Een vergeelde familiefoto

Op de eerste foto’s zijn ze niet veel jonger dan ik. Ze dragen outfits in lichtblauw en donkerblauw en hebben een ontembare goesting om te voetballen. Op hun bonkige lichamen staan karakterkoppen. Velen, waaronder de vier broers Lescrauwaet, hebben stevige armspieren gekweekt bij de roeivereniging Sport Nautique de Bruges. Op andere beelden staan ze strak in het pak. Wanneer ik in hun ogen probeer te kijken, voelt het alsof ik kijk naar een vergeelde familiefoto waarop mijn overgrootouders staan afgebeeld en ik gelijkende gezichtskenmerken probeer te ontwaren. Die wat vollere lippen, de vorm van de neus of diezelfde gestolde blik door de lens gevangen. Iets van herkenbaarheid.

Hun namen zijn Jean Schaeverbeke, William Greenhill, Ernest Neyrinck, Gaston Decraecke, het broederkwartet Auguste, Charles, Edouard en Jules Lescrauwaet, de broederparen Gustave en Philippe Delescluze en Jules en Emile Van Haerdenbergh, Camille Claeys, Camille Kerckhofs, Pierre Boereboom, Albert Walin, Emile Van Mullem en Achille Grand Dalton. Zij richten op 13 november 1891 de Brugsche Football Club op.

Een brede volkse aanhang (Brugsche Football Club) en een uitgebreid netwerk (Football Club Brugeois) zijn de hoekstenen van de nieuwe club.

Na een twist verlaten op 1 november 1894 zestien leden, voornamelijk Franstalige aristocraten, de Vlaamsgezinde Brugsche Football Club. In café La Civière d’Or op de Markt stichten zij Football Club Brugeois. De meesten zijn lid van de roeivereniging, dus nemen ze de lichtblauwe en donkerblauwe clubkleuren over. FC Brugeois is een van zeven deelnemende clubs aan de eerste officiële competitie in 1895 en huurt een terrein in Sint-Andries dat eigendom is van de Fox Terriër Club. Het veld staat in de volksmond bekend als het Rattenplein. Het is groot, met hout omheind en er staan een kleine chalet en minitribune. Het blijft tot Pasen 1912 de thuishaven van FCB. Vandaag staat de Sint-Baafskerk er.

Waar duizend kilometer verderop AC Milan en Internazionale elkaar niet terugvinden, gebeurt dat wel in Brugge. Op 23 oktober 1897 smelten BFC en FCB samen. Het is een verstandshuwelijk. De Brugsche Football Club telt veel leden, maar heeft geen thuis. FC Brugeois ziet het ledenaantal slinken, maar heeft met het Rattenplein wel een vaste stek. Beide clubs zitten financieel in vieze papieren. Officieel wordt FCB opgeslorpt door de Brugsche Football Club, maar omwille van het huurcontract met de Fox Terriër Club wordt een doorstart gemaakt als FC Brugeois. Een brede volkse aanhang (BFC) en een uitgebreid netwerk (FCB) zijn de hoekstenen van de nieuwe club.

Op wedstrijddagen wiegen buslijnen 5 en 15 supporters van het treinstation naar het Jan Breydelstadion. De bussen rijden voorbij de Sint-Baafskerk. Dan kijk ik altijd even opzij. Ik doe het op identieke wijze als wanneer ik het huis van een bekende, vriend of familie passeer en kijk of de auto thuisstaat. Alsof daar, in die wat logge kerk met rankere toren, een ver familielid woont.

Dit verhaal is een van de 125 verhalen in ‘de Club’, het boek naar aanleiding van 125 jaar Club Brugge, uitgegeven bij Lannoo. Meer weten over het boek en hoe je het kunt kopen? Je vindt hier alle informatie.

Gelukkige verjaardag, Raoul Lambert! – #Lotte75

Beste Raoul

Verjaardagen, zeker als ze op een zondag vallen zoals vandaag, worden vaak aan de familietafel doorgebracht. Heel boeiend is dat meestal niet. Jouw familietafel is echter geen gewone. Jouw familie is tienduizenden leden groot en de feesttafel staat zowat overal in Vlaanderen, van Knokke-Heist tot Tongeren en van Brecht tot Ieper. Zelfs bij het Wallonia Bruges Army in Namen snijden ze vandaag allicht een stuk taart aan.

