijd tegen provincialer FC Heist. Club wint 6-1 en Wiver scoort twee keer, de eerste na een afstandsschot, de tweede na een knappe dribbel. Goed genoeg voor de spitspositie bij Club? Trainer Hugo Broos twijfelt. Terecht, zo blijkt. Sportief ligt de lat te hoog. Wiver speelt nauwelijks en scoort in een bekerwedstrijd tegen Club Luik zijn enige officiële doelpunt. Hij logeert bij Magda en Willy, het gastgezin waar ook Daniel Amokachi een thuis vond. Na twee seizoenen keert Wiver terug naar Brazilië.

“I will talk to you tomorrow.”

Meer dan een jaar hoorde ik niks van Wiver. Tot 12 juli 2017, om 4u56, ik een privébericht ontving met daarin de woorden: “I will talk to you tomorrow.” En zo gebeurde het. Minder dan een etmaal later stuurde Wiver me een langer bericht.

“I’m very honoured and happy to be part of the Club Brugge history, even not having corresponded on the field. I would like to have played more and better. I still watch the games on TV. I’m still passionate by the club and the city, even I have lived only two years in Brugge. Thank you for contacting me and forgive me my English, it is not so good.”

I had a big affection with Paul Okon and Eric Addo, and a great gratitude with Franky Van der Elst, Sven Vermant, René Eijkelkamp, Vital Borkelmans and Rudi Cossey. I will never forget these guys.

Dat Engels viel best mee, dus stuurden we elkaar nog enkele berichten.

Eric Addo (links), Wiver (rechts)

“I went to Belgium at a very young age and this really brought me adjustment problems, although I liked the city and the people. Daniel Amokachi was the first person that helped me in the club. He walked with me around in Brugge and other cities. Too bad he went so early to Everton.

But the truth is that everyone at the club tried to help me. I had a big affection with Paul Okon and Eric Addo, and a great gratitude with Franky Van der Elst, Sven Vermant, René Eijkelkamp, Vital Borkelmans and Rudi Cossey. I will never forget these guys. I really want to get back to Brugge one day. For me it would be a dream come true.”

De blijvende band met Brugge

Wiver speelt in Brazilië nog voor América Futebol Clube, Social Futebol Clube en Esporte Clube Democrata. In 1999, Wiver is vijfentwintig, stopt hij na blessureleed met voetballen. Hij hoopt in 2018 opnieuw iets in het voetbal te kunnen doen.

Wiver liet me nog iets opmerkelijk weten. Vandaag staat ‘Brugge’ nog altijd in zijn e-mailadres. Ik heb het gecheckt, en het klopt. Hoewel Wiver Hernandes België inmiddels twee decennia heeft verlaten, is hij Club en Brugge niet vergeten.

Foto’s: privéarchief Wiver Hernandes

In het spoor van de Front Wanderers

In het In Flanders Fields Museum in Ieper vond ik een kleine papieren oorlogsschat. Er was geknabbeld aan de randen en in het midden zat een zichtbare vouw. De foto van de Front Wanderers was er maanden eerder binnengebracht door de familie van Dominique Baes, een stoere verdediger van Cercle Brugge. Op de foto is hij de grootste van allemaal.

Bron: In Flanders Fields Museum | Ieper

Dominique Baes overleed in de nadagen van de Groote Oorlog, op 26 augustus 1918 om 18 uur, nadat hij een dag eerder werd geraakt door een kogel. Hector Goetinck, icoon van Club Brugge, was een van zijn beste vrienden. In zijn boek Voetbalanecdoten vertelt Goetinck hoe hij zijn vriend in de laatste uren bijstond. Hij beschrijft hem als een joviale en oprechte sportmakker, die het gezelschap altijd entertainde met zijn vertellingen uit de loopgraven.

“Op hun gezichten staat tijdelijke zorgeloosheid te lezen, even weg van het front. Weldra worden ze in een snikhete trein opnieuw naar de gruwel van de oorlog gebracht.”

De reizen met de Front Wanderers brengen Hector en Dominique naar Frankrijk, Italië, Engeland en Schotland. De ploeg wordt in 1917 samengesteld met de beste voetballers-soldaten. Ze komen uit alle hoeken van het land, van Antwerpen tot Sint-Gillis en van Brussel tot Brugge. Behalve Goetinck maken ook Clubspelers Charles Cambier en Félix Balyu deel uit van de militaire oorlogsploeg. Het Brugse trio heeft het gezelschap van Louis “Luigi” Van Hege, icoon van Union Sint-Gillis en op dat moment topspits van AC Milan.

