Column | Ouverture

Voetbal is in jaargangen met een groot toernooi een draaimolen waar je niet kunt en ook niet wilt afstappen. Dus keek ik gisterenavond alweer naar de Supercup tussen Club Brugge en Standard. Het werd aanvankelijk een gezapige en gesloten oefengalop die alle tekenen vertoonde van een klasreünie.

Een herkenbaar Standard speelde tegen een Club met nieuwkomers Mats Rits, Karlo Letica en Arnaut Danjuma in het basisteam. Vooral de laatste twee vielen op. En Hans Vanaken. Opnieuw Hans. Het is duimen dat scouts Brugge hebben bezocht met voordien leeg geschreven pennen. Halfweg hoorde ik de echo’s van een kampioensploeg op driekwartsnelheid.

Hét hoogtepunt van de avond vond al voor aanvang van de wedstrijd plaats: de terugkeer van Michel Preud’homme. In de catacomben wuifde MPH naar oude bekenden als een zonnekoning. Het was een schouwspel van intense omhelzingen en stevige handdrukken. Plagerijen en glimlachen alom.

De trainer Michel Preud’homme heet een prijzenpakker te zijn. Om beter te doen dan zijn voorganger Ricardo Sá Pinto moet hij, tien jaar na de laatste, de landstitel opnieuw naar Luik brengen. Die uitdaging is groot, maar niet onmogelijk. Eén strijd zal MPH alvast niet winnen: de prijs voor de coach met de fraaiste haardos heeft Sá Pinto meegenomen naar het zuiden.

Longread | De zomer van 1994

Tijdens de zomer van 1994 marcheerden over het uitgestrekte veld achter ons huis twee maaidorsers. Ze waren geel van kleur en hadden grote grijparmen en een bolle kont. Hun geroezemoes gaf het open landschap een soort sereniteit. De machines waren als shoppende dames. Volgeladen leverden ze hun buit af bij een oude tractor met een groene kar. Het daaropvolgende jaar was een van de maaidorsers verdwenen. In mijn fantasie genoot de machine van een verdiend pensioen in een hangar. Aan een maaidorserkerkhof durfde ik niet te denken. Later verdween ook de tweede maaidorser. Ze werden vervangen door twee blinkende hoekige bulldozers die een hels kabaal maakten. Zielloos bolden ze heen en weer en zetten niet langer aan tot fantaseren. Ze deden simpelweg waarvoor ze waren gemaakt: tarwe oogsten. Niets meer.

Diezelfde zomer namen de Rode Duivels deel aan het wereldkampioenschap voetbal in de Verenigde Staten. Ik herinner me levendig de openingswedstrijd tussen Duitsland en Bolivië. Marco Etcheverry, de ster van het Boliviaanse team, startte op de bank. De middenvelder viel tien minuten voor het affluiten in en kreeg drie minuten later de rode kaart, wat meteen het einde van zijn toernooi betekende. Jürgen Klinsmann scoorde het enige doelpunt. Wanneer ik mijn ogen sluit, dan kan ik de World Cup afspelen als een diareeks. Ik zie het frivole Nigeria met Rashidi Yekini en Daniel Amokachi, de stoere Bulgaren met Hristo Stoichkov en de inmiddels overleden Trifon Ivanov, die op zijn Paniniplaatje alle mogelijke richtingen uitkijkt. Ik zie het laatste kunstje van Diego Maradona tegen Griekenland, de Italiaanse finaletranen van Roberto Baggio en het wieggebaar in drievoud uitgevoerd door Romário, Mazinho en Bebeto.

“Vier jaar eerder, tijdens de Mondiali in Italië, was alles wazig. Het doelpunt van David Platt verdween tussen de plooien van mijn herinneringen.”

De wereldbeker van 1994 is de eerste waarvan ik de wedstrijden van Rode Duivels ten volle beleefde. Vier jaar eerder, tijdens de Mondiali in Italië, was alles wazig. Ik heb enkel een vage gedachte aan het vrijetrapdoelpunt van Patrick Vervoort in de wedstrijd tegen Spanje. Ik weet dat ik de achtste finale tussen België en Engeland heb gezien, maar het doelpunt van David Platt is verdwenen tussen de plooien van mijn herinneringen. De televisiebeelden roepen geen emotie op. Neen, de World Cup in de Verenigde Staten is mijn eerste echte wereldbeker, en daar genoot ik ten volle van. In de aanloop naar het toernooi verzamelde ik alles wat ik over de Rode Duivels te pakken kon krijgen: mutsen, sjaals, poppetjes, bierglazen, Coca Cola-blikjes. En ik kreeg van mijn moeder en vader ook mijn allereerste voetbalshirt. Knalrood van Diadora met op de mouwen het zwart, geel en rood van de Belgische vlag.

Tijdens de eerste groepswedstrijd tegen Marokko traden de Rode Duivels aan in hun witte uitrusting. Ik supporterde thuis mee met mijn moeder en vader. We juichten toen Marc Degryse al in de elfde minuut het enige doelpunt van de wedstrijd scoorde. De daaropvolgende groepswedstrijd tegen Nederland viel samen met het laatste verjaardagsfeestje van het schooljaar. We ambeteerden de buurman en aten frieten aan een kraampje dat niets anders was dan een open keukenvenster. In de woonkamer zagen we met zijn allen op het televisiescherm Philippe Albert de bal aan de tweede paal binnenschuiven. De euforie doofde pas enkele dagen later toen onze jongens bij het doelpunt van de Saoedi Saeed Al-Owairan smolten als tinnen soldaatjes.

“Thomas Helmer tackelde Josip Weber duizenden kilometers van ons af, maar het voelde alsof het in onze achtertuin gebeurde.”

Ook de achtste finale tegen Duitsland keek ik samen met een klasgenoot. We vloekten toen de Zwitserse scheidsrechter Kurt Röthlisberger geen strafschop floot wanneer Thomas Helmer Josip Weber onderuit schoffelde. Het speelde zich duizenden kilometers van ons af, maar het voelde alsof de tackle in onze achtertuin gebeurde. Er was geen weg terug. Voor de Rode Duivels was de wereldbeker voorbij.

