De boekenplank van de maand oktober

Ik vertel op deze website dat ik kamers vol oude sportboeken wil verzamelen. Elke maand bezoek ik kringloopwinkels en 2dehandsboekhandels. Ook snuister ik in de plooien van het internet. Ik zoek sportboeken en ben niet blind voor elpees en andere sportmemorabilia.

‘Michel Preud’homme’ | Dominique Paquet & Michel Dubois

Eind jaren 80 domineert KV Mechelen het Belgische voetbal en gooit ook in Europa hoge ogen. De club wint in 1987 de Beker van België en pakt tijdens het daaropvolgende seizoen de Beker der Bekerwinnaars. In 1989 wordt KV Mechelen ook voor de vierde keer landskampioen. Al die jaren is Michel Preud’homme bij de Mechelaars het betrouwbare sluitstuk.

Hoog tijd om dat in boekvorm te gieten dachten ze bij Uitgeverij JONAS. Dus kwam in 1990 ‘Michel Preud’homme’ op de markt, met Dominique Paquet en Michel Dubois als auteurs. Het levert een bescheiden biografie op met voorwoorden van John Cordier, destijds voorzitter van KV Mechelen, en Aad De Mos, tijdens de Mechelse succesjaren coach van KVM en in 1990 trainer van RSC Anderlecht.

Daarna volgen negen hoofdstukken een chronologische weg in het leven en de carrière van de dan 31-jarige doelman. Hoogtepunt is de epiloog. In een brief richt moeder Ginette zich tot haar zoon.

Michel, mijn zoon. Hoe gelukkig heb je mij gemaakt toen je een kleine jongen was! Je was een knappe krullenkop, teder, aanhankelijk. Toen je opgroeide hebben je wijsheid en je gezelligheid in de omgang je bij iedereen geliefd gemaakt. Vandaar dat je een massa vrienden had, zowel in het dorp als op school waar je een vlijtige leerling was.

Nu ben je een man. Maar je bent nog altijd even eenvoudig, gevoelig en vol respect voor je medemens. Ik sta nog altijd dicht bij jou. Ik deel je vreugde en je verdriet. Bedankt, mijn zoon.

Uitgeverij JONAS, Leuven, 1990, eerste druk, 147 pagina’s

Franky Van der Elst – Een Man voor Alle Seizoenen’ | Frank Buyse

Ook al van de jaren 90 dateert ‘Franky Van der Elst – Een Man voor Alle Seizoenen’. Het boek van auteur Frank Buyse is, net als ‘Michel Preud’homme’, rijkelijk geïllustreerd met zowel zwart-witfoto’s als kleurrijke beelden en belicht zowel het sportieve als persoonlijke verhaal van Franky Van der Elst met tal van getuigenissen van familie, ploeggenoten en trainers.

Het boek opent met een lofzang van Raymond van het Groenewoud. Hij beschrijft FVDE onder meer als “een hartverwarmend type van strijder” en “iemand die meer ziet dan hij zegt”. Pagina’s 42 en 43 vatten, door middel van Paniniplaatjes, 15 seizoenen carrière samen in beelden, cijfers en letters.

In de lokale Oxfam Book Shop kon ik het boek op de kop tikken in een mooi kartonnen omhulsel met daarop in grote witte letters ‘VAN DER ELST’ en rugnummer 6. ‘Een Man voor Alle Seizoenen’ is een leuk tijdsdocument dat me tijdens het lezen een nostalgische wandeling liet maken door mijn kindertijd, de tijd van FVDE als kapitein van de Club.

Roularta Books, Roeselare, 1996, eerste druk, 156 pagina’s


Ik schreef eerder over deze sportboeken (klik op de titels voor meer info):

De boekenplank van de maand september

Ik vertel op deze website dat ik kamers vol oude sportboeken wil verzamelen. Elke maand bezoek ik kringloopwinkels en 2dehandsboekhandels. Ook snuister ik in de plooien van het internet. Ik zoek oude sportboeken, maar ben niet blind voor elpees, singles en andere sportmemorabilia.

‘Man with a Racket’ | Pancho Gonzales & Cy Rice

Som de grootste namen uit de tennisgeschiedenis op en wellicht staat Pancho Gonzales niet bij de eerste tien die je te binnenschieten. En toch behoort Ricardo Alonso ‘Pancho’ González, in 1928 geboren in Los Angeles, tot de allergrootsten.

In eerste instantie in letterlijke zin. Met zijn plusminus 1m90 was Pancho een stuk groter dan zijn concurrenten. Zo omschreef Tony Trabert, meervoudig grandslamwinnaar tijdens de jaren 50, hem in de Los Angeles Times als volgt:

He is the greatest natural athlete tennis has ever known. The way he can move that 6-foot-3-inch frame of his around the court is almost unbelievable. He’s just like a big cat. Pancho’s reflexes and reactions are God-given talents.

Als tennisspeler was Gonzales een autodidact met een stevige opslag en dynamisch serve-and-volley-spel. Hij was een van de meest competitieve spelers die het mannentennis heeft gekend. Velen hadden dan ook schrik van hem. “He gets meaner every time you play him,” aldus Rod Laver in The New York Times.

Maar ook het palmares van Pancho Gonzales staat als een appartementsblok. Zo won hij in 1948 en 1949 de US Open, alvorens een jaar later over te stappen naar de professionals. Daardoor mocht hij niet langer deelnemen aan grandslamtoernooien, maar toerde jarenlang met de beste tennisspelers van dat moment de wereld rond. Gonzales won tijdens die jaren onder meer vier keer de Wembley Championships en acht keer de US Pro Tennis Championships.

Het lijden van de ghostwriter

Het is tijdens die periode, in 1959, dat ‘Man with a Racket’ verschijnt, een officiële biografie opgetekend door Cy Rice. Die sprong aanvankelijk een gat in de lucht bij het voorstel om een boek te schrijven over een van de beste tennisspelers te wereld. Daar dacht hij na de eerste kennismaking met Pancho Gonzales anders over:

Interviewing Pancho is analogous to squeezing a slippery tube of tooth paste with a blocked passage. Nothing, of course, comes out. If I’d known then what I do now, and had been given a choice of helping put the book together or climbing Mount Everest, barefooted and in my shorts, I would have taken the latter.

Het duurde tot Pancho op een dag voor Rices deur opdook en vertelde dat hij klaar was om te babbelen. En babbelen deed hij. Urenlang, waarna hij vertelde dat hij nu meer woorden had gesproken dan de twee jaren voordien.

Een beeldenstormer in een conservatieve tenniswereld

Rice wist als ghostwriter uiteindelijk een entertainend boek uit de pen te duwen dat een goed inzicht geeft in de tenniswereld tijdens de jaren 40 en 50. ‘Man with a Racket’ telt 21 hoofdstukken en wisselt af tussen het persoonlijke en tennisleven van Pancho Gonzales, aangevuld met passend beeldmateriaal.

Het voorlaatste hoofdstuk bestaat uit een reeks vragen met korte en krachtige antwoorden. Ze zijn soms amusant en geven een goede kijk op Gonzales’ persoonlijkheid.

  • Q. Do spectators bother you?
  • A. Only by staying away from my matches.
  • Q. Do you believe in lessons?
  • A. For everyone in the world except myself.
  • Q. Are you romantically inclined?
  • A. I’m of Latin temperament.
  • Q. Name your favourite tennis book.
  • A. The one you’re reading.

Pancho Gonzales in de Open Era

1959 is niet het einde van Pancho’s tenniscarrière. Wanneer in mei 1968 de Open Era start, en professionals opnieuw kunnen deelnemen aan grandslamtoernooien, is Gonzales er inmiddels 40. Op Roland Garros wint hij van titelverdediger Roy Emerson alvorens in de halve finales te verliezen van Rod Laver.