De hoogconjunctuur die de Club momenteel kent, moet je veel plezier doen. Op een dag als vandaag moet ik dan ook vooral denken aan hoe jij binnen het huidige Club zou hebben gefunctioneerd. Hoe je vast had genoten van het samenspel met onze snelle zwarte parels voorin. Hoeveel assists een infiltrerende Ruud Vormer je zou hebben gegeven, en hoe Hans Vanaken je met een splijtende pas de diepte in zou hebben gestuurd, al was jouw aangever Pierre Carteus ook niet mis, heb ik horen zeggen.

Ik herinner het me nog als gisteren toen ik je tijdens de zomer van 2016 voor het eerst uitgebreid kon spreken. Op een maandagnamiddag kwam je de parking van het Jan Breydelstadion opgereden. Je stapte uit je auto, doofde je sigaretje en liftte de zonnebril van je gezicht. Bijna twee uur lang kon ik me die namiddag laven aan jouw verhalen en anekdoten. Na afloop schudden we elkaar op de parking de hand. Je stapte in je auto, zwaaide nog even en weg was je, de Clubspeler van de eeuw, terug naar huis. Het gras moest immers nog worden gemaaid.

Zoals doelmannen een beetje gek heten te zijn, zo hoort bij spitsen, gasten die leven voor de doelpunten, het cliché dat ze egotrippers zijn. Elk interview, elk boek, dat ik van jouw ploeggenoten las, vertelt het omgekeerde. Dat werd me die namiddag bevestigd. Jij bent het standaardvoorbeeld van de Clubspeler. Wanneer iemand ons, supporters, vraagt wat Club Brugge betekent, dan moeten we hen jouw foto tonen. Tegenwoordig kan dat op het scherm van een smartphone, jazeker, maar eigenlijk hoort het op papier. Elke Clubfan zou jouw afbeelding op zak moeten hebben, bij voorkeur in zwart en wit en met een ezelsoor dat je er nooit uitkrijgt. Authentiek en met de littekens van vele veldslagen.

Als pater familias van de hele Clubfamilie zit je vandaag aan het hoofd van die immense feesttafel. Gefeliciteerd met je 75ste verjaardag.

Geniet van jouw dag en veel plezier.

Met blauwzwarte groet
Sven

Het gebed van de ballenjongen

Met trage tred stroomde ik na afloop van Club Brugge tegen LASK in de supportersmassa de donkere straten van Sint-Andries in. Achter onze ruggen scheen het stadionlicht nog fel, maar doofde het geluid langzaamaan uit. De wedstrijd was op dat moment nog een lappendeken van aan elkaar gestikte fragmenten. Het was te vroeg om alles wat zich gedurende de twee uren voordien had afgespeeld te ordenen.

Pas toen ik in de stilte van de nacht de wedstrijd in versneld tempo opnieuw bekeek, viel door één beeld alles op zijn plaats. In de 83ste minuut, vlak voor het trappen van een hoekschop voor Club bij een 1-1-stand, nam de regie een jongen in beeld. Een ballenjongen. Hij droeg een pet. Met een hesje van de Champions League rondom het bovenlichaam hield hij de ogen dicht en de vingers gekruist. Een stil gebed vóór Club en tégen die ene verkeerd vallende bal aan de overkant. Het beeld dateert van tien minuten voordien, toen Club een strafschop tegenkreeg. Milo, zoals de jongen heet, hoopte heel erg dat de strafschop zou worden gemist.

Ik moest denken aan wat Pascal Plovie me enkele jaren geleden heeft verteld. Als ballenjongen stond hij in 1976 op Olympia langs de lijn tijdens de terugwedstrijd van de UEFA-bekerfinale tegen Liverpool. Onder meer Kevin Keegan, Ray Kennedy en Phil Neal draafden over het veld. Ray Clemence was de Liverpool-doelman. Omdat die avond een schot van Raoul Lambert tegen de paal ketste en drie weken eerder de Duitse scheidsrechter Ferdinand Biwersi een strafschopfout zag in een correcte tussenkomst van kapitein Fons Bastijns, won Club toen de UEFA-beker niet. De foto met bedroefde elkaar troostende spelers in donkere badjassen is er één voor de eeuwigheid. Naast het veld was het niet anders.

Weldra landen Paris Saint-Germain, Real Madrid en Galatasaray in Brugge. Dan bedienen de ballenjongens en -meisjes Kylian Mbappé, Thomas Meunier, Eden Hazard, Thibaut Courtois en Ryan Donk.

Wedden dat Pascal dan telkens negentig minuten lang meebidt?

Copyright foto: Fernand Proot

Naar een generaal kijk je op

Het oude volkscafé Local Unique op de Grote Markt van Ronse is op een doordeweekse maandag een baken van rust. Aan de toog hoor je er enkel zacht geroezemoes. De stoof geeft warmte aan een kwartet vaste klanten. De houten tafels en stoelen lijken afkomstig uit een huiskamer van de jaren 50. Aan de muren hangen tegeltableaus van keramiekfabriek Helman uit Brussel. Ze tonen schrijvers en schilders, Hendrik Conscience en Peter Paul Rubens zijn de bekendsten. Hier is ook het portret van Pierre Carteus, een van de stijlrijkste voetballers van Club Brugge, te zien.

Pierre Carteus bewoog als een giraf over het veld. Altijd met het hoofd in de lucht. Hij behield ten allen tijde het overzicht en keek waar hij de bal kon neerleggen.

Ploeggenoten van Pierre Carteus hebben me allen hetzelfde verteld: hij was een strateeg, een generaal. Een sierlijke, intelligente voetballer die de bal het liefst in de voeten kreeg en zelden buiten de middencirkel kwam. De lieveling van De Klokke. En ook: de man die Raoul Lambert lanceerde. Snelle Raoul vertrok, en grote Pierre bediende hem perfect met buitenkant voet. Pierre Carteus bewoog als een giraf over het veld. Altijd met het hoofd in de lucht. Hij behield ten allen tijde het overzicht en keek waar hij de bal kon neerleggen.

De voetballer Pierre Carteus werd gevormd bij het lokale Club Ronse. In 1966 maakte hij de overstap van SK Roeselare naar Club Brugge. Carteus wint met FCB in 1968 en 1970 de Beker van België en wordt in 1973 landskampioen. Tweewekelijks is het in Ronse verzamelen. Op zondag rijden bussen richting De Klokke om hun Pierre aan te moedigen. Na 262 wedstrijden en 88 doelpunten verlaat hij in 1974 Club voor AS Oostende. Het steeds meer tactisch wordend spelletje fnuikt zijn goesting, en ik herken in de instinctvoetballer Carteus de woorden van een vermaard voetbalanalist: fuck the system!

Voor Pierre Carteus was voetbal amusement. Op een autoloze zondag maakten hij en boezemvriend Johny Thio de rest wijs dat ze vanuit Roeselare naar Brugge waren gefietst. In werkelijkheid namen ze de trein en sprongen pas bij Tillegembos op de fiets. Ik krijg de indruk dat voetbal voor Pierre echt de belangrijkste bijzaak ter wereld was. Pierre overleed in 2003 op 59-jarige leeftijd. Veel te vroeg.

In café Local Unique vind je zijn foto pal boven de biljarttafel. Ze zeggen er dat hij over hen waakt. Pierre draagt dat helder blauw en zwart gestreepte sixties-shirt en heeft nog altijd een knuffelbeertje in de kleuren van Club Brugge naast zich staan. Je kunt ‘m alleen zien als je omhoog kijkt. Dat hoort zo. Immers, naar een generaal kijk je op.

Dit verhaal is een van de 125 verhalen in ‘de Club’, het boek naar aanleiding van 125 jaar Club Brugge, uitgegeven bij Lannoo. Meer weten over het boek en hoe je het kunt kopen? Je vindt hier alle informatie.

In het belang van de ploeg

Philippe Clement kwam in de zomer van 1999 naar Club Brugge. Hij erfde het rugnummer zes van Franky Van der Elst. Zijn komst viel niet alleen samen met het afscheid van een Clubicoon, het viel ook pal in de periode waarin ik voetballers steeds vaker op een andere manier begon te bekijken. Ik richtte mijn aandacht in de eerste plaats nog altijd op alles wat op het voetbalveld gebeurde, maar vroeg me stilaan ook af wie de mens achter de voetballer was. Dat was vaak gissen. Voetballers zag ik enkel op training en wedstrijddagen, en ik las hun woorden in voorgekauwde interviews op televisie en in kranten. Pas veel later zou ik ontdekken waarom Philippe Clement zo goed bij Club Brugge past.