Als prinsen in Italië

Ze voetballen in Milaan en Turijn. De Italianen ontvangen hen als prinsen. Hector Goetinck schrijft: ‘We waren de eerste Belgische soldaten die men daar te zien kreeg. Iedere Italiaan wou een speler mee naar huis nemen om hem te herbergen. We moesten dadelijk van het station naar de opera waar er een galavoorstelling gegeven werd ter onzer ere! We namen plaats in een loge, en werden stormachtig toegejuicht en beladen met bloemen.’ Op hun gezichten staat tijdelijke zorgeloosheid te lezen, even zijn ze weg van het front. Weldra worden ze in een snikhete trein opnieuw naar de gruwel van de oorlog gebracht.

Het Kanaal over

In het najaar van 1917 reizen de Front Wanderers met de boot van Calais naar Folkestone. Amper 48 uur nadat ze de loopgraven hebben verlaten, arriveert het gezelschap op 12 november om 14 uur in het treinstation Charing Cross. Op donderdag 15 november spelen de Front Wanderers, met Hector Goetinck als kapitein, op Stamford Bridge. Duizenden gevluchte landgenoten zitten in de tribunes. Twee dagen later staan de Belgen in Celtic Park, Clubspits Félix Balyu scoort het beslissende doelpunt.

De ploeg reist verder naar Manchester en Liverpool, waar ze met de grootste honneurs worden ontvangen. De Liverpool Echo omschrijft hen als ‘uitstekende dribbelaars en tactisch vaardig’. Tijdens hun tocht zamelen de Front Wanderers geld in voor het welvaren van hun collega-soldaten. Na de oorlog keren Goetinck, Cambier en Balyu als fysiek sterke mannen terug naar Brugge. Intussen hebben ze van het Brugsche spel, een combinatie van kick-and-rush met aandacht voor de flanken, hun handelsmerk gemaakt. Niet veel later zullen ze FCB op De Klokke de allereerste landstitel schenken.

Dit verhaal is een van de 125 verhalen in ‘de Club’, het boek naar aanleiding van 125 jaar Club Brugge, uitgegeven bij Lannoo. Meer weten over het boek en hoe je het kunt kopen? Je vindt hier alle informatie.

Ode aan een gentleman

Ik wandelde op het nieuwe kerkhof van Sint-Andries en zag bij twee graven een vlaggetje van Club Brugge wapperen. Het eerste graf was er een van een supporter. Zwart met gouden letters. Het andere viel meer op. Er stond een grote voetbalbeker in witte natuursteen. Aan de voet lag een beertje van Club Brugge, ernaast een zwarte sjaal. Ik las de geboorte- en overlijdensdatum: 10-11-1941 en 15-12-1984. Zwarte afgebladderde letters tegen een witte achtergrond. Dit was het graf van Kurt Axelsson.

Kurt kwam in de zomer van 1967 naar Club Brugge. Trainer Norberto Höfling ontdekte de Zweed tijdens een wedstrijd met de nationale ploeg. Als 95 procent van de spelers met het hoofd naar de grond voetbalt, behoorde Axelsson tot de vijf procent die altijd het overzicht behoudt. Höfling was overtuigd: deze Scandinaviër moest zijn verdediging leiden. Een seizoen eerder was Kurt lid van het elftal van GAIS, de tweede ploeg uit Göteborg, dat promotie afdwong naar de eerste klasse. Ik vond online een ploegfoto van de promovendusklas. In het groen en zwart gestreept shirt heeft Axelsson bovenop die karakterkop dan al het kenmerkende kapsel dat op elke foto terugkeert. Ook op latere ploegfoto’s onderscheidt hij zich altijd van de anderen. Hij oogt net iets gepolijster.

“Kurt Axelsson was de eerste Clubspeler die intensief opwarmde en aan stretchen deed. Hij injecteerde de Scandinavische mentaliteit en nam de spelersgroep op sleeptouw.”

Het is niet alleen het kapsel van de Zweed dat in het oog springt. Tijdens gesprekken met tal van oud-ploegmaats klinkt het unisono: een gentleman, een klasbak, altijd honderd procent inzet en een ongebreideld professionalisme. Kurt Axelsson was de eerste Clubspeler die intensief opwarmde en aan stretchen deed. Hij injecteerde de Scandinavische mentaliteit en nam de spelersgroep op sleeptouw. Na afloop van zijn allereerste wedstrijd voor Club Brugge, een oefenmatch op het veld van Blankenberge, poetste Kurt zijn voetbalschoenen. Alle teamgenoten keken verbaasd op. De daaropvolgende wedstrijden deden zij hetzelfde. Als libero heerste hij over zijn verdediging: altijd positief coachend en anderen beter makend. Stijlrijk, op en naast het veld.