Een jaar later, op zijn 41ste, verslaat hij op Wimbledon met wervelend serve-and-volley de 25-jarige Charlie Pasarell. De wedstrijd, over twee dagen gespreid, duurt 5u12, de langste wedstrijd op Wimbledon tot Isner – Mahut in 2010. Gonzales neemt pas halfweg jaren 70 definitief afscheid van het professionele tennis. Hij overlijdt in 1995 in Las Vegas op 67-jarige leeftijd.

A.S. Barnes and Company, New York, 1959, eerste druk, 254 pagina’s


Ik schreef eerder over deze sportboeken (klik op de titels voor meer info):

De boekenplank van de maand augustus

Ik vertel op deze website dat ik kamers vol oude sportboeken wil verzamelen. Elke maand bezoek ik kringloopwinkels en 2dehandsboekhandels. Ook snuister ik in de plooien van het internet. Ik zoek oude sportboeken, maar ben niet blind voor elpees, singles en andere sportmemorabilia.

‘Robby Rensenbrink’ | Jacques Hereng

In 2017 verscheen onder de titel ‘Het slangenmens’ een biografie van Rob Rensenbrink van de hand van de Nederlandse journalist Bert Nederlof. Veertig jaar eerder, in 1977, werd een eerste biografie van Rensenbrink gepubliceerd. Dat gebeurde naar aanleiding van de Gouden Schoen die Rensenbrink als speler van Anderlecht in 1976 won.

De kleine timmerman van Oostzaan

In het eerste hoofdstuk droomt een jongen uit Oostzaan, nabij Amsterdam, van een voetbalbestaan. Tot die tijd werkt hij een opleiding timmerman af en slacht kippen op een pluimveekwekerij. Talent laat zich echter niet temmen. Via Z.G.S.O en O.S.V. komt Rensenbrink in het eerste elftal van D.W.S., op dat moment de grootste voetbalclub van Amsterdam.

“Het was geen lachertje,” schrijft Rensenbrink. “Ik ben altijd schuchter geweest. Als inwoner van Oostzaan was ik in Amsterdam een boerenjongen.” Rensenbrink wordt international. Nederlandse topclubs kloppen aan voor de linksbuiten. Met zeven miljoen Belgische frank trekt het ambitieuze Club Brugge aan het langste eind. D.W.S. laat zijn goudhaantje liever niet naar de concurrentie vertrekken.

Het enthousiasme van het publiek op ‘De Klokke’

De zomer van 1969 is er een vol veranderingen. Rensenbrink gaat voor Club voetballen en huwt met Corry. Rensenbrink steunt in die beginjaren erg op zijn Nederlandse ploeggenoot Henk Houwaart. Hij speelt zijn eerste officiële wedstrijd voor Club op het veld van Anderlecht, waar meteen wordt gewonnen. Club zal het seizoen ’69-’70 op de tweede plaats stranden, maar wint wel de beker.

Europees laat Rensenbrink van zich spreken in de thuiswedstrijd tegen het Hongaarse Újpesti Dózsa. Club wint 5-2, Rensenbrink scoort een hattrick. Van de Hongaarse coach Lajos Baróti krijgt hij zijn bijnaam het ‘slangenmens’. In Hongarije loopt Club na een 3-0-nederlaag alsnog de kwalificatie mis. Het verleidt Rensenbrink tot volgende uitspraak:

Ik speelde als het ware in twee verschillende elftallen: het Club Brugge uit, het Club Brugge thuis. Het verschil was de buitengewone sfeer op ’De Klokke’. Aanvankelijk onderging ik die niet als een prikkel. Ik kwam uit de woestijn. Te Amsterdam kon men de toeschouwers tellen. Op ‘De Klokke’ wordt Blauw-Zwart gedragen op de geestdrift van het publiek. Het elftal betaalt met overwinningen.

Rensenbrink heeft ook mooie woorden voor ploeggenoot Raoul Lambert. “Raoul is een reus met lemen spieren. Voor Raoul heb ik altijd veel sympathie gehad. Men kent onvoldoende deze jongen, wiens kalmte en ingekeerdheid verkeerde vermoedens voeden. Ergens is Raoul een beetje de Robby die met u praat. Ik uit me moeilijk. Ik loop niet achter de publiciteit aan en hou niet van persconferenties. Raoul is niet anders.”

Van Club Brugge naar Anderlecht

Op het einde van het seizoen ’70-’71 komt het tot transfer naar Anderlecht: Rensenbrink in ruil voor Anderlecht-spelers Wilfried Puis en Johnny Velkeneers, plus vier miljoen Belgische frank. “Dat ik niet van Brugge hield, is een goedkoop verhaal. Nooit zal ik het enthousiasme van het publiek op ‘De Klokke’ vergeten. Niet alles is naar Olympia verhuisd. Bij mijn aankomst in Brugge werd ik verwelkomd door twee leiders: Hutsebaut en Dujardin. Eenmaal per week waren Henk Houwaart en ik voor een etentje hun gasten. In aanwezigheid van de dames. Paling in ’t groen te Knokke: het komt mij voor dat ik het gisteren at.”

Zowel financieel als sportief is Anderlecht een stap voorwaarts. “Iedereen kende Anderlecht via de Europabeker. Paul Van Himst was al erg populair over de Moerdijk. Naast hem spelen kon niet schaden.” Met onder meer Jean Dockx en latere Bruggelingen Hugo Broos en Jos Volders start een nieuw Anderlecht onder leiding van Georg Kessler het seizoen ’71-’72. In een zinderend slot wordt Anderlecht ten koste van Club alsnog landskampioen.

Toch kon ik niet nalaten te denken aan Club Brugge, aan de Brugse spelers met wie ik geruime tijd lief en leed had gedeeld. Ik herinnerde mij ook een van de eerste met Paul Van Himst gevoerde gesprekken. ‘Met Brugge heb je niet veel geluk gehad, met Anderlecht word je kampioen,’ had hij voorspeld.

Club zou een jaar later wel voor de tweede keer landskampioen worden, dat na een zege op Anderlecht.

De Beker der Bekerwinnaars in Brussel

Midden jaren 70 kijkt Anderlecht richting Europese top. Tijdens het seizoen ’75-’76 bereikt de club de finale van de Beker der Bekerwinnaars. Daarin speelt het in het Heizelstadion tegen West Ham. In een met 4-2 gewonnen wedstrijd scoort Rensenbrink twee doelpunten. “Nooit vergeet ik de laatste minuten. Ik genoot intens van mijn eerste internationale overwinning. In de kleedkamer omhelsde iedereen iedereen. Voorzitter Constant Vanden Stock was zichtbaar bewogen. Elftalafgevaardigde Georges Denil verborg zijn emoties achter een verdachte ijver om de champagneflessen te ontkurken.”

In de coulissen van de wereldbeker

De laatste hoofdstukken van het boek zijn gewijd aan Rensenbrinks passage bij het nationale elftal. Nederland plaatst zich ten koste van België voor de wereldbeker 1974 in West-Duitsland. Rensenbrink ligt op de linksbuitenpositie in balans met Piet Keizer van Ajax. Nederland plaatst zich voor de finale in het olympisch stadion in München. Rensenbrink raakt na een blessure speelklaar, maar vraagt tijdens de rust, bij een 1-2-achterstand, om een vervanging. “Was mijn blessure geheeld, ik voelde me niet bestand tegen de inspanning.” Nederland zal de achterstand niet meer ombuigen.

“Nadien heeft men gezocht naar oorzaken van onze nederlaag. Men beweerde dat Cruyff zijn finale had gemist. Men heeft ook beweerd dat wij niet steeds hebben geleefd naar de regels van de sportmoraal. Met dergelijke nonsens dacht een Duitse sensatiekrant het geheim te hebben ontsluierd. De reden van onze nederlaag is veel eenvoudiger. Wij hebben drie weken geleefd onder de bescherming van de goden van de sport, die ons op het beslissende moment de rug hebben toegekeerd.”

De mens Rensenbrink, minder de voetballer

‘Robby Rensenbrink’ telt tien hoofdstukken, leest vlot weg en wordt verteld in de ik-vorm. Het boek telt talloze anekdotes en is opgesmukt met sprekend zwart-witfotomateriaal. Opvallend is de veelheid aan introspectie. Dit is het verhaal van de mens Rensenbrink, niet zozeer de voetballer.

Of zoals op de achterflap staat te lezen:

Uitgeverij Het Volk, Gent, 1977, eerste druk, 124 pagina’s


Ik schreef eerder over deze sportboeken (klik op de titels voor meer info):

De boekenplank van de maand juli

Ik vertel op deze website dat ik kamers vol oude sportboeken wil verzamelen. Elke maand bezoek ik kringloopwinkels en 2dehandsboekhandels. Ook snuister ik in de plooien van het internet. Ik zoek oude sportboeken, maar ben niet blind voor elpees, singles en andere sportmemorabilia.

‘The Education of a Tennis Player’ | Rod Laver & Bud Collins

Met het tennisseizoen in spagaat tussen Wimbledon en de US Open deze keer aandacht voor Rod Laver. Laver won zowel in 1962 als 1969 de Calendar Grand Slam – het winnen van elk van de vier grandslamtoernooien in één kalenderjaar. Die laatste dus exact vijftig jaar geleden. Twee jaar later, in 1971, kwam het boek ‘The Education of a Tennis Player’ op de markt.

Rod Laver en de Calendar Grand Slam 1969

‘The Education of a Tennis Player’ is in grote lijnen de neerslag van het tennisseizoen 1969. In 25 hoofdstukken kijkt Rod Laver terug op zijn kindertijd, memorabele wedstrijden en illustere concurrenten. Tennis Hall of Fame journalist Bud Collins levert de vlotte vertelstem die nooit gaat vervelen, doordrenkt met Lavers’ nederigheid. Je moet weten: Rod Laver was ooit een traag jongetje uit Queensland – vandaar z’n bijnaam “The Rocket” – die uitgroeide tot een totaaltennisser die, op dat moment, als de grootste tennisser aller tijden kon worden beschouwd.

Paris in the spring may mean love to some, chestnuts to others, but for me it signifies the toughest two weeks of the year.

De linkshandige Laver ruilde in 1963 de amateurstatus voor het profbestaan. Daardoor mocht hij niet langer deelnemen aan grandslamtoernooien. Pas vanaf mei 1968 – de start van de Open Era – was dat opnieuw het geval. Hij zou elf grandslamtoernooien winnen, waaronder vier keer Wimbledon.

Leuk detail: tijdens het seizoen 1969 verwachtten Laver en echtgenote Mary hun eerste kind. De conversaties, vaak aan de telefoon, tussen man en vrouw lopen als een rode draad door het boek.

Kleurrijke observaties van tegenstanders

Een heel hoofdstuk is gewijd aan Pancho Gonzales, winnaar van de US Open in 1948 en 1949. Laver beschrijft op smakelijke wijze het verschil in stijl en uitzicht tussen zijn eigen kleine magere zelve (1m73) en de rijzige Pancho (1m88) die met een weelderigere donkere haardos de aandacht trekt.

When we’re playing each other, the contrast is almost comical. Me with my bowlegs and 49.000 freckles, a little guy chasing about. Him with his dark, forbidding face, crowned by the black hair tinged with gray, tall, graceful, gliding. Gonzales is the master gamesman.

Typerend voor Pancho’s aanblik is de openingsronde op Wimbledon 1969 tussen de dan 41-jarige Gonzales en de zestien jaar jongere Charlie Pasarell. De wedstrijd, gewonnen door Gonzales, zou over twee dagen gespreid 5 uur en 12 minuten duren, de langste wedstrijd op Wimbledon tot Isner – Mahut in 2010. De beelden zijn te vinden op YouTube – deze link – en het bekijken waard. Let op het tempo en het constante serve-and-volley.

Ik kocht overigens onlangs een eerste editie van Pancho Gonzales’ biografie uit 1959. Dat boek passeert een van de komende maanden de revue. ;-)

25 hoofdstukken, 25 tennistips

Laver en Collins schrijven na elk hoofdstuk tennistips neer, geput uit allerlei wedstrijdanekdotes. De tekstjes gaan soms heel verrassende richtingen uit, zoals hoe je jouw manier van tennissen moet aanpassen aan je leeftijd.

Older players muster their energy, saving the big serve for when they really need it. They keep their returns low and soft, and use the lob often and well. It’s a great game at any age. So take it easy and enjoy it.

Andere delen gaan over mentale voorbereiding, het ‘killer instinct’, de verschillende basisslagen en hoe het best te spelen tegen tegenstanders die je door en door kent. Korte stukjes die nog altijd relevant zijn.

Het jubileum van de Calendar Grand Slam in 2019

Ook vandaag is Rod Laver alom gerespecteerd in het wereldje. Er is sinds 2017 de naar hem genoemde Laver Cup en zijn Calendar Grand Slam-jubileum werd al uitgebreid gevierd tijdens de voorbije grandslamtoernooien. Zo mocht hij eerder dit jaar op Roland Garros de overwinningstrofee uitreiken aan Rafael Nadal. Ook tijdens de US Open wacht hem ongetwijfeld een warm onthaal.

Voor wie zich meer in de verwezenlijkingen van Rod Laver en het verhaal achter zijn tweede Calendar Grand Slam wil verdiepen, is ‘The Education of a Tennis Player’ een aanrader.

Simon and Schuster, New York, 1971, eerste druk, 318 pagina’s


Ik schreef eerder over deze sportboeken (klik op de titels voor meer info):

De boekenplank van de maand juni

Ik vertel op deze website dat ik kamers vol oude sportboeken wil verzamelen. Elke maand bezoek ik kringloopwinkels en 2dehandsboekhandels. Ook snuister ik in de plooien van het internet. Ik zoek oude sportboeken, maar ben niet blind voor elpees, singles en andere sportmemorabilia.

Na onder meer ‘TENNIS’ van René Lacoste (1928) en de memoires van atleet Roger Moens (1964) koos ik met de Grand Départ in Brussel voor een 2-delige biografie van Eddy Merckx: ‘Van Libramont tot Heerlen’ (1967) & ‘Van regenboog- tot gele trui’ (1970).

‘Van Libramont tot Heerlen’ | Louis Clicteur & Lucien Berghmans

De fanfare van boeken over Eddy Merckx is eindeloos. In die stoet lopen Louis Clicteur en Lucien Berghmans voorop. Zij hadden in 1967 de primeur. In een allereerste biografie vertellen ze het levensverhaal van Merckx: van het kind tot de kampioen. De titel ‘Van Libramont tot Heerlen’ verwijst naar twee iconische plaatsen in het wielerleven van Eddy Merckx: in 1962 wordt Merckx in het Waalse Libramont Belgisch kampioen bij de nieuwelingen, vijf jaar later wordt hij in het Nederlandse Heerlen voor het eerst wereldkampioen bij de beroepsrenners.

De Italiaanse sportjournalist Gian Paolo Ormezzano beschrijft het Merckxisme als een nieuwe filosofie. Een nieuwe wielerpartij, de partij van de toekomst.

Het boek telt tien hoofdstukken, waarvan de meeste chronologisch de carrière van de regerend wereldkampioen volgen. Het eerste hoofdstuk is de uitzondering. Daarin wordt het ontstaan en de bloei van het Merckxisme uit de doeken gedaan. De auteurs verwijzen naar Gian Paolo Ormezzano, Italiaans sportjournalist, die het Merckxisme beschrijft als een nieuwe filosofie. Een nieuwe wielerpartij als het ware, de partij van de toekomst. Merckx is op dat moment 22 jaar jong.

De achterflap van het boek is een hagiografie in pocketformaat. We lezen onder meer ‘De Batman van de sport’, ‘het fenomeen van deze tijd’ en ‘een man die iedereen met verbazing slaat’. Het boek is volgens de auteurs dan ook de onopgesmukte levensgeschiedenis van de wereldkampioen die de hele wielerwereld op stelten zet.

Uitgeverij De Schorpioen, Strombeek-Bever, 1967, eerste druk, 143 pagina’s

‘Van regenboog- tot gele trui’ | Louis Clicteur & Lucien Berghmans

Eddy Merckx blijft ook na 1967 winnen, dus volgt drie jaar later deel twee. Gezien Merckx’ eerste Tourzege in 1969 is de titel ‘Van regenboog- tot gele trui’ toepasselijk. Ook in dit tweede deel volgen de auteurs de chronologische route. Negen hoofdstukken ditmaal met een uitgebreid relaas over de Ronde van Frankrijk van 1969 met als titel Merckxissimo.

De maanlanding van Armstrong, Collins en Aldrin kwam er enkele uren nadat Eddy Merckx zijn ereronde reed te Vincennes. De datum van “dertig jaar later” zal dus wel heel gemakkelijk onthouden worden.

In de laatste alinea’s kijken Louis Clicteur en Lucien Berghmans al even vooruit. “De maanlanding van Armstrong, Collins en Aldrin kwam er enkele uren nadat Eddy Merckx zijn ereronde reed te Vincennes. De datum van “dertig jaar later” zal dus wel heel gemakkelijk onthouden worden, want 20 juli was ook historisch voor de hele mensheid. Omwille van onze eigen nationale feestdag verschenen op 21 juli geen kranten. Enkele kranten gaven wel een bijzondere editie uit waarvan de helft gewijd was aan de maanlanding en de andere helft aan de zege van Merckx. Volgens Eddy zelf, een wanverhouding. Dat de astronauten zelf nochtans Eddy’s prestatie waardeerden, bleek tijdens hun bezoek aan ons land. Ze werden te Luik gevraagd, maar stemden slechts toe zich naar de Vurige Stede te begeven indien Merckx hen vergezelde. Dat bleek toen onmogelijk.”

Zouden de auteurs in een hoekje van hun gedachten vijftig jaar later ook een Grand Départ in Brussel hebben voorzien?

Uitgeverij De Schorpioen, Strombeek-Bever, 1970, eerste druk, 151 pagina’s

De boekenplank van de maand mei

Ik vertel op deze website dat ik kamers vol oude sportboeken wil verzamelen. Elke maand bezoek ik kringloopwinkels en 2dehandsboekhandels. Ook snuister ik in de plooien van het internet. Ik zoek oude sportboeken, maar ben niet blind voor elpees, singles en andere sportmemorabilia. Na onder meer ‘TENNIS’ van René Lacoste (1928) en het verhaal van boksmanager Karel De Jager (1979) ditmaal de memoires van atleet Roger Moens uit 1964.

‘De Roger Moens Story’ | Roger Moens

Tijdens de zomervakantie van 1946 stuurt een grootmoeder haar kleinkinderen Roger en Pierre Moens naar een uitgestrekt hoppeveld om het onkruid te wieden. Na uren eentonig ‘opkrabben’ gooien de broers de werktuigen weg en houden tussen de hoppestaken blootsvoets een loopwedstrijd. Eerst over een afstand van tien staken, daarna dertig en tot slot veertig staken ver.

Roger Moens is dan zestien jaar. Hij schrijft hierover: “Ik ben ervan overtuigd dat de wedstrijden die we soms tientallen keren per dag tegen elkaar liepen, die op den duur zeer vermoeiend waren, maar die op buitengewone wijze de kracht van de benen ontwikkelden omwille van het lopen in losse aarde, er niet in geringe mate hebben toe bijgedragen mijn latere sportcarrière met een potentieel kracht te laten aanvangen, aanzienlijk groter dan die van andere atleten van dezelfde leeftijd.”

Wereldrecordhouder op de 800 meter

De filmische scene is de inleiding van ‘De Roger Moens Story’, de in 1964 gepubliceerde memoires van atleet Roger Moens. Moens specialiseert zich in de 400 en 800 meter. Op die laatste afstand verbetert hij in 1955 in Oslo het wereldrecord na een intense strijd met de Noorse thuisloper Audun Boysen. Roger Moens beschrijft de aanloop naar en de race tot in het kleinste detail.

“Terwijl het geroezemoes van de circa vijftienduizend toeschouwers langzaam uitstierf, zetten we ons in slagorde. Ik beefde als een riet. Er zijn van die ogenblikken in het leven van een mens, waar men zich rekenschap geeft dat er iets gaat gebeuren. (…) Het startschot bevrijdde me gedeeltelijk van de verlammende trac. (…) Tweehonderd meter waren gelopen en alles was OK. Ik ‘rolde’ zoals nooit voordien en het ademhalen gebeurde nog ritmisch en met diepe, volle teugen. (…)

De bel. Nog vierhonderd meter. (…) Na vijfhonderd meter begon ik echt te spurten in een tumult dat ieders verbeelding te boven gaat. (…) Bij het ingaan van de laatste bocht, zowat tweehonderd meter voor het einde, dacht ik dat ik reeds een substantiële voorsprong had genomen. Mijn spieren die zuurstof nodig hadden deden mijn mond meer en meer openvallen om naar lucht te happen. (…)

Een onzichtbare kracht stootte mij opnieuw vooruit, tien centimeter, dan twintig en uiteindelijk ongeveer één meter. Nog een paar stappen en mijn borst raakte het lint.

Nog honderd meter. Ik had nog slechts één doel: zo vlug mogelijk aan het einde geraken van die rechte lijn die me eindeloos toescheen. Mijn benen werden bijna gevoelloos, mijn blik wazig en mijn gedachten verward. (…) Gedreven door de aanmoedigingen van zijn publiek kwam Boysen opnieuw op mijn hoogte. Mijn lichaam was uitgeput, alleen mijn wilskracht hield mij recht. Een onzichtbare kracht stootte mij opnieuw vooruit, tien centimeter, dan twintig en uiteindelijk ongeveer één meter. Nog een paar stappen en mijn borst raakte het lint. (…)

Een paar minuten later bij een doodse stilte werd de uitslag bekend gemaakt. Het Noorse kennerspubliek had aangevoeld dat hier iets belangrijk was geschied. 1’45”7 klonk het plechtig. Ik was wereldrecordhouder. De ondraaglijk geworden spanning was gebroken.”

Roger Moens en de Olympische Spelen

Roger Moens neemt twee keer deel aan de Olympische Spelen. De eerste keer in 1952 in Helsinki, waar hij de 400 meter loopt en het Belgisch record verbreekt. Een tweede deelname volgt in 1960 in Rome, nadat hij de Spelen van 1956 in Melbourne heeft gemist. In Athene stuit Moens tijdens een trainingsloop op een niet verlicht tennisveld tegen een paaltje. Hij blesseert zich in de liesstreek en aan de linkerknie. De dan beste 800 meter-loper ter wereld zal niet deelnemen aan de Olympische Spelen.

Vier jaar later volgt de revanche. De 30-jarige Moens noemt dit ‘het seizoen van de laatste kans’ en traint naar eigen zeggen beter en anders dan ooit tevoren. Zo ligt de focus niet langer op het verbeteren van de basissnelheid, wel om die zo lang mogelijk te behouden.

Op 27 augustus landt de Belgische delegatie in Rome. Gedurende drie dagen, vanaf 31 augustus, wanneer de 1/8ste en kwartfinales plaatsvinden, tot en met 2 september – de dag van de waarheid – geeft Roger Moens in dagboekstijl een ultieme inkijk.

Woensdag 31 augustus (dag van de 1/8ste finales en kwartfinales)

“Er waren negen reeksen voorzien in de 800 meter, die gelopen werden vanaf 11 uur ’s morgens. Ik werd ingedeeld in de vijfde reeks, die omstreeks 11u30 van start ging. (…) In de laatste rechte lijn had ik geen moeite om te winnen in 1’50”7. (…) Vliegensvlug keerde ik terug naar het olympisch dorp – tien minuten van daar gelegen – om een kleine lunch te kunnen gebruiken want te 16 uur mochten wij opnieuw lopen.

Alvorens te gaan slapen, omstreeks 21 uur, liet ik mij nog eens flink de benen masseren, die zwaarder wogen dan lood. Ik kon zeer moeilijk de slaap vatten.

Na anderhalf uur te hebben gerust op mijn op de grond liggende matras, ging ik om 15 uur opnieuw naar het olympisch stadion. (…) In het begin ging het er niet zeer snel aan toe. Een volledig onbekende, met name Snell, ging het eerst aan het spurten. Op het einde kon ik hem echter de baas en won met een meter voorsprong in 1’48”5. (…)

Na die eerste dag was ik zo vermoeid dat ik ogenblikkelijk een bus nam naar het olympisch dorp. De hitte en vermoeidheid hadden mijn honger volledig weggenomen. (…) Alvorens te gaan slapen, omstreeks 21 uur, liet ik mij nog eens flink de benen masseren, die zwaarder wogen dan lood. Ik kon zeer moeilijk de slaap vatten.”

Donderdag 1 september (dag van de halve finales)

“Met een loodzwaar hoofd en extra stramme benen trok ik mij omstreeks 8 uur ’s morgens aan de vensterbank, waaronder ik met mijn matras was verhuisd, omhoog. Niet zonder een zekere angst zag ik de halve finales van ’s namiddags tegemoet. Op mijn nuchtere maag kreeg ik de indeling van de halve finales. (…) Snell won in 1’47”2, ikzelf was tweede in 1’47”4. (…)

Fysiek was ik om te zeggen volledig uitgeput en dat terwijl alleen het voorspel achter de rug was. De echte wedstrijd moest nog komen.

In die wedstrijd heb ik een grove psychologische flater begaan. Zoals de dag voordien had ik Snell kunnen kloppen in deze halve finale. Om mijn krachten te sparen voor ’s anderendaags drong ik echter niet aan en liet de overwinning aan de Nieuw-Zeelander. Die overwinning heeft de ambitie van Snell meer dan waarschijnlijk vastere vorm doen krijgen en het geloof in zijn eigen kunnen zonder twijfel versterkt. (…) Fysiek was ik om te zeggen volledig uitgeput en dat terwijl alleen het voorspel achter de rug was. De echte wedstrijd moest nog komen.”

Vrijdag 2 september (de dag van de finale)

“Eindelijk was het 2 september geworden, de dag waarop ik vier jaar had gewacht. (…) Van vermoeidheid hoef ik niet meer te spreken, want die was zo chronisch geworden dat ik ze zelfs niet meer voelde. Ik had alleen nog een gevoel van loomheid. (…) De finale zou gelopen worden omstreeks 16u30. (…) Juist na het middageten waren Prins Albert en Prinses Paola mij nog veel geluk komen toewensen. (…) Omstreeks 15 uur vertrok ik ook naar het marmeren stadion waar de kleedkamers van de atleten waren ingericht in lange, koele gangen waarin het heerlijk was te vertoeven, na het eentonig warmlopen in de verzengende zon. (…)

Ik denk aan de jaren opoffering die ik mij getroostte om hier vandaag in het gelid te staan, aan het vertrek van de 800 meter, de wedstrijd van mijn loopbaan. De wedstrijd die ik niet mag verliezen omdat het mijn eerste en ook mijn laatste kans is om olympisch kampioen te worden.

Finalisten van de 800 meter naar de oproepkamer klonk het door de luidsprekers. Samen gingen wij naar de tunnel, dat gapende donkere gat, dat uitmondde in de leeuwenkuil. Met Schmidt, Waegli, Matuschewski en Snell praatte ik over koetjes en kalfjes om de gedachte aan de komende strijd op het achterplan te duwen. Kerr gunde mij geen blik. Voelde hij zich superieur, of had hij schrik van mij? Ik deed ook alsof ik hem niet kende.

Vier uur tien. Voorafgegaan door een Italiaans officieel slenterden de zes finalisten de leeuwenkuil binnen. Onderweg heb ik hier en daar iemand mijn naam horen roepen en met een Belgische vlag zien zwaaien. Die mensen zijn gekomen om mij te zien winnen. Ook de duizenden, die thuis voor hun televisietoestel zitten, of naar de radio luisteren, hebben hetzelfde verlangen. (…)

Van bij het begin gaat het zeer snel. Maar jongens, wat zijn mijn benen zwaar.

Heren aan de lijn. Ik denk aan de jaren opoffering die ik mij getroostte om hier vandaag in het gelid te staan, aan het vertrek van de 800 meter, de wedstrijd van mijn loopbaan. De wedstrijd die ik niet mag verliezen omdat het mijn eerste en ook mijn laatste kans is om olympisch kampioen te worden. Ik heb mij zorgvuldig voorbereid en toch spijt het mij dat ik nog niet meer heb geofferd aan de God van de training. Nu is het echter te laat. Er is geen hulp meer mogelijk. Van nu af aan geldt de harde wet van de jungle: het recht van de sterkste. (…)

Van bij het begin gaat het zeer snel. Maar jongens, wat zijn mijn benen zwaar. (…) Het gaat snel en ik heb werkelijk last om te volgen. Heeft de trac mij zo lamgelegd, of is het de opeengehoopte vermoeidheid van drie 800-meterwedstrijden in 48 uur tijd? (…) De bel. Nog één ronde. Ik ben nog steeds vijfde, een bijna hopeloze situatie die ik koste wat kost moet rechttrekken. Roger, ge moet en ge zult winnen, gonst het door mijn hoofd. Dit is de allerlaatste kans. (…)

Peter Snell gaat mij onweerstaanbaar voorbij. Ik tracht nog te reageren, maar het bobijntje is af.

Nog driehonderd meter. Ga, ga, ga, flitst het door mijn hoofd. Langzaam, heel langzaam, geraak ik voorbij Snell, die in vierde positie loopt. De derde, Kerr, biedt minder weerstand en dat geeft mij opnieuw moed. Schmidt voorbijgaan is een zwaar karwei, maar moeilijk gaat ook. Zo geraak ik op 200 meter voor het einde in de tred van Waegli, die vertraagt. Hij heeft zijn laatste krachten aangesproken, want bij het uitgaan van de laatste bocht, met nog honderd meter, valt hij werkelijk stil. Aan het einde van de lange rechte lijn wacht de beloning van een jarenlange strijd. Ik geef wat ik kan, maar zou toch graag weten wat er achter mij gebeurt. Even het hoofd naar rechts. Kerr, de gevaarlijkste klant, is ten minste drie meter achter. (…)

Wanneer de Nieuw-Zeelandse vlag de hoogte wordt ingetrokken en de tonen van het Nieuw-Zeelandse volkslied over de tachtigduizend toeschouwers wordt gestrooid, voel ik in hart en ziel de draagwijdte van de verkeken kans.

Nog vijftig meter. Nogmaals voel ik de noodzaak om even achterom te kijken. Alles OK, Kerr heeft vijf meter achterstand. Dan sluit ik even de ogen terwijl mijn benen minder en minder aan het commando beantwoorden. Ik ben aan het einde van mijn krachten, maar de meet is op enkele meter. Opeens een zwarte flits aan mijn linkerzijde. Peter Snell gaat mij onweerstaanbaar voorbij. Ik tracht nog te reageren, maar het bobijntje is af en de meet is te kortbij. De droom is uit. Peter Snell, de onbekende, gekomen uit het verre Nieuw-Zeeland, raakt als eerste het lint na 1’46”3, een nieuw olympisch record.

Op dat ogenblik stort de wereld voor mij in. Ik zal nooit olympisch kampioen zijn. Eén ding blijft over: het wereldrecord. Dat te weten brengt mij spoedig over mijn ontgoocheling heen. (…) Wanneer de Nieuw-Zeelandse vlag de hoogte wordt ingetrokken en de tonen van het Nieuw-Zeelandse volkslied over de tachtigduizend toeschouwers wordt gestrooid, voel ik in hart en ziel de draagwijdte van de verkeken kans.

Feitelijk betekenden de Olympische Spelen van 1960 het einde van mijn sportloopbaan. Al wat later zou komen was alleen nog ‘uitlopen’.

Toch zou ik een legende uit de wereld willen helpen, die de Romeinse nederlaag heeft toegeschreven aan het zogezegde “fatale hoofd naar rechts”. Peter Snell beschikte op het einde van de wedstrijd over meer weerstandsvermogen en was dan ook de logische en verdiende winnaar van de olympische 800 meter titel. (…) Feitelijk betekenden de Olympische Spelen van 1960 het einde van mijn sportloopbaan. Al wat later zou komen was alleen nog ‘uitlopen’.”

Peter Snell verbreekt in 1962 Moens’ zeven jaar oude wereldrecord op de 800 meter. Op de Spelen van 1964 in Tokio wint hij zowel de 800 als 1.500 meter.

Een loopbaan in gulden letters

‘De Roger Moens Story’ eindigt met een kort stuk van Marcel Hansenne, Frans sportjournalist en winnaar van de bronzen medaille op de Olympische Spelen van 1948 in Londen. “De loopbaan van Roger Moens verdient ten volle dat men hem hulde brengt. Na veel eerbetuigingen te hebben mogen in ontvangst nemen, een wereldrecord is een benijdenswaardige adelbrief, verdwijnt Roger Moens. Hij was een schitterend atleet, loyaal, moedig en de hoogste achting waardig.”

Mijn editie van ‘De Roger Moens Story’ is er een zonder omslag. Het is een groene hardcover met gulden letters, dus zocht ik online de cover van het boek op. Die toont een breed lachende Roger Moens met als ondertitel ‘een wereldrecordhouder vertelt zijn boeiend levensverhaal’, een ondertitel die deze lading anekdotes volledig dekt.

D.A.P Reinaert Uitgaven, Brussel, 1964, eerste druk, 254 pagina’s

De boekenplank van de maand april

Ik vertel op deze website dat ik kamers vol oude sportboeken wil verzamelen. Elke maand bezoek ik kringloopwinkels en 2dehandsboekhandels. Ook snuister ik in de plooien van het internet. Ik zoek oude sportboeken, maar ben niet blind voor elpees, singles en andere sportmemorabilia.

Na ‘TENNIS’ van René Lacoste (1928) en de memoires van boksmanager Karel De Jager (1979) ditmaal een boek van Maurice van Nieuwenhuizen, de Nederlandse pionier in het jiujitsu en judo, uit 1948. Als dessert ook een klassieker van een single over de Rode Duivels.

‘Judo. De moderne wetenschap van het jiujitsu| Maurice van Nieuwenhuizen

Het is fijn om voor te stellen hoe Maurice van Nieuwenhuizen (1912-1998) in 1947 in Den Haag de inleiding schreef van zijn boek over judo en jiujitsu. Van Nieuwenhuizen had een sportschool in de stad en was Nederlands kampioen jiujitsu. Eind jaren 30 stichtte hij de Nederlandsche Jiu-Jitsu Bond, wat later de Judo Bond Nederland werd. In die hoedanigheden schreef van Nieuwenhuizen voor en na de Tweede Wereldoorlog boeken over judo en jiujitsu.

Dit boek is een mooi overzicht van alle aspecten van het judo en jiujitsu. Het belangrijkste verschil ligt volgens de auteur in het wedstrijdaspect. Wanneer dat ontbreekt, aldus van Nieuwenhuizen, vervalt men  in geestdodende oefeningen waaraan elke spanning ontbreekt. Judo, wat ‘zachte weg’ betekent en verwijst naar een soepele, sierlijke en stijlvolle uitvoering, is om die reden populairder en heeft een grotere uitwerking op de karaktervorming.

Die lichamelijke en geestelijke vorming komt vaak terug. Aan elk aspect is een hoofdstuk gewijd. Van Nieuwenhuizen gaat er soms de hoogdravende toer op. Zo schrijft hij: “Na jarenlange praktische ervaring en grondige studie kwalificeer ik de judosport als een economisch, filosofisch en ethisch systeem van opvoeding waarvan de studie harmonie brengt in de ontwikkeling, wat tot noodzakelijk gevolg zal hebben dat de beoefenaar gekenmerkt wordt door een gezond superioriteitsgevoel, berustend op een zelfvertrouwen en dat hij een evenwichtige en krachtige persoonlijkheid wordt.”

Het boek is niet enkel een lange uitleg over de grondbeginselen van judo en jiujitsu. Daarnaast is er ruime aandacht voor de technische vaardigheden, zoals de worpen en valbewegingen, rijkelijk geïllustreerd met fotomateriaal. Wat online zoekwerk bracht me ook bij een Franse versie van het boek die dateert van 1949.

Uitgeverij A.W. Bruna & zoon, Utrecht, 1948, eerste druk, 124 pagina’s

Bezoek aan het Boekenfestijn in Kortrijk

Half april landde het Boekenfestijn opnieuw in Kortrijk. Ik kocht er ‘Het Kanon’, de biografie van Coen Dillen, tussen 1949 en 1961 aanvaller bij PSV en met 43 stuks nog steeds recordhouder wat betreft het aantal doelpunten in één eredivisieseizoen (seizoen ‘56-‘57).

Dillen, zo staat op de achterflap te lezen, was een koele doelpuntenmachine met een onbedaarlijk hard schot, wat hem de bijnaam ‘Het Kanon’ opleverde. Hij overleed in 1990 op 63-jarige leeftijd. De biografie van Jeroen van den Berck dateert van 2006 en telt 207 bladzijden.

De Rode Duivels gaan naar Mexico

In een lokale kringloopwinkel ontdekte ik in de bak met elpees en singles ook deze klassieker van Will Tura. Onmogelijk om te laten liggen toch? :-)

De boekenplank van de maand maart

Ik vertel op deze website dat ik kamers vol oude sportboeken wil verzamelen. Elke maand bezoek ik kringloopwinkels en 2dehandsboekhandels. Ook snuister ik in de plooien van het internet. Ik zoek oude sportboeken, maar ben niet blind voor elpees, singles en andere sportmemorabilia. Na ‘TENNIS’ van René Lacoste (1928) ditmaal de memoires van Karel De Jager, de man die jarenlang in de hoek van bokser Jean-Pierre Coopman kampeerde, publicatiejaar 1979.

‘Verzorgers uit!’ | Karel De Jager & Jan Van den Berghe

De coverfoto van ‘Verzorgers uit!’ toont een in de lens kijkende Jean-Pierre Coopman. Over zijn schouder kijkt Karel De Jager vaderlijk toe. Op de achterflap lezen we dat De Jager was voorbestemd om deurwaarder te worden maar na een meningsverschil met zijn baas haarkapper werd. ‘Toen de internationale loopbaan van Jean-Pierre Coopman hem fulltime opeiste, kwam de techniek van het inzepen en de baard afdoen hem goed van pas. Het aandeel van de slimme Izegemse kapper in Coopmans fabelachtige carrière kan nauwelijks overschat worden.’

‘Verzorgers uit!’, een kreet die verwijst naar het signaal dat wordt gegeven wanneer een nieuwe ronde staat te beginnen, is geschreven in een aansprekende met-de-voeten-op-de-grond stijl. Journalist Jan Van den Berghe, die onder meer in 2013 ‘De artistieke uppercut: hoe kunst en boksen elkaar vonden’ publiceerde, bewerkte het manuscript van De Jager. Hij gaf het ook een swingende inleiding.

Een café in Izegem

Verzorgers uit! opent op een exhibitiekamp in de zomer van 1970 in het West-Vlaamse Rumbeke. Daar ontmoeten Karel De Jager en Jean-Pierre Coopman elkaar voor het eerst. ‘Coopman had iets innemend, iets ontwapenend sympathiek over zich. Waren het zijn vriendelijke ogen? Was het zijn open, spontane lach of dat gezonde, robuuste in zijn houding? Ik was in ieder geval onmiddellijk 100 procent voor hem gewonnen. Ik bleef wel zitten met mijn twijfels over zijn bokskunde.’