Als Judah Ben-Hur op zijn strijdwagen mende hij de Noord bij een alweer afgedwongen hoekschop, een corner die hij daarna niet zelden zelf binnenkopte.

Tien jaar lang was Clement een vertrouwd beeld in het basiselftal. Altijd die verbeten blik en altijd spelend met dezelfde intensiteit als op de pleintjes van Sint-Anneke. Op moeilijke momenten kwam een soort overlevingsdrang in hem naar boven. Als Judah Ben-Hur op zijn strijdwagen mende hij de Noord bij een alweer afgedwongen hoekschop, een corner die hij daarna niet zelden zelf binnenkopte. Altijd sturend ook. Een intelligente voetballer en toen al het verlengstuk van de trainer. Philippe Clement had gestudeerd en dat hoorde je in zijn interviews. De afstand tussen wat hij dacht en wat hij zei, leek groter dan bij andere voetballers. Onze eigen Dr. Phil.

Philippe Clement toonde zich gaandeweg ook een menselijke voetballer, zoals bij het overlijden van François Sterchele, maar ook tijdens acties voor verschillende goede doelen. Wanneer hij in 2009, na 353 wedstrijden en 51 doelpunten, Club Brugge verlaat, doet Philippe Clement dat niet voor eender welke club: hij keert terug naar zijn Beerschot, waar het ooit allemaal was begonnen. En wanneer hij er twee seizoenen later zijn carrière afsluit, keert hij onmiddellijk terug naar Club.

Al die jaren is er weinig veranderd. Enkel de haardos van Philippe Clement is dunner geworden, zijn kroontje altijd maar groter. ‘Mijn maats beweren dat telkens als ik kop, ik wat meer haar verlies. Ik verlies dus mijn haar in het belang van de ploeg’, zei hij ooit in een interview met Sport/Voetbalmagazine.

Ik onthoud die laatste woorden: in het belang van de ploeg.

Haaruitval werd zelden zo mooi omschreven.

Dit verhaal is een van de 125 verhalen in ‘de Club’, het boek naar aanleiding van 125 jaar Club Brugge, uitgegeven bij Lannoo. Meer weten over het boek en hoe je het kunt kopen? Je vindt hier alle informatie.

Column | Ouverture

Voetbal is in jaargangen met een groot toernooi een draaimolen waar je niet kunt en ook niet wilt afstappen. Dus keek ik gisterenavond alweer naar de Supercup tussen Club Brugge en Standard. Het werd aanvankelijk een gezapige en gesloten oefengalop die alle tekenen vertoonde van een klasreünie.

Een herkenbaar Standard speelde tegen een Club met nieuwkomers Mats Rits, Karlo Letica en Arnaut Danjuma in het basisteam. Vooral de laatste twee vielen op. En Hans Vanaken. Opnieuw Hans. Het is duimen dat scouts Brugge hebben bezocht met voordien leeg geschreven pennen. Halfweg hoorde ik de echo’s van een kampioensploeg op driekwartsnelheid.

Hét hoogtepunt van de avond vond al voor aanvang van de wedstrijd plaats: de terugkeer van Michel Preud’homme. In de catacomben wuifde MPH naar oude bekenden als een zonnekoning. Het was een schouwspel van intense omhelzingen en stevige handdrukken. Plagerijen en glimlachen alom.

De trainer Michel Preud’homme heet een prijzenpakker te zijn. Om beter te doen dan zijn voorganger Ricardo Sá Pinto moet hij, tien jaar na de laatste, de landstitel opnieuw naar Luik brengen. Die uitdaging is groot, maar niet onmogelijk. Eén strijd zal MPH alvast niet winnen: de prijs voor de coach met de fraaiste haardos heeft Sá Pinto meegenomen naar het zuiden.

Longread | De zomer van 1994

Tijdens de zomer van 1994 marcheerden over het uitgestrekte veld achter ons huis twee maaidorsers. Ze waren geel van kleur en hadden grote grijparmen en een bolle kont. Hun geroezemoes gaf het open landschap een soort sereniteit. De machines waren als shoppende dames. Volgeladen leverden ze hun buit af bij een oude tractor met een groene kar. Het daaropvolgende jaar was een van de maaidorsers verdwenen. In mijn fantasie genoot de machine van een verdiend pensioen in een hangar. Aan een maaidorserkerkhof durfde ik niet te denken. Later verdween ook de tweede maaidorser. Ze werden vervangen door twee blinkende hoekige bulldozers die een hels kabaal maakten. Zielloos bolden ze heen en weer en zetten niet langer aan tot fantaseren. Ze deden simpelweg waarvoor ze waren gemaakt: tarwe oogsten. Niets meer.

Diezelfde zomer namen de Rode Duivels deel aan het wereldkampioenschap voetbal in de Verenigde Staten. Ik herinner me levendig de openingswedstrijd tussen Duitsland en Bolivië. Marco Etcheverry, de ster van het Boliviaanse team, startte op de bank. De middenvelder viel tien minuten voor het affluiten in en kreeg drie minuten later de rode kaart, wat meteen het einde van zijn toernooi betekende. Jürgen Klinsmann scoorde het enige doelpunt. Wanneer ik mijn ogen sluit, dan kan ik de World Cup afspelen als een diareeks. Ik zie het frivole Nigeria met Rashidi Yekini en Daniel Amokachi, de stoere Bulgaren met Hristo Stoichkov en de inmiddels overleden Trifon Ivanov, die op zijn Paniniplaatje alle mogelijke richtingen uitkijkt. Ik zie het laatste kunstje van Diego Maradona tegen Griekenland, de Italiaanse finaletranen van Roberto Baggio en het wieggebaar in drievoud uitgevoerd door Romário, Mazinho en Bebeto.

“Vier jaar eerder, tijdens de Mondiali in Italië, was alles wazig. Het doelpunt van David Platt verdween tussen de plooien van mijn herinneringen.”

De wereldbeker van 1994 is de eerste waarvan ik de wedstrijden van Rode Duivels ten volle beleefde. Vier jaar eerder, tijdens de Mondiali in Italië, was alles wazig. Ik heb enkel een vage gedachte aan het vrijetrapdoelpunt van Patrick Vervoort in de wedstrijd tegen Spanje. Ik weet dat ik de achtste finale tussen België en Engeland heb gezien, maar het doelpunt van David Platt is verdwenen tussen de plooien van mijn herinneringen. De televisiebeelden roepen geen emotie op. Neen, de World Cup in de Verenigde Staten is mijn eerste echte wereldbeker, en daar genoot ik ten volle van. In de aanloop naar het toernooi verzamelde ik alles wat ik over de Rode Duivels te pakken kon krijgen: mutsen, sjaals, poppetjes, bierglazen, Coca Cola-blikjes. En ik kreeg van mijn moeder en vader ook mijn allereerste voetbalshirt. Knalrood van Diadora met op de mouwen het zwart, geel en rood van de Belgische vlag.

Tijdens de eerste groepswedstrijd tegen Marokko traden de Rode Duivels aan in hun witte uitrusting. Ik supporterde thuis mee met mijn moeder en vader. We juichten toen Marc Degryse al in de elfde minuut het enige doelpunt van de wedstrijd scoorde. De daaropvolgende groepswedstrijd tegen Nederland viel samen met het laatste verjaardagsfeestje van het schooljaar. We ambeteerden de buurman en aten frieten aan een kraampje dat niets anders was dan een open keukenvenster. In de woonkamer zagen we met zijn allen op het televisiescherm Philippe Albert de bal aan de tweede paal binnenschuiven. De euforie doofde pas enkele dagen later toen onze jongens bij het doelpunt van de Saoedi Saeed Al-Owairan smolten als tinnen soldaatjes.

“Thomas Helmer tackelde Josip Weber duizenden kilometers van ons af, maar het voelde alsof het in onze achtertuin gebeurde.”

Ook de achtste finale tegen Duitsland keek ik samen met een klasgenoot. We vloekten toen de Zwitserse scheidsrechter Kurt Röthlisberger geen strafschop floot wanneer Thomas Helmer Josip Weber onderuit schoffelde. Het speelde zich duizenden kilometers van ons af, maar het voelde alsof de tackle in onze achtertuin gebeurde. Er was geen weg terug. Voor de Rode Duivels was de wereldbeker voorbij.

Ik daarentegen hield mijn routine aan. Elke ochtend fietste ik in alle vroegte naar de enige krantenwinkel van het dorp. Ik kocht er Het Laatste Nieuws en ging vervolgens thuis, of bij mijn grootmoeder, aan de tuintafel zitten waar ik alle artikels en het wedstrijdschema van de dag doornam. Er waren geen sociale media. Ik had geen toegang tot het internet. Het waren, erop terugkijkend, momenten van intens geluk.

“Eden Hazard, Romelu Lukaku en Vincent Kompany lijken personages uit een feuilleton. Ik ontbreek de blik van een kind om hen helemaal aan de borst te drukken.”

Zo beleefden wij, de kinderen van het dorp met geboortejaar 1982, de wereldbeker in de Verenigde Staten. Wij die weldra zouden uitzwermen. Geen juffen en meesters meer, gauw spraken we onze leraressen en leraren aan met ‘mevrouw’ en ‘mijnheer’ en wisten we niet langer waar ze woonden en met welke auto ze reden. En hoewel de Rode Duivels vandaag nooit eerder zoveel talent telden, lijken ze zo veraf te staan van de boys next door die in 1994 op onze Coca Cola-glazen stonden en een poging deden het wereldbekerlied in te zingen. Eden Hazard, Romelu Lukaku en Vincent Kompany, ze zijn ongrijpbaar. Ik zie hen op mijn televisiescherm als personages uit een feuilleton. Ik ontbreek de blik van een kind om hen helemaal aan de borst te drukken.

Kon ik de tijd bevriezen, dan zou het altijd de zomer van 1994 zijn. Het is in mijn herinnering een soort Nooitgedachtland waarin ik als een Peter Pan eeuwig zou kunnen ronddwalen. Die zomer stond onze totale zorgeloosheid op losse schroeven en we wisten het zelf niet.

Ik besefte het pas jaren later. De maaidorsers met een bolle kont, dat waren wij.

Column | Een zoektocht naar perfectie

Er is geen beter tijdstip om de ruim tweeduizend planten in de Sheffield Winter Garden te bezichtigen dan tijdens de tweede helft van de maand april. Dan bouwt de BBC er tijdens het wereldkampioenschap snooker een kleine televisiestudio en dat levert fantastische beelden op. Een gezette Brit hijgt in de hals van presentatrice Hazel Irvine. Oud-wereldkampioen John Parrott grapt en grolt. Zesvoudig wereldkampioen Steve Davis toont op de oefentafel hoe het had moeten zijn en lardeert het pomeransgeaai met deskundigheid. En af en toe wordt een quizje gespeeld. Zo gaat het elk jaar opnieuw. Snooker kijk je op de BBC. En snooker kijk je in stilte. Gesprekken gebeuren hoogstens op vezeltoon. De enige zin die je thuis luider de kamer inblaast is een interpretatie van John Virgo’s ‘Where’s the cue ball going?

De kleine Surrey Street en het Tudor Square scheiden de Winter Garden van het Crucible Theatre. Wat het Centre Court van Wimbledon is voor tennis, is The Crucible voor snooker: het heiligdom der heiligdommen. Zodra jongens een eerste keu in hun kleine kinderhanden krijgen gestopt, dromen ze slechts van één ding: op een dag aangekondigd worden in The Crucible.

“Al verliest Ronnie O’Sullivan in de eerste ronde, dan nog denk je op de laatste dag: ‘Daar had Ronnie moeten staan.”

Het wereldkampioenschap telt 32 deelnemers. Toch draait alles om één man: Ronnie O’Sullivan. Al verliest Ronnie in de eerste ronde, dan nog denk je op de laatste dag: ‘Daar had Ronnie moeten staan.’ Voor Ronnie is de keu geen werkinstrument; het is het verlengde van zijn arm en brein. Ronnie is zo goed dat jaloezie bij tegenstanders om de hoek kan komen loeren. Toch is dat niet het geval. Ronnie is immers ook mens, want hij is een beetje gek. Af en toe is Ronnie alles beu. Dan stopt hij midden in een frame of houdt er enkele maanden mee op. In 2013 speelde hij in de aanloop naar het wereldkampioenschap één wedstrijd. In Sheffield kwam Ronnie vervolgens zijn titel verdedigen. Hij opende het wereldkampioenschap en sloot het voor een vijfde keer als winnaar af. Alsof hij gauw bij de bakker om de hoek een brood ging halen.

“Snooker is een eindeloze strafschoppenreeks. Missers worden genadeloos afgestraft en de veroordeling bestaat uit een stilleven in de spelersfauteuil.”

Ik kan Ronnie wel begrijpen. Het snookerbestaan is een mentale beproeving. Snooker is een eindeloze strafschoppenreeks. Missers worden genadeloos afgestraft en de veroordeling bestaat uit een stilleven in de spelersfauteuil. De Australische schrijver Clive James vergeleek snooker met schaken: ‘Whoever called snooker “chess with balls” was rude, but right.’ Joe Davis, vijftien keer wereldkampioen, beschreef het spelletje ooit als ’a game of simple shots played to perfection’. Perfectie. Dat is het woord. Die constante hang naar perfectie leidt vroeg of laat tot mentale droogte. En toch is dit het lot van elke snookerspeler.

Immers, enkel met de perfecte stoot laat de pocket zich bezwangeren.

Column | Het mooiste supportersgevoel

Na afloop van de verloren heenwedstrijd in de halve finales van de Beker van België deden manager, coach en kapitein van Club Brugge hun verhaal voor de televisiecamera’s. Ze vertelden allen hetzelfde: het is nog mogelijk. Dat zeiden ze niet omdat het moest, als was het een verplicht mediapraatje. Ze zeiden het omdat ze het écht meenden. Hun woorden bleven niet zonder gevolg; ze inspireerden. Ik loop immers al een week met een bijzonder gevoel rond.

“Heldenverhalen uit het verleden zijn de kapstokken voor de hoop van vandaag.”

Het gevoel zwelt dag na dag aan en uit zich in het fantaseren over allerlei scenario’s. Ik herken het bij medesupporters die ik lees op fora en social media en die ik beluister in gesprekken. Vreugde en ontgoocheling komen achteraf, wanneer elke bal is getrapt, alle gezangen zijn uitgestorven en de spanning is verdampt. Minstens even intens is de verwachting. Het is dan dat de ziel van de supporter kan koorddansen, krampachtig balanceren tussen realisme en naïviteit. Geloven in het haast onmogelijke. Ik vind het stiekem het mooiste supportersgevoel dat er bestaat.

Comebacks behoren tot het DNA van Club Brugge

Het is op zulke dagen dat je het Clubgevoel als een knus deken om je heen kunt wentelen. Hoe groter de uitdaging, hoe warmer de gloed. Heldenverhalen uit het verleden zijn de kapstokken voor de hoop van vandaag. Wie door de meer dan 125-jarige geschiedenis van Club Brugge bladert, weet dat comebacks tot het DNA van de Club behoren.

Wij weten: uit zware uitnederlagen worden mythische voetbalavonden geboren.

Al maanden domineert Club Brugge de vaderlandse competitie met wervend en dwingend voetbal. Vandaag zijn we even dat kleine Gallische dorpje omsingeld door de Romeinen. En hoe klein de kans ook is, laat onze waarden en onze geschiedenis onze toverdrank zijn.

Dan is alles mogelijk.

Longread | Memoires van een beginnend tennisspeler (5)

Lees hier de eerdere delen van ‘Memoires van een beginnend tennisspeler’.

Tijdens de zomer van 2017 vier ik mijn vijfendertigste verjaardag. In het enkelspel mag ik op officiële toernooien voortaan deelnemen in de leeftijdscategorie tot vijfenveertig jaar. Ik kies echter voor het kleine interne clubtoernooi dat tijdens de maand september plaatsvindt, waar ik deelneem in de laagste categorie en drie poulewedstrijden zal spelen.

“Mijn wankele opslag zorgt ervoor dat ik nog altijd op drijfzand tennis.”