Ik daarentegen hield mijn routine aan. Elke ochtend fietste ik in alle vroegte naar de enige krantenwinkel van het dorp. Ik kocht er Het Laatste Nieuws en ging vervolgens thuis, of bij mijn grootmoeder, aan de tuintafel zitten waar ik alle artikels en het wedstrijdschema van de dag doornam. Er waren geen sociale media. Ik had geen toegang tot het internet. Het waren, erop terugkijkend, momenten van intens geluk.

“Eden Hazard, Romelu Lukaku en Vincent Kompany lijken personages uit een feuilleton. Ik ontbreek de blik van een kind om hen helemaal aan de borst te drukken.”

Zo beleefden wij, de kinderen van het dorp met geboortejaar 1982, de wereldbeker in de Verenigde Staten. Wij die weldra zouden uitzwermen. Geen juffen en meesters meer, gauw spraken we onze leraressen en leraren aan met ‘mevrouw’ en ‘mijnheer’ en wisten we niet langer waar ze woonden en met welke auto ze reden. En hoewel de Rode Duivels vandaag nooit eerder zoveel talent telden, lijken ze zo veraf te staan van de boys next door die in 1994 op onze Coca Cola-glazen stonden en een poging deden het wereldbekerlied in te zingen. Eden Hazard, Romelu Lukaku en Vincent Kompany, ze zijn ongrijpbaar. Ik zie hen op mijn televisiescherm als personages uit een feuilleton. Ik ontbreek de blik van een kind om hen helemaal aan de borst te drukken.

Kon ik de tijd bevriezen, dan zou het altijd de zomer van 1994 zijn. Het is in mijn herinnering een soort Nooitgedachtland waarin ik als een Peter Pan eeuwig zou kunnen ronddwalen. Die zomer stond onze totale zorgeloosheid op losse schroeven en we wisten het zelf niet.

Ik besefte het pas jaren later. De maaidorsers met een bolle kont, dat waren wij.

Column | Een zoektocht naar perfectie

Er is geen beter tijdstip om de ruim tweeduizend planten in de Sheffield Winter Garden te bezichtigen dan tijdens de tweede helft van de maand april. Dan bouwt de BBC er tijdens het wereldkampioenschap snooker een kleine televisiestudio en dat levert fantastische beelden op. Een gezette Brit hijgt in de hals van presentatrice Hazel Irvine. Oud-wereldkampioen John Parrott grapt en grolt. Zesvoudig wereldkampioen Steve Davis toont op de oefentafel hoe het had moeten zijn en lardeert het pomeransgeaai met deskundigheid. En af en toe wordt een quizje gespeeld. Zo gaat het elk jaar opnieuw. Snooker kijk je op de BBC. En snooker kijk je in stilte. Gesprekken gebeuren hoogstens op vezeltoon. De enige zin die je thuis luider de kamer inblaast is een interpretatie van John Virgo’s ‘Where’s the cue ball going?

De kleine Surrey Street en het Tudor Square scheiden de Winter Garden van het Crucible Theatre. Wat het Centre Court van Wimbledon is voor tennis, is The Crucible voor snooker: het heiligdom der heiligdommen. Zodra jongens een eerste keu in hun kleine kinderhanden krijgen gestopt, dromen ze slechts van één ding: op een dag aangekondigd worden in The Crucible.

“Al verliest Ronnie O’Sullivan in de eerste ronde, dan nog denk je op de laatste dag: ‘Daar had Ronnie moeten staan.”

Het wereldkampioenschap telt 32 deelnemers. Toch draait alles om één man: Ronnie O’Sullivan. Al verliest Ronnie in de eerste ronde, dan nog denk je op de laatste dag: ‘Daar had Ronnie moeten staan.’ Voor Ronnie is de keu geen werkinstrument; het is het verlengde van zijn arm en brein. Ronnie is zo goed dat jaloezie bij tegenstanders om de hoek kan komen loeren. Toch is dat niet het geval. Ronnie is immers ook mens, want hij is een beetje gek. Af en toe is Ronnie alles beu. Dan stopt hij midden in een frame of houdt er enkele maanden mee op. In 2013 speelde hij in de aanloop naar het wereldkampioenschap één wedstrijd. In Sheffield kwam Ronnie vervolgens zijn titel verdedigen. Hij opende het wereldkampioenschap en sloot het voor een vijfde keer als winnaar af. Alsof hij gauw bij de bakker om de hoek een brood ging halen.

“Snooker is een eindeloze strafschoppenreeks. Missers worden genadeloos afgestraft en de veroordeling bestaat uit een stilleven in de spelersfauteuil.”

Ik kan Ronnie wel begrijpen. Het snookerbestaan is een mentale beproeving. Snooker is een eindeloze strafschoppenreeks. Missers worden genadeloos afgestraft en de veroordeling bestaat uit een stilleven in de spelersfauteuil. De Australische schrijver Clive James vergeleek snooker met schaken: ‘Whoever called snooker “chess with balls” was rude, but right.’ Joe Davis, vijftien keer wereldkampioen, beschreef het spelletje ooit als ’a game of simple shots played to perfection’. Perfectie. Dat is het woord. Die constante hang naar perfectie leidt vroeg of laat tot mentale droogte. En toch is dit het lot van elke snookerspeler.

Immers, enkel met de perfecte stoot laat de pocket zich bezwangeren.

Column | Het mooiste supportersgevoel

Na afloop van de verloren heenwedstrijd in de halve finales van de Beker van België deden manager, coach en kapitein van Club Brugge hun verhaal voor de televisiecamera’s. Ze vertelden allen hetzelfde: het is nog mogelijk. Dat zeiden ze niet omdat het moest, als was het een verplicht mediapraatje. Ze zeiden het omdat ze het écht meenden. Hun woorden bleven niet zonder gevolg; ze inspireerden. Ik loop immers al een week met een bijzonder gevoel rond.

“Heldenverhalen uit het verleden zijn de kapstokken voor de hoop van vandaag.”

Het gevoel zwelt dag na dag aan en uit zich in het fantaseren over allerlei scenario’s. Ik herken het bij medesupporters die ik lees op fora en social media en die ik beluister in gesprekken. Vreugde en ontgoocheling komen achteraf, wanneer elke bal is getrapt, alle gezangen zijn uitgestorven en de spanning is verdampt. Minstens even intens is de verwachting. Het is dan dat de ziel van de supporter kan koorddansen, krampachtig balanceren tussen realisme en naïviteit. Geloven in het haast onmogelijke. Ik vind het stiekem het mooiste supportersgevoel dat er bestaat.

Comebacks behoren tot het DNA van Club Brugge

Het is op zulke dagen dat je het Clubgevoel als een knus deken om je heen kunt wentelen. Hoe groter de uitdaging, hoe warmer de gloed. Heldenverhalen uit het verleden zijn de kapstokken voor de hoop van vandaag. Wie door de meer dan 125-jarige geschiedenis van Club Brugge bladert, weet dat comebacks tot het DNA van de Club behoren.

Wij weten: uit zware uitnederlagen worden mythische voetbalavonden geboren.

Al maanden domineert Club Brugge de vaderlandse competitie met wervend en dwingend voetbal. Vandaag zijn we even dat kleine Gallische dorpje omsingeld door de Romeinen. En hoe klein de kans ook is, laat onze waarden en onze geschiedenis onze toverdrank zijn.

Dan is alles mogelijk.

Longread | Memoires van een beginnend tennisspeler (5)

Lees hier de eerdere delen van ‘Memoires van een beginnend tennisspeler’.

Tijdens de zomer van 2017 vier ik mijn vijfendertigste verjaardag. In het enkelspel mag ik op officiële toernooien voortaan deelnemen in de leeftijdscategorie tot vijfenveertig jaar. Ik kies echter voor het kleine interne clubtoernooi dat tijdens de maand september plaatsvindt, waar ik deelneem in de laagste categorie en drie poulewedstrijden zal spelen.

“Mijn wankele opslag zorgt ervoor dat ik nog altijd op drijfzand tennis.”

Mijn eerste tegenstander, een veertiger, heb ik de voorbije maanden regelmatig zien tennissen. Ook hij volgde lessen, op dezelfde dag en hetzelfde uur als ik, maar op het terrein naast het onze. Ik taxeerde zijn slagen en lette op zijn service. Zijn medeleerlingen waren geen beginners. Ze speelden krachtig en goed, en leerden onder meer hoe een drive volley te spelen. Daartoe zijn wij in onze groep nooit gekomen. Ik ben op mijn hoede. Mijn wankele opslag zorgt ervoor dat ik nog altijd op drijfzand tennis. Er is geen stabiele basis. Op de dag van de wedstrijd schijnt de zon, dus spelen we buiten, op het gravel. Tot mijn verbazing kom ik geen moment in de problemen. Ik moet amper één game toestaan. Achteraf, tijdens het vegen van de court, lonk ik naar hem. Zijn hoofd is verscholen tussen zijn schouders, zijn rug is gekromd en hij sloft heen en weer met het sleepnet achter zich aan. Ik voel de zon op mijn gelaat en kan een glimlach niet onderdrukken. Nog altijd kan ik het beeld moeiteloos boetseren.

Een week later ontmoet ik mijn tweede tegenstander. Hij is opnieuw zo’n tien jaar ouder dan ik en slaat elke bal, forehand en backhand, met slice. De wedstrijd is echter vlug voorbij. Na drie spelletjes blesseert hij zich aan het been en moet noodgedwongen de match staken. Het betekent dat de derde groepswedstrijd zal beslissen over winst of verlies in het minitoernooi. Daarvoor speel ik tegen een ervaren clublid. Hij is een jonge zestiger en zijn dubbelklassement is drie trapper hoger dan het mijne. Enkelspel speelt hij echter zelden of nooit. Net zoals ik heeft hij zijn eerdere wedstrijden gewonnen. De eerste keer verloor hij vijf spelletjes, de tweede keer vier.

“Meer dan met zijn dwingende opslag kruipt hij onder mijn vel door zijn totale afwezigheid van dorstlust. Niet één keer tijdens onze twee uur durende wedstrijd zal hij een slok water drinken.”

Tijdens de eerste set onderga ik het spel. Hij speelde ooit op hoger niveau volleybal en beschikt over een sterke opslag, hard en uitstekend geplaatst. Hij kijkt vooraf waar ik me positioneer om zijn service te ontvangen en speelt daar perfect op in. Tijdens het spel focust hij voortdurend op mijn zwakke backhand. Ik verlies de set kansloos met 6-1.

Voor mijn winstkansen geef ik geen cent meer. Meer dan met zijn dwingende opslag is hij onder mijn vel gekropen door zijn totale afwezigheid van dorstlust. Terwijl ik na iedere twee games smacht naar een oase, tennist hij vrolijk verder. Niet één keer tijdens onze twee uur durende wedstrijd zal hij een slok water drinken.

In de tweede set kan ik dominanter tennissen en ga in het derde game door zijn opslag. Ik serveer steeds beter en win de set met 6-4. Dat betekent dat een matchtiebreak de beslissing zal brengen. Wie als eerste tien punten haalt, met een verschil van twee punten, wint de wedstrijd. Dan gebeurt wat twee jaar lang geen enkele keer, niet in het enkelspel en niet in het dubbelspel, heeft plaatsgevonden. Tijdens de allesbeslissende punten voel ik me mentaal en fysiek sterker. In plaats van af te brokkelen als een ruïne, lijm ik aan elkaar. Het wordt 10-4. Ik win een wedstrijd die ik twaalf maanden eerder nooit had kunnen winnen.

Als we samen de tennisbaan verlaten en de cafetaria opzoeken, vertelt hij me dat dit zijn allerlaatste wedstrijd is geweest. Een volgend winterseizoen komt er niet. Ik daarentegen ben nog lang niet de tennisspeler die ik wil zijn, maar ik heb de voorbije vierentwintig maanden meer nieuwe mensen leren kennen dan het decennium voordien. Waarom heb ik zolang gewacht?

In de auto open ik de enveloppe die ik als toernooiwinnaar heb ontvangen.

‘ENKEL HEREN. WINNAAR. WAARDEBON 20 EURO.’

Ik ben een tennisspeler, een tennisspeler met prijzengeld.

Ik ben zielsgelukkig.

Longread | Memoires van een beginnend tennisspeler (4)

Je kunt hier de eerdere delen van ‘Memoires van een beginnend tennisspeler’ lezen.

Op 1 januari 2017 beslis ik dat het anders moet. Op de weegschaal is ruim 82 kilogram af te lezen, meer dan ooit tevoren. Snelle koolhydraten en frisdrank behoren tot het verleden en ik wil meer bewegen. In mijn bureel installeer ik een hometrainer die mijn ouders twintig jaar geleden voor mijn vader hebben gekocht. Het ding is grijs en wit en waggelt als je erop gaat zitten. Voor het ontbijt ga ik een halfuur fietsen. Wanneer ik voetbal kijk, dan fiets ik. Wanneer ik tennis kijk, dan fiets ik. Ook ’s nachts. Als ik wakker word en niet meteen opnieuw de slaap kan vatten, dan hoor ik de lokroep van de hometrainer. Ik kruip even uit bed, ga fietsen, neem een douche en ga terug slapen. Het is een obsessie geworden. Tegen eind april staat de teller op min acht kilogram. Tegen de zomer heb ik mijn streefgewicht van zeventig kilogram bereikt. Waar ik enkele maanden geleden tijdens een enkelwedstrijd mezelf na elk punt puffend terug naar de basislijn sleepte, kan ik inmiddels moeiteloos twee uur na elkaar intensief tennissen. Ik voelde me nooit fitter.

***

“In de ogen en aan de lichaamstaal van mijn medeleerlingen is plezier af te lezen. Zij zijn hier voor een gezellig onderonsje, een theekransje met een tennisracket.”

Tijdens het voorjaar schrijf ik me in voor de tennislessen die de club organiseert. Onze groep bestaat uit drie. De anderen, moeder en dochter, zijn absolute beginners. In hun ogen en aan hun lichaamstaal is plezier af te lezen. Zij zijn hier voor een gezellig onderonsje, een theekransje met een tennisracket. Ik brand van ongeduld. Tijdens de acht keer dat we op woensdagavond gedurende een uur zullen samenkomen wil ik zoveel mogelijk leren. Onze leraar is een jonge twintiger en als B-speler een van de sterspelers van de club.

“Ik tennis als een houthakker, iemand die met een botte bijl grote hompen hout in stukken slaat.”

Het duurt niet lang voor ik met al mijn onvolmaaktheden wordt geconfronteerd. De tennisleraar zegt het niet, maar ik zie wat hij denkt: die man speelt als een houthakker, iemand die met een botte bijl grote hompen hout in stukken slaat. Ik moet de bal strelen en onder de bal kruipen. Bij het volleren stap ik met de verkeerde voet naar voren en hou mijn tennisracket te laag. Ik moet een split step uitvoeren en de bal rustig wegleggen zegt hij, terwijl hij het voordoet. Mijn eenhandige backhand is een losgeslagen armzwaai – de timing zit volledig verkeerd. Maar het ergste is het gesteld met mijn opslagbeweging. De opgooi is veel te laag en tijdens de beweging laat ik het racket te weinig in mijn nek vallen. Met de instructies van de trainer in het achterhoofd onderneem ik verschillende pogingen. Het voelt als leren lezen. Heel aarzelend puzzel ik de aanwijzingen in elkaar. Haast altijd vliegt de bal mijlenver uit of belandt onder in het net. ‘Het is moeilijk als je al wat ouder bent,’ zegt hij met een uitgestreken gezicht. Zijn woorden hakken er stevig in.

“Wanneer ik ’s nachts wakker word, sla ik, liggend op mijn rug, mijn backhand in het ijle.”

Net als tijdens mijn dieet vertoon ik obsessief gedrag. De lessen blijven door mijn hoofd dansen. Het gebeurt tijdens het werk, tijdens het douchen, en ook wanneer ik in het midden van de nacht wakker word. Ik sla, liggend op mijn rug, mijn backhand in het ijle. Ik bekijk tientallen YouTube-filmpjes. Ik kijk naar de profspelers: naar hun houding, naar hun techniek en welk been ze als voorste plaatsen bij het spelen van een forehand- en backhandvolley. Ook dan ben ik ongeduldig: ik spoel door bij instructies en wil enkel beelden zien.

Wanneer ik de daaropvolgende maanden opnieuw wekelijks op donderdagavond tegen mijn vaste dubbelpartner speel, probeer ik los te laten. Ik mag niet denken aan winnen. Ik moet werken aan mijn techniek. Het punt opbouwen en niet meteen voor de winner willen gaan. Ik had mezelf tot juli gegeven om alles onder de knie te hebben. Die deadline ben ik voorbij. Ik voel voor de allereerste keer het ondenkbare: mijn zin in het spelletje is kleiner geworden.

Lees hier het laatste deel van ‘Memoires van een beginnend tennisspeler’.

Longread | Memoires van een beginnend tennisspeler (3)

Je kunt hier de eerdere delen van ‘Memoires van een beginnend tennisspeler’ lezen.

Enkele maanden na mijn debuut vindt in onze tennisclub een dubbeltoernooi plaats. Samen met mijn vaste tennispartner, met wie ik het dinsdaguurtje volmaak en intussen een twaalftal uren samen op de baan heb gestaan, neem ik deel. We zijn steeds beter op elkaar ingespeeld geraakt. Hij serveert goed, zijn backhand is heel stabiel en hij is, zoals mij was voorspeld, aalvlug. Ik kan inmiddels doorduwen met de forehand en onze goede reflexen zorgen ervoor dat we aan het net heel wat punten scoren. Ook ons spelinzicht is een stuk beter geworden. We raken niet meer voortdurend verstrikt in het tactische web dat onze tegenstanders voor ons spannen. Tijdens het dubbeluurtje winnen we steeds vaker een set.

“Wanneer ik onze tegenstanders in levenden lijve zie, doen ze me qua postuur denken aan Laurel en Hardy.”

We nemen deel in de laagste reeks, maar ook daar zijn we complete groentjes. Zo zijn we in de toernooitabel het enige duo met de lettercombinatie ‘N.G.’ naast onze namen, wat ‘Niet Geklasseerd’ betekent. Twee dagen voor aanvang van het toernooi vindt een computerloting plaats. Op de website van Tennis Vlaanderen zie ik voor het eerst de namen van onze tegenstanders. Ik bekijk hun leeftijden en hun speelgeschiedenis. Ze hebben de voorbije jaren heel wat toernooien gespeeld. Wanneer ik hen enkele dagen later in levenden lijve zie, doen ze me qua postuur denken aan Laurel en Hardy. ‘Het is Wimbledon niet,’ zegt één van hen alvorens we de opwarming starten, waarmee hij wil zeggen dat het vooral om het plezier gaat. Ik besluit zijn uitspraak te onthouden. Voortaan zal ik ze herhalen voor elke officiële wedstrijd die ik speel.

“Vandaag sta ik bij hen bekend als degene die elk game één of twee dubbele fouten slaat. Het is mijn grote zwakte, onze zwakte als team.”

Ik heb veel gehoord en gelezen over het mentale aspect van het tennisspel. Nu onderga ik het allemaal. Ik ben het tekstboekvoorbeeld van de choker. Ik voel in elke slag het korte armpje, zoals dat in tennistermen heet. Hoewel de intensiteit niet heel hoog is en we het tempo goed kunnen volgen, speel ik met de handrem op. Ik durf mijn slagen niet te lossen uit schrik in de fout te gaan. Maar erger is dat mijn opslag niet draait. Tijdens het dinsdaguurtje was mijn service veel beter geworden, maar vandaag sta ik bij onze tegenstanders bekend als degene die elk game één of twee dubbele fouten slaat. Het is mijn grote zwakte, onze zwakte als team. We verliezen de eerste set met 6-2. Tijdens de kampwissels peppen we elkaar op. In de tweede set staan we gauw 5-2 achter. Met de rug tegen de muur spelen we bevrijd. We komen terug tot 5-5, maar verliezen de set alsnog met 7-5. Ik ben ontgoocheld in mezelf.

In bed kan ik de slaap moeilijk vatten. De hele wedstrijd speelt zich voor mijn ogen af, ik kan me elk moment minutieus herinneren. Elke keer ik goed anticipeerde aan het net, elke keer ik een rally kon beslechten met een winnende forehand, maar vooral elke gemiste kans. De dubbele fouten zitten me dwars. Laurel en Hardy zullen nog de hele nacht als spoken opdoemen.

***

“Ik bekijk mijn dubbelpartner nu op een andere manier. Hij is een counterpuncher en de trage gravelondergrond zorgt ervoor dat hij nog méér ballen kan terugbrengen.”

Tijdens het zomerseizoen van 2016, dat loopt van april tot en met september, speel ik voor het eerst enkelwedstrijden, telkens tegen mijn vaste dubbelpartner die al vier jaar tennist. Ik speel de eerste keer op gravel en dat bevalt me matig. De vele valse botsen zinnen me niet. Ik bekijk mijn dubbelpartner voortaan op een andere manier. Hij is een volbloed counterpuncher en de trage gravelondergrond zorgt ervoor dat hij nog méér ballen kan terugbrengen. Ook de aanpassing aan het enkelspel is groot. Zo moet ik voortdurend mijn backhandzijde beschermen, en omdat ik nauwelijks mijn backhand durf door te slaan, doe ik niets anders dan de bal terug te slicen. Ik probeer heel aanvallend te spelen, maar mijn voetenwerk is een ramp. Niet zelden wanneer ik naar het net oploop, kom ik met mijn passen helemaal verkeerd uit.

“Qua spelniveau heb ik vooruitgang geboekt, maar op fysiek vlak ben ik een ramp geworden.”

In onze wedstrijdjes zijn we nagenoeg gelijkwaardig. Een set eindigt vaak in een tiebreak. De lange wedstrijden zorgen ervoor dat er heel veel moet worden geserveerd, wat mijn opslag ten goede komt. Het liefste speelde ik elke dag uren aan een stuk – we zijn niet langer gebonden aan het vaste dinsdaguurtje – maar dat kan niet. Ik ben bezig met het schrijven van mijn eerste boek en de deadline ligt op half augustus.

Na afloop van het zomerseizoen zit mijn eerste jaar als tennisspeler erop. Qua spelniveau heb ik vooruitgang geboekt, maar op fysiek vlak ben ik een ramp geworden. De stress van het boek heeft voor extra kilogrammen gezorgd (en rijstwafels met aan de ene zijde een chocoladelaag). Ik weeg vijf kilogram meer dan enkele maanden geleden, twaalf meer dan tijdens mijn studententijd en dat kan ik niet laten gebeuren als ik mijn uiteindelijke doel wil bereiken: alsnog een deftig tennisspeler worden.

Lees hier deel 4 van ‘Memoires van een beginnend tennisspeler’.

Longread | Memoires van een beginnend tennisspeler (2)

Je kunt hier deel 1 van ‘Memoires van een beginnend tennisspeler’ lezen.

Ik was een tafeltennisspeler. Dat kwam zo. Ik ging met de schoolbus naar de lagere school. Tijdens het wachten speelden we bij de overburen in hun garage tafeltennis. Elke ochtend. Ik deed het graag en schijnbaar ook goed. Ik werd lid van een tafeltennisclub, zat tijdens mijn middelbareschooltijd in de schoolploeg en won verschillende keren het toernooi dat begin oktober tijdens de jaarlijkse wijkfeesten in de gemeente werd georganiseerd. En toch, toch wou ik nooit Jean-Michel Saive zijn en stond ik in onze garage nooit tegenover hem wanneer de tafeltennistafel half was dichtgeklapt. Neen, in mijn fantasie nam ik het op tegen Pete Sampras, Andre Agassi, Stefan Edberg, Jim Courier en Boris Becker. Zij speelden tennis.

“De oude Becker had een baard gekweekt en die machtige opslagbeweging was minder stabiel geworden. Hij sjokte over de court.”

Becker was mijn tennisheld. Niet de jongen van zeventien uit Leimen die in 1985 Wimbledon won en daarmee op slag een wereldster was geworden. Het was begin jaren negentig en zijn glorieperiode was voorbij. Ik was veroordeeld tot de oude Becker, de man die inmiddels tegen de dertig aanliep, een baard had gekweekt en wiens machtige opslag minder stabiel was geworden. Ik was fan van een man die sjokte over de court. In 1995 hoopte ik Becker eindelijk een grandslamtoernooi te zien winnen. Tijdens Wimbledon versloeg hij in de halve finales Andre Agassi. In de finale wachtte Pete Sampras. Becker won nog wel de eerste set in een tiebreak, maar terwijl ik steeds vlugger door de woonkamer ijsbeerde, serveerde Sampras zich naar de titel.

Mijn geduld werd op de proef gesteld, tot enkele maanden later Becker het ook bijzonder goed deed tijdens de Australian Open. In het weekend stond ik vroeger op en op woensdagmiddag hoopte ik in het huis van mijn grootmoeder, terwijl we zoals altijd balletjes in tomatensaus aten, op Eurosport nog de laatste wedstrijd van de avondsessie mee te pikken. Ik herinner me van het hele toernooi drie wedstrijden. Alleswinnaar Pete Sampras verloor in de derde ronde van Mark Philippoussis, een jonge thuisspeler, waardoor, zoals dat mooi heet, de bovenste tabelhelft zich opende. Becker speelde in de halve finales dus niet tegen Sampras maar tegen Mark Woodforde, een dubbelspecialist. Becker verloor amper zes games en plaatste zich voor een nieuwe grandslamfinale. Daarin werd verrassend niet Andre Agassi, maar de Amerikaan Michael Chang de tegenstander. Chang had zeven jaar eerder Roland Garros gewonnen, onder meer door een memorabele wedstrijd tegen Ivan Lendl, en stond toch vooral bekend als gravelspecialist. Kortom, Becker was favoriet. Op zondagvoormiddag bekeek ik uitgesteld de finale – de wedstrijd was de nacht voordien gespeeld. Becker deed wat ik niet gedacht had ooit nog te zullen zien: hij won een grandslamtoernooi. Zijn zesde, mijn eerste. Op het Centre Court pronkte hij met de beker. Het voelde onwerkelijk.

“Mijn tenniscourt bestond uit de tegels van het terras, geordend in rechte lijnen. Met het handvat van de garagepoort bepaalde ik de hoogte van het net.”

Tijdens diezelfde wintermaanden – mijn indoorseizoen in de garage – gebruikte ik mijn tafeltennispalet en een tennisbal in mousse om mijn tenniskriebels te uiten – een tennisracket was te groot voor de ruimte. Wanneer het weer beter werd en het daglicht langer scheen, trok ik opnieuw naar de andere kant van de garagepoort. Uren mepte ik er de gele balletjes in mousse tegenaan. Met het handvat bepaalde ik de hoogte van het net. Mijn tenniscourt bestond voorts uit de tegels van het terras, perfect geordend in rechte lijnen. Om de twee spelletjes ging ik zitten in de tuinstoel die ik naast mijn court had geplaatst, ik nam een slok water en stond op voor het volgende game. Tijdens Wimbledon verhuisde ik mijn court naar het grasveld in de tuin. De muur werd mijn tegenstander, krachtiger en minder wispelturig dan het oneffen oppervlak van de garagepoort. Nooit was ik in deze fantasiewereld nummer één op de wereldranglijst. Ik was altijd nummer drie en het maakte niet uit hoeveel grandslamfinales ik won, altijd bleef ik nummer drie. Alsof de fantasie nog een greintje realisme moest bevatten. Of ik voelde me prettig bij de underdogrol.

“Becker verloor van Patrick Rafter en nam afscheid van het tennis. Ik zei Becker vaarwel en vouwde mijn tenniscourt dicht.”

Die underdogrol zou ook Boris Becker tijdens de tweede helft van de jaren negentig vervullen. Hij kampte steeds vaker met blessures, en wanneer hij nog een keer op de baan verscheen, gebeurde dat tijdens Wimbledon. Becker verloor in 1999 in de vierde ronde van Patrick Rafter en nam afscheid van het tennis. Ik zei Becker vaarwel en vouwde mijn tenniscourt dicht. Tennis verdween naar de achtergrond, tot twee jaar na Beckers afscheid een Zwitser met korte paardenstaart tijdens Wimbledon Pete Sampras versloeg. Met een vriend ging ik nog enkele keren tennissen in een naburige club waar we deden alsof het gratis was. Maar verder ging het niet.

Tafeltennis, de sport die toevallig op mijn pad was gekomen, speelde ik in het openbaar. Toch voelde ik dat mijn ware sportroeping zich weg van de tafel bevond, bij grotere rackets, thirty-love en de doordringende geur van een tennisbal. Er was immers geen sport ter wereld die ik liever beoefende dan tennis.

Je kunt hier deel 3 van ‘Memoires van een beginnend tennisspeler’ lezen.

Longread | Memoires van een beginnend tennisspeler (1)

Je kunt als dertigplusser niet blijven met een tennisracket een bal tegen een muur slaan, dus stap ik in november 2015, om kwart voor acht ’s avonds op een dinsdag, voor het eerst de tennisclub van mijn gemeente binnen. In mijn rechterhand draag ik een zwarte gitaarvormige tennistas. Daarin bevinden zich het tennisracket dat ik ruim tien jaar eerder heb gekocht – blauw met grijs frame en zwart handvat – en een paar zwarte tennisschoenen. Ik heb me helemaal in het zwart aangekleed. Behalve mijn tennisschoenen zijn ook mijn short, T-shirt, kousen en trainingsvest gitzwart. Zoals de nationale rugbyploeg van Nieuw-Zeeland. Ik voel de nood om extra zelfvertrouwen uit te stralen. Diep vanbinnen – ach, niet eens zo diep – ben ik immers bloednerveus. Ik ervaar dezelfde spanning als toen ik jaren geleden mijn praktisch rijexamen heb afgelegd: ik ken de regels van het spel, maar ik heb geen idee hoe ik zal reageren wanneer het erom gaat.

In de tennishal klinken de geluiden waarnaar ik heb verlangd: de typische plof wanneer racketsnaren een tennisbal raken, de scherpe klank van piepende schoenen, het lichte gekreun tijdens een lange rally en het gevloek na een misser. Clubleden lopen heen en weer. Af en toe zegt iemand ‘Goedenavond’. Ik antwoord hetzelfde of knik aarzelend. Waar zich de kleedkamers bevinden, weet ik niet, dus neem ik plaats op een laag stenen muurtje, tussen de planten. Ik wissel mijn versleten zwarte All Stars voor de tennisschoenen. Het is inmiddels vijf voor acht. Weldra zal ik tennis spelen.

“Ik heb mezelf een blind date bezorgd: ik weet niet wie ze zijn, wat hun leeftijd is, hoelang ze al tennis spelen en wat hun niveau is.”

Weken voordien heb ik mijn contactgegevens doorgegeven aan de voorzitter van de tennisclub. Ik zocht een tennispartner. De voorzitter zou bij enkele leden informeren. Enkele dagen geleden kreeg ik telefoon van een clublid. De man vertelde dat hij elke dinsdagavond dubbel speelt en dat zijn gezelschap voor het lopende winterseizoen één iemand tekortkomt. ‘Of ik wil meespelen?’ ‘Ja, natuurlijk. Ik zal er zijn,’ had ik zonder aarzelen gezegd, niet wetende waarin ik terecht zou komen. Ik had mezelf een blind date bezorgd: ik weet, behalve de mannenstem, niet wie ze zijn, wat hun leeftijd is, hoelang ze al tennis spelen en wat hun niveau is. Ik ben de nieuwkomer, een halve kluns, en misschien spelen zij wel heel erg goed. Toch overwon de goesting de angst. Dit was mijn kans. Terrein 13, daar zal ik debuteren.

“Terrein 13 is niet aangeduid, dus sta ik, iets voor acht, hulpeloos rond te kijken als een kind op een eerste schooldag.”

Terrein 13 bevindt zich helemaal achter in de tennishal. Vooraan liggen naast elkaar banen 10 en 11 en daarachter 12 en 13, tapijt als ondergrond in licht- en donkerblauwe kleuren. De voorste terreinen zijn aangeduid met vierkanten plakkaatjes in zwart en wit. Dat is niet zo voor 12 en 13, dus sta ik hulpeloos rond te kijken als een kind op zijn eerste schooldag. Het duurt tot twee mannen het terrein op komen wandelen. Terwijl ze hun rackets uit hun tassen halen, vraag ik hen of dit terrein 13 is. ‘Neen, dat is dáár,’ zeggen ze, terwijl ze beiden naar het terrein aan de overkant wijzen. Ik volg hun vingertoppen en zie een drietal in vol tennisornaat. Ik stap naar hen toe en ontmoet een man en een vrouw, beduidend ouder dan ik, samen goed voor ruim een halve eeuw tenniservaring. De derde persoon, waarvan ik later zou leren dat hij een leeftijdsgenoot is, wordt geïntroduceerd als iemand ‘die heel vlug kan lopen’. Hij zal vanavond mijn tennispartner zijn. We spreken af wie welke kant van de baan voor zijn rekening zal nemen: de forehandzijde (rechts) of backhandzijde (links). Omdat mijn tennispartner over een goede backhand beschikt en de rechterkant de makkelijkere zijde is, speel ik vanavond aan de forehandkant.

“Tijdens de eerste games heb ik moeite om het tempo te volgen. Ik krijg ook regelmatig een ace om de oren. Het vervalt echter in het niets bij dé uitdaging van de avond: bovenhands serveren.”

Tijdens de opwarming sla ik met licht trillende arm en op wankele benen de eerste ballen in mijn nieuwe tennisclub. Ik speel met zo weinig mogelijk risico en probeer de bal zo lang mogelijk in het spel te houden. Ik sla enkel forehands en loop zoveel als ik kan om mijn onbestaande backhand heen. Tijdens de eerste games van de wedstrijd heb ik moeite om het tempo te volgen. Ik krijg regelmatig een ace om de oren. Het vervalt echter in het niets bij dé uitdaging van de avond: bovenhands serveren. Wie niet bovenhands kan serveren, heeft op een dinsdagavond weinig te zoeken in een tennisclub.