Na de oefenkamp verdwijnen de twijfels. Twee weken later, tussen pot en pint in een café in Izegem, zet voormalig arduinkapper Jean-Pierre Coopman de definitieve stap naar een professionele bokscarrière, symbolisch met het uitdoven van een sigaret. ‘Dat was de laatste. Vraag maar een vergunning aan.’

De stapstenen richting de kamp met Ali

Van dan af aan modereert De Jager Coopmans carrière. Via de eerste profkampen in het najaar van 1972 laveert de boksmanager zijn pupil behoedzaam langs valkuilen en kiest tegenstanders zorgvuldig uit. Kamp na kamp klimt Coopman hoger op de ladder. Ook moeder Coopman, aanvankelijk sceptisch, is inmiddels overtuigd. ‘Na elke kamp kwam zij hem in de kleedkamer feliciteren, angstvallig speurend of er geen blauwe ogen of blessures te zien waren.’

Coopman is in het najaar van 1974 een begrip geworden. ‘Jean-Pierre begon steeds meer voor zijn sport te leven. Hij bestudeerde het leven van alle zwaargewichten, probeerde allerlei trainingsschema’s en sloeg geen enkele raad in de wind. Thuis richtte hij zelf een oefenzaaltje in om alle dagen te kunnen trainen.’ Een jaar later telt Coopman 24 overwinningen uit 27 profkampen. Hij is de uitdager voor de Europese titel.

‘Ali heeft ook maar twee vuisten’

Op 18 december 1975 volgt nieuws uit New York. Niet Dunn (de mede-uitdager voor de Europese titel) maar Coopman zal boksen tegen Ali. Coopman krijgt de voorkeur omdat hij al tegen Amerikaanse boksers heeft gevochten. De Jager weet met zichzelf geen blijf. ‘Na het telefoongesprek wist ik niet meer of ik droomde of aan aderverkalking leed. Ik kneep me in de wangen en keek in de spiegel van mijn kapperszaak om te zien of alles wel in orde was.’ Twee weken later is de deal rond. ‘Dit is het mooiste nieuwjaarsgeschenk van mijn leven, zei Jean-Pierre. Hij sprak voor ons beiden.’

Jean-Pierre gedroeg zich als iemand die nooit anders in zijn leven had gedaan. Hij stapte flegmatiek op Ali af en zei gewoontjes: “Hello, Ali. I’m Coopman.”

In januari 1976 reist het gezelschap naar de Verenigde Staten. ‘In de beurs van New York op Wall Street, waar we te gast waren, werd de komst van Coopman in grote letters op een elektrische telex gezet. Overal werden wij als koningen onthaald.’ Op 4 januari volgt de eerste ontmoeting met Ali. ‘Toen wij om 17 uur in Mama Leone’s Restaurant binnenkwamen, was Ali al aanwezig. Jean-Pierre gedroeg zich als iemand die nooit anders in zijn leven had gedaan. Hij stapte flegmatiek op Ali af en zei gewoontjes: “Hello, Ali. I’m Coopman.”’

De aanloop naar 20 februari 1976

De kamp vindt plaats in San Juan in Puerto Rico, waar de Belgische delegatie begin februari 1976 feestelijk wordt onthaald. Zo zingen enkele door Don King ingehuurde muzikanten Arriba El Leon, Viva Coopman’, een coverversie van het Vlaamse ‘Viva bomma’. De Jager is onder de indruk van Ali’s trainingen.

Ook daarnaast scoort Ali punten. ‘Op een avond leerden wij ook een andere Ali kennen. Niet de snoever, maar de mens. Jean-Pierre, Elaine en ik liepen van het restaurant terug naar onze hotelkamer. In de gang botsten we op Ali en zijn verloofde Veronique Porche. Er was niemand anders in de buurt. Ali nam Jean-Pierre vriendelijk bij de schouder en vroeg hoe het met zijn conditie was gesteld. Hij lachte en gaf Eliane een knipoog. “Is dat je vrouw?” informeerde hij. We stonden erbij of we van de hand Gods geslagen waren.’

‘Oog in oog met de allergrootste’

Gaandeweg, zo lezen we, is Coopman meer in zijn kansen gaan geloven. ‘Jean-Pierre had uitstekend geslapen. Hij had gedroomd en was wakker geworden als wereldkampioen.’ Van de hotelkamer gaat het naar het Estadio Roberto Clemente. ‘Jean-Pierre zat erbij alsof hij in Izegem tegen een sparringpartner enkele rondjes zou oefenen,’ herinnert De Jager zich.

Klokslag 21 uur stapt Coopman in de ring. Ali volgt even later. De Jager ziet de bui gauw hangen. ‘Toen Jean-Pierre na de eerste ronde in de hoek terugkeerde, zag ik al dat hij erg geleden had. “Neen, neen, ik voel niks,” stelde hij mij gerust. Ik was overtuigd van het tegendeel.’ De kamp zal bijna zes ronden duren, alvorens Coopman wordt uitgeteld. ‘Toen Jean-Pierre terug op zijn stoeltje zat, kwam er niets anders uit dan een krachtige Vlaamse “Godverdomme”. Voor mij was het wel het beste wat kon gebeuren. Na de eerste ronde had ik met onrust het verdere verloop afgewacht. Ik geloof niet dat Coopman er iets mee gewonnen had indien het gevecht twee of drie ronden langer had geduurd.’

Op zijn hotelkamer staat Coopman BRT-journalist Marc Stassijns te woord. Tijdens het interview barst Coopman in tranen uit. ‘Het is pas toen dat ik inzag dat Jean-Pierre honderd procent in zijn kansen had geloofd, en dat de desillusie des te groter was.’ Wat later ontmoeten Ali en Coopman elkaar in Ali’s hotelkamer. Dat levert een fijne anekdote op. ‘Bij het afscheid liet Jean-Pierre Ali in diepe gedachten achter. De wereldkampioen zal wellicht nog altijd niet achterhaald hebben wat mijn “Leeuw van Vlaanderen” bedoelde toen hij hem in steenkappers-Engels zei: “Allez gauw, you are a flink boy!”’

De tweede carrière van Jean-Pierre Coopman

Na de kamp start Coopman als het ware een tweede carrière. Jean-Pierre Coopman zal op 12 maart 1977 in het Antwerpse Sportpaleis tegen de Spanjaard José Manuel Urtainde na een knock-out in de vierde ronde de Europese titel veroveren. Daarover schrijft De Jager. ‘Jean-Pierre viel op zijn knieën en bedekte zijn gelaat met de handschoenen. Hij kust het vilt en stak beide armen triomfantelijk in de lucht. We hadden ons doel bereikt. Het was ontegensprekelijk de mooiste dag uit onze loopbaan.’

‘De laatste loodjes’

Karel De Jager sluit op 1 januari 1979 zijn boek af met een ode aan zijn pupil. Hij looft zowel de mens als de bokser Coopman. ‘Coopman is erin geslaagd de hele wereld naar hem te doen kijken. Hij is een sympathieke ambassadeur voor België geweest. Ik heb dit boek geschreven voor mijn vriend-bokser Jean-Pierre Coopman. Ik wil dat het een soort getuigenis voor zijn karaktersterkte is voor de aankomende generatie.’

Hij eindigt met een prachtige oneliner.

Jean-Pierre kon voor zijn levensdoel lijden als de eerste christenen onder de Romeinse keizers.

Uitgeverij J. Hoste, Brussel, 1979, eerste druk, 88 pagina’s

Alle foto’s zijn afkomstig uit ‘Verzorgers uit!’

De boekenplank van de maand februari

Ik vertel op deze website dat ik kamers vol oude sportboeken wil verzamelen. Elke maand bezoek ik daarom meermaals kringloopwinkels en 2dehandsboekhandels. Ook snuister ik in de plooien van het internet. Ik zoek oude sportboeken, maar ben niet blind voor elpees, singles en andere sportmemorabilia. Ditmaal gaat de aandacht naar een tennisboek uit 1928.