Een zware beenblessure zette in 1971 een rem op zijn carrière. Na zes seizoenen en 153 wedstrijden in het eerste elftal verliet hij Club Brugge en ging voor AS Oostende voetballen. Daar werd hij herenigd met Norberto Höfling. Ze dwongen samen de promotie af tot hartproblemen het abrupte einde van Kurts carrière betekenden. Zijn wereld stortte helemaal in. Ik hoorde dat het daarna niet meer zo goed met hem ging.

Kurt Axelsson werd postuum een van mijn favoriete Clubspelers aller tijden. Ik aaide het Brugse knuffelbeertje over de bol en beloofde mezelf af en toe te komen kijken of het vlaggetje nog altijd fladdert.

Dit verhaal is een van de 125 verhalen in ‘de Club’, het boek naar aanleiding van 125 jaar Club Brugge, uitgegeven bij Lannoo. Meer weten over het boek en hoe je het kunt kopen? Je vindt hier alle informatie.

Even leek alles mogelijk

In de zomer van 2015 daalde ik af naar de krochten van het Jan Breydelstadion. Het was de eerste keer dat ik in de betonnen bunker op een plaats kwam waar je als supporter geen toegang tot hebt. Tussen massa’s papieren scoutingsverslagen, ellenlange lijsten met door makelaars aangeboden spelers en verkleurde jaarboeken lag in een kartonnen doos de bestofte videocassette op basis waarvan Andrés Mendoza zich een speler van Club Brugge mocht noemen. Het was de laatste maand van de vorige eeuw.

In die periode nam ik zo goed als elke Europese wedstrijd van Club Brugge op videoband op – YouTube was nog verre toekomst. Op de zijkanten van de zwarte cassettes, waarvan de meesten 180 minuten konden herbergen, noteerde ik de datum van de wedstrijd, de naam van de tegenstander en het resultaat. Dat deed ik ook op woensdagavond 22 oktober 2003, en ik schreef: ‘AC Milan – Club Brugge 0-1.’

Ik heb de videocassette er nog een keer bijgenomen. In de rechterbovenhoek van het scherm staat het vierkant van Canvas, in het introductiefilmpje van de Champions League figureren Zinédine Zidane, Oliver Kahn en een geblondeerde David Beckham. Paolo Maldini steekt op de tonen van de (inmiddels behoorlijk vals klinkende) hymne de Beker met de Grote Oren omhoog.

“Ik herinner me enkel de pass van Ivan Gvozdenović en de afwerking van Andrés Mendoza. Nu zie ik voor het eerst dat het allemaal begon bij Philippe Clement.”

Het verhaal van de stunt wordt geschreven in de 32ste minuut. Ik herinner me enkel de pass van Ivan Gvozdenović en de afwerking van Andrés Mendoza. Nu zie ik voor het eerst dat het allemaal begon bij Philippe Clement. Hij goochelt met de bal en slaat met de pass naar Gvozdenović Andrea Pirlo en linksachter Giuseppe Pancaro knock-out. Sandy Martens houdt Paolo Maldini aan de praat, Cafú en Alessandro Nesta komen te laat. Zij zien hoe Andrés Mendoza zich op witte voetbalschoenen en met buitenkant links dit boek inschiet. Dany Verlinden, dan al 40, wordt groter dan Goliath en zorgt ervoor dat Clarence Seedorf, Andriy Shevchenko en Filippo Inzaghi zich geen David dopen.

Na het laatste fluitsignaal werd ik overmand door een soort onoverwinnelijkheid die ik nog niet eerder had ervaren, ook niet bij vorige landstitels of de kwalificatie voor de Champions League tegen Borussia Dortmund twee maanden voordien (toen Mendoza ook al voor de beslissende doelpunten zorgde). Ik dacht geen moment aan wat de drie punten voor een eventuele kwalificatie voor de volgende ronde betekenden. Enkel dit: Club had gewonnen bij de uittredend winnaar van de Champions League en ik moest dat gevoel zolang mogelijk vasthouden.

De volgende ochtend wandelde ik in de duffe cafetaria van de hogeschool naar de grote ronde tafel waarrond mijn jaargenoten zich hadden verzameld. Jongens en meisjes die normaal niet de minste interesse in voetbal toonden, feliciteerden me nu alsof ik net iets heel bijzonders had gedaan. Die ochtend leek echt alles mogelijk te zijn. Het gevoel hield aan tot na het derde lesuur. In voetbaltermen is dat: tot een 4-2-nederlaag tegen tien man van Koninklijke Heusden-Zolder SK.