Stiekem heb ik daarom de weken voordien in een naburige gemeente een tennisterrein bezocht. Niets groots, niet eens op een clubterrein. Ik bevond me op een veredelde parking waar op het beton enkele lijnen waren geschilderd en een net stond. Op YouTube had ik instructiefilmpjes bekeken met inspirerende titels als ‘How to hit fast tennis services’ en ‘How to effortlessly hit powerful tennis services’. Ik had ook geprobeerd in onze tuin te oefenen, maar dat werkte niet. Ik kon er niet voluit gaan. Pas op het beton deed ik de choreografie van de bovenhandse opslag in full flow: voorbereiding, opgooi, trofeehouding en slag. Stilaan ontdekte ik de juiste opgooi – ik gooide de bal aanvankelijk te ver naar achteren – en ook de snelheid van mijn service ging omhoog. Ik oefende ruim één uur. Een goede plaatsing was het verste van mijn gedachten. Mijn enige doel bestond erin de bal tegen een acceptabele snelheid over het net te krijgen en binnen het opslagvlak te laten landen. Daar slaagde ik steeds vaker in.

“Onze tegenstanders zijn goed op elkaar ingespeeld en roepen elkaar regelmatig instructies toe. Zij zijn één geheel. Wij spelen als kruimelende cake.”

Op baan 13 verliezen we de eerste set met 6-3. Ik sla elk opslaggame minstens één dubbele fout en kan geen enkele keer mijn service behouden. Het tempo ligt niet heel hoog en aan het net kan ik buigen op goede reflexen. Onze tegenstanders zijn goed op elkaar ingespeeld en roepen elkaar regelmatig instructies toe. Zij zijn één geheel. Wij spelen als kruimelende cake. In de tweede set staan we 4-2 achter. Dan verschijnt langs het terrein het kwartet dat het volgende uur heeft gereserveerd. Na afloop wisselen we zweterige handen uit en vertellen we elkaar dat we goed hebben gespeeld. Dat hoort zo.

Het is me gelukt. Ik heb het uur overleefd zonder me belachelijk te maken. Ik weet dat de volgende ochtend zal bestaan uit spierpijn over mijn hele lichaam. Toch kan ik me enkel overgeven aan dat overheersende gevoel: ik ben eindelijk thuisgekomen.

Je kunt hier deel 2 van ‘Memoires van een beginnend tennisspeler’ lezen.

In het spoor van de Front Wanderers

In het In Flanders Fields Museum in Ieper vond ik een kleine papieren oorlogsschat. Er was geknabbeld aan de randen en in het midden zat een zichtbare vouw. De foto van de Front Wanderers was er maanden eerder binnengebracht door de familie van Dominique Baes, een stoere verdediger van Cercle Brugge. Op de foto is hij de grootste van allemaal.

Bron: In Flanders Fields Museum | Ieper

Dominique Baes overleed in de nadagen van de Groote Oorlog, op 26 augustus 1918 om 18 uur, nadat hij een dag eerder werd geraakt door een kogel. Hector Goetinck, icoon van Club Brugge, was een van zijn beste vrienden. In zijn boek Voetbalanecdoten vertelt Goetinck hoe hij zijn vriend in de laatste uren bijstond. Hij beschrijft hem als een joviale en oprechte sportmakker, die het gezelschap altijd entertainde met zijn vertellingen uit de loopgraven.

“Op hun gezichten staat tijdelijke zorgeloosheid te lezen, even weg van het front. Weldra worden ze in een snikhete trein opnieuw naar de gruwel van de oorlog gebracht.”

De reizen met de Front Wanderers brengen Hector en Dominique naar Frankrijk, Italië, Engeland en Schotland. De ploeg wordt in 1917 samengesteld met de beste voetballers-soldaten. Ze komen uit alle hoeken van het land, van Antwerpen tot Sint-Gillis en van Brussel tot Brugge. Behalve Goetinck maken ook Clubspelers Charles Cambier en Félix Balyu deel uit van de militaire oorlogsploeg. Het Brugse trio heeft het gezelschap van Louis “Luigi” Van Hege, icoon van Union Sint-Gillis en op dat moment topspits van AC Milan.

Als prinsen in Italië

Ze voetballen in Milaan en Turijn. De Italianen ontvangen hen als prinsen. Hector Goetinck schrijft: ‘We waren de eerste Belgische soldaten die men daar te zien kreeg. Iedere Italiaan wou een speler mee naar huis nemen om hem te herbergen. We moesten dadelijk van het station naar de opera waar er een galavoorstelling gegeven werd ter onzer ere! We namen plaats in een loge, en werden stormachtig toegejuicht en beladen met bloemen.’ Op hun gezichten staat tijdelijke zorgeloosheid te lezen, even zijn ze weg van het front. Weldra worden ze in een snikhete trein opnieuw naar de gruwel van de oorlog gebracht.

Het Kanaal over

In het najaar van 1917 reizen de Front Wanderers met de boot van Calais naar Folkestone. Amper 48 uur nadat ze de loopgraven hebben verlaten, arriveert het gezelschap op 12 november om 14 uur in het treinstation Charing Cross. Op donderdag 15 november spelen de Front Wanderers, met Hector Goetinck als kapitein, op Stamford Bridge. Duizenden gevluchte landgenoten zitten in de tribunes. Twee dagen later staan de Belgen in Celtic Park, Clubspits Félix Balyu scoort het beslissende doelpunt.

De ploeg reist verder naar Manchester en Liverpool, waar ze met de grootste honneurs worden ontvangen. De Liverpool Echo omschrijft hen als ‘uitstekende dribbelaars en tactisch vaardig’. Tijdens hun tocht zamelen de Front Wanderers geld in voor het welvaren van hun collega-soldaten. Na de oorlog keren Goetinck, Cambier en Balyu als fysiek sterke mannen terug naar Brugge. Intussen hebben ze van het Brugsche spel, een combinatie van kick-and-rush met aandacht voor de flanken, hun handelsmerk gemaakt. Niet veel later zullen ze FCB op De Klokke de allereerste landstitel schenken.

Dit verhaal is een van de 125 verhalen in ‘de Club’, het boek naar aanleiding van 125 jaar Club Brugge, uitgegeven bij Lannoo. Meer weten over het boek en hoe je het kunt kopen? Je vindt hier alle informatie.