‘TENNIS’ | René Lacoste

Het gros van de sportboeken in mijn boekenkasten dateert van de jaren 70 en 80. Die boeken vind ik makkelijk in 2dehandsboekenwinkels. Zo af en toe ga ik op zoek naar een specialleke.

Ik zag vorig jaar op Bruzz deze reportage over de fantastische Royal Tennis Club de Belgique. De club is alvast een must visit voor de komende tijd. In de minidocu haalt voorzitter Gilbert Elseneer op een bepaald moment een bijzonder tennisboek uit de kast: ‘TENNIS’ van René Lacoste, publicatiejaar 1928, en uitgegeven bij het in 1907 door Bernard Grasset opgerichte Éditions Grasset. Overigens werd ook het eerste deel van Marcel Prousts beroemde roman ‘À la recherche du temps perdu’ in 1913 oorspronkelijk (in eigen beheer) uitgegeven bij Grasset.

In elk geval, de reportage triggerde mijn nieuwsgierigheid en dus zocht ik een exemplaar van het boek van René Lacoste. Ik vond het bij een antiquariaat nabij Bordeaux dat ook online boeken verkoopt. Een week na mijn aankoop ontving ik tot mijn opluchting het boek in goede staat. Met publicatiejaar 1928 is het meteen het oudste boek in m’n bezit.

René Lacoste, de Vier Musketiers en Roland Garros

Even situeren. Auteur René Lacoste werd geboren in 1904. Samen met landgenoten Jacques Brugnon, Jean Borotra en Henri Cochet domineerde hij tijdens de jaren 20 en 30 het internationale tennis. Het viertal werd dan ook toepasselijk ‘les Quatre Mousquetaires’ genoemd. Wie ooit de site van Roland Garros bezocht, passeerde ongetwijfeld al langs La Place des Mousquetaires, waar elk een standbeeld heeft.

De geboorte van ‘Le Crocodile’ en Lacoste het kledingmerk

René Lacoste kreeg van de Amerikaanse pers de bijnaam ‘Le Crocodile’. Die zou afkomstig zijn van een weddenschap waarbij men Lacoste een koffer in krokodillenleer beloofde bij het winnen van een beslissende wedstrijd (die hij overigens verloor). Lacoste omarmde de bijnaam en liet een afbeelding van een krokodil op zijn blazer borduren, zoals hier te zien. Diezelfde krokodil werd in 1933 bij de oprichting van zijn kledingmerk gebruikt als logo, ook vandaag nog.

Als tennisspeler was Lacoste een baseliner die zelden zelf in de fout ging. Hij stond erom bekend op die manier zijn tegenstander als het ware langzaamaan dood te knijpen.

Lacoste over elk aspect van het tennisspel

Over het boek dan. ‘TENNIS’ telt 21 hoofdstukken waarin Lacoste, na een korte inleiding hoe hij als vijftienjarige in Engeland met tennis in contact is gekomen, uitvoerig vertelt over de basisslagen en -technieken (forehand, backhand, lob, smash, opslag en return, netspel, dubbelspel).

Het meest boeiende hoofdstuk gaat echter over het mentale aspect. Lacoste noemt het ‘tempérament’ en staaft de verschillende vaardigheden (concentratie, kalmte, geduld en overwinningsdrang) met anekdotes uit wedstrijden tijdens de grootste toernooien. Vooral het stuk over geduld was voor deze, euh, weinig afwachtende tennisspeler erg nuttig. :-)

Extra leuk is dat naast de teksten heel veel foto’s zijn opgenomen, soms uitklapbaar met een vergelijking tussen de basisslagen van topspelers Bill Tilden, Bill Johnston en Lacoste.

René Lacoste won in zijn relatief korte carrière – hij speelde door gezondheidsproblemen amper zeven jaar op het hoogste niveau – zeven grandslamtoernooien in het enkelspel (waaronder Roland Garros in 1925, 1927 en 1929) en drie in het dubbelspel. In 1927 en 1928 won Lacoste met het Franse team de Davis Cup. Hij overleed in 1996 op 92-jarige leeftijd.

Ook ‘Lacoste on tennis’ en ‘Lacoste über Tennis’

Ik probeer nog uit te vissen wat destijds de oplage was van deze eerste druk. ‘TENNIS’ kreeg verschillende herdrukken in het Frans, waaronder een derde druk in 1935, maar opmerkelijker is dat het boek in 1928 onmiddellijk een Engelse en Duitse vertaling kreeg. ‘Lacoste on tennis’ en ‘Lacoste über Tennis’ werden gepubliceerd in samenwerking met de Britse Dunlop Sports Company.

Een primitieve versie van een ballenmachine (uit ‘TENNIS’ van René Lacoste)

Éditions Grasset, Parijs, 1928, eerste druk, 234 pagina’s

De boekenplank van de maand januari

Ik vertel op deze website dat ik kamers vol oude sportboeken wil verzamelen. Daarom bezoek ik maandelijks kringloopwinkels en 2dehandsboekhandels. Ook snuister ik in de plooien van het internet. Ik zoek oude sportboeken, maar ben niet blind voor elpees, singles en andere sportmemorabilia. Dit is een greep uit de vangst van de maand januari.

‘Ik, Jean-Marie’ | Lex Molenaar

“Iedereen denkt te weten hoe ik in elkaar zit. Nu wil ik zelf wel eens vertellen wie ik ben en wat ik tot nog toe heb gedaan.” Tot zover de bedoeling van deze memoires van Jean-Marie Pfaff, die in 1987 als ondertitel ‘de beste keeper ter wereld over zijn triomfen en nederlagen’ kregen. En dat is niet gelogen. Hoofdstukken boordevol fijne anekdotes worden afgewisseld met korte interviews met Carmen Pfaff en Guy Thys.

Het boek werd opgetekend door Lex Molenaar, destijds chef-redacteur van het weekblad Panorama, in een zeer entertainende schrijfstijl. Inhoudelijk af en toe met een korrel zout te nemen maar nooit ofte nimmer vervelend.

Uitgeverij De Ballon, Wommelgem, 1987, eerste druk, 160 pagina’s

‘Snooker’ | Rudy Bauwens

Auteur Rudy Bauwens is vandaag snookercommentator bij Eurosport. In 1986 schreef hij ‘Snooker’, dat een mooi overzicht geeft van de snookerwereld tijdens de jaren 80, het decennium waarin snooker met een stevige windstoot uit Engeland kwam overgewaaid.

Het boek bevat naast biografieën van topspelers ook tal van trainingstips, wat het ook tot instructieboek maakt. De laatste hoofdstukken zijn gewijd aan ‘de goddelijke 147’ (maximumbreak) en snooker in België. Het boek kreeg een mooie inleiding door Raymond Ceulemans.

Press, Antwerpen, 1986, eerste druk, 280 pagina’s

Björn Borg en Jack Kramer kregen gezelschap

Enkele jaren geleden kocht ik via eBay twee houten tennisrackets. Bij een online garageverkoop van een man uit Connecticut zag ik een zwarte Bancroft Björn Borg Personal en een witte Wilson Jack Kramer Authograph. Beide rackets waren in goede staat en de verleiding was te groot. Bancroft is een oud Amerikaans tennisracketmerk daterend van eind 19de eeuw, waarmee Borg om sponsorredenen buiten Europa tenniste. Binnen Europa gebruikte hij de rackets van het Belgische Donnay uit het Naamse Couvin. De Amerikaan Jack Kramer won tijdens de jaren 40 zowel Wimbledon als de US Open. Ik kocht een tijdje geleden ook zijn biografie uit 1979, maar daar schrijf ik in een latere boekenplankblogpost meer over.

Beide rackets kregen de voorbije maand gezelschap. In een kringloopwinkel in de buurt vond ik een zwarte Snauwaert Caravelle St. en een witte Slazenger Professional. Vooral met de Snauwaert, het legendarische Belgische tennisracketmerk uit Roeselare, ben ik heel tevreden. Dit houten racket heeft immers nog een besnaring met het logo van Snauwaert en kwam met een originele beschermhoes. Beide