Mijn eerste tegenstander, een veertiger, heb ik de voorbije maanden regelmatig zien tennissen. Ook hij volgde lessen, op dezelfde dag en hetzelfde uur als ik, maar op het terrein naast het onze. Ik taxeerde zijn slagen en lette op zijn service. Zijn medeleerlingen waren geen beginners. Ze speelden krachtig en goed, en leerden onder meer hoe een drive volley te spelen. Daartoe zijn wij in onze groep nooit gekomen. Ik ben op mijn hoede. Mijn wankele opslag zorgt ervoor dat ik nog altijd op drijfzand tennis. Er is geen stabiele basis. Op de dag van de wedstrijd schijnt de zon, dus spelen we buiten, op het gravel. Tot mijn verbazing kom ik geen moment in de problemen. Ik moet amper één game toestaan. Achteraf, tijdens het vegen van de court, lonk ik naar hem. Zijn hoofd is verscholen tussen zijn schouders, zijn rug is gekromd en hij sloft heen en weer met het sleepnet achter zich aan. Ik voel de zon op mijn gelaat en kan een glimlach niet onderdrukken. Nog altijd kan ik het beeld moeiteloos boetseren.

Een week later ontmoet ik mijn tweede tegenstander. Hij is opnieuw zo’n tien jaar ouder dan ik en slaat elke bal, forehand en backhand, met slice. De wedstrijd is echter vlug voorbij. Na drie spelletjes blesseert hij zich aan het been en moet noodgedwongen de match staken. Het betekent dat de derde groepswedstrijd zal beslissen over winst of verlies in het minitoernooi. Daarvoor speel ik tegen een ervaren clublid. Hij is een jonge zestiger en zijn dubbelklassement is drie trapper hoger dan het mijne. Enkelspel speelt hij echter zelden of nooit. Net zoals ik heeft hij zijn eerdere wedstrijden gewonnen. De eerste keer verloor hij vijf spelletjes, de tweede keer vier.

“Meer dan met zijn dwingende opslag kruipt hij onder mijn vel door zijn totale afwezigheid van dorstlust. Niet één keer tijdens onze twee uur durende wedstrijd zal hij een slok water drinken.”

Tijdens de eerste set onderga ik het spel. Hij speelde ooit op hoger niveau volleybal en beschikt over een sterke opslag, hard en uitstekend geplaatst. Hij kijkt vooraf waar ik me positioneer om zijn service te ontvangen en speelt daar perfect op in. Tijdens het spel focust hij voortdurend op mijn zwakke backhand. Ik verlies de set kansloos met 6-1.

Voor mijn winstkansen geef ik geen cent meer. Meer dan met zijn dwingende opslag is hij onder mijn vel gekropen door zijn totale afwezigheid van dorstlust. Terwijl ik na iedere twee games smacht naar een oase, tennist hij vrolijk verder. Niet één keer tijdens onze twee uur durende wedstrijd zal hij een slok water drinken.

In de tweede set kan ik dominanter tennissen en ga in het derde game door zijn opslag. Ik serveer steeds beter en win de set met 6-4. Dat betekent dat een matchtiebreak de beslissing zal brengen. Wie als eerste tien punten haalt, met een verschil van twee punten, wint de wedstrijd. Dan gebeurt wat twee jaar lang geen enkele keer, niet in het enkelspel en niet in het dubbelspel, heeft plaatsgevonden. Tijdens de allesbeslissende punten voel ik me mentaal en fysiek sterker. In plaats van af te brokkelen als een ruïne, lijm ik aan elkaar. Het wordt 10-4. Ik win een wedstrijd die ik twaalf maanden eerder nooit had kunnen winnen.

Als we samen de tennisbaan verlaten en de cafetaria opzoeken, vertelt hij me dat dit zijn allerlaatste wedstrijd is geweest. Een volgend winterseizoen komt er niet. Ik daarentegen ben nog lang niet de tennisspeler die ik wil zijn, maar ik heb de voorbije vierentwintig maanden meer nieuwe mensen leren kennen dan het decennium voordien. Waarom heb ik zolang gewacht?

In de auto open ik de enveloppe die ik als toernooiwinnaar heb ontvangen.

‘ENKEL HEREN. WINNAAR. WAARDEBON 20 EURO.’

Ik ben een tennisspeler, een tennisspeler met prijzengeld.

Ik ben zielsgelukkig.