Dit verhaal is een van de 125 verhalen in ‘de Club’, het boek naar aanleiding van 125 jaar Club Brugge, uitgegeven bij Lannoo. Meer weten over het boek en hoe je het kunt kopen? Je vindt hier alle informatie.

Brief aan Birger Jensen

Beste Birger,

in 2012 publiceerde de Britse journalist Jonathan Wilson een boek over doelmannen. Hij gaf het de passende titel The Outsider. Wilson was niet de eerste die zich in de psyche van de doelman verdiepte. De Russisch-Amerikaanse schrijver Vladimir Nabokov, zelf doelman, beschreef de keeper als ‘afstandelijk, afzijdig en onbewogen. Hij is de eenzame adelaar, de man van het mysterie, de laatste verdediger.’ Ook de Franse filosoof Albert Camus was een doelman, bij een universiteitsploeg in Algiers. Hij beweerde dat het weinige dat hij over de moraal wist, had opgedaan op het voetbalveld, namelijk altijd voorbereid zijn op het onverwachte.

Over geen enkele veldpositie is meer gepubliceerd dan over de doelman, al vind ik doelwachter een mooiere en treffendere omschrijving. Torwart. Gardien de but. Goalkeeper. Guardameta. En, in jouw moedertaal, målvogter. Telkens keert één woord terug: beschermen. De doelwachter is meer dan een einzelgänger in het geheel, hij is de hoeder van de ploeg, en een cipier van onze supportersdromen. Dat was meer dan ooit het geval in het risicovolle spel van Ernst Happel. Dat moet een bijzonder iemand zijn. Ik vraag me af: kiest de man de positie of de positie de man?

“Ik heb gelezen over jouw passie voor het snookerspel. Dat is logisch. Snooker is een sport voor doelmannen, het is een eindeloze strafschoppenreeks.”

Ik ken jou alleen van gestolde fotobeelden en krakende internetfilmpjes. Op elk shot dat ik van jou terugvind, zie ik je in die legendarische gele outfit met een zwart biesje. Vroeger, in de tijd van Lev Yashin, speelde de doelwachter altijd in het zwart. Net zoals onze blauw-zwarte kleuren tot de ziel van Club behoren, zou elke Clubkeeper in geel-zwarte tenue moeten zijn uitgedost.

Ik heb gelezen over jouw passie voor het snookerspel. Dat is logisch. Snooker is een sport voor doelmannen, het is een eindeloze strafschoppenreeks. Eén misrekening en het frame kan verloren zijn. Er is een constante hang naar perfectie. Immers, enkel met de perfecte stoot laat de pocket zich bezwangeren. Ik denk niet dat jij je kon laven aan een duffe en klinische Steve Davis. Neen, jou kan ik niet anders dan linken aan Ronnie O’Sullivan, aan Jimmy White en natuurlijk aan Alex Higgins: zij die een sportarena in een theater veranderen omdat ze op elk moment iets speciaals kunnen doen en toeschouwers aan het televisiescherm lijmen.

Alex Higgins kreeg de bijnaam The People’s Champion. Dat lijkt me voor een sporter het mooiste compliment. Wanneer ik medesupporters over jou hoor spreken, dan was en ben je nog steeds de Clubdoelman van het volk. Dat volk eerde je door hun zonen naar jou te vernoemen. Vandaag lopen in ons land nog altijd bijna vijfhonderd kinderen, adolescenten, jonge en intussen volwassen mannen rond die jouw voornaam dragen. Nog elk jaar worden in kraamkamers door trotse moeders en vaders die zes aaneengekleefde letters uitgesproken wanneer naar de naam van hun pasgeborene wordt gevraagd. Het is dan overbodig te vragen waar ze die hebben gehaald.

Ik wens je het allerbeste toe. En vergeet niet: van alle voetballers komen doelmannen het dichtste bij het eeuwige leven.

Met blauw-zwarte groet,

Sven

Dit verhaal is een van de 125 verhalen in ‘de Club’, het boek naar aanleiding van 125 jaar Club Brugge, uitgegeven bij Lannoo. Meer weten over het boek en hoe je het kunt kopen? Je vindt hier alle informatie.

Tweede druk ‘de Club’ te koop

In november en de eerste helft van december deed ‘de Club’, het boek over 125 jaar Club Brugge, het uitstekend in de boekhandel. Daarom kwam er half december een herdruk.

De tweede druk ligt nu overal in de boekhandel, de Club Shop en je kunt het boek online bestellen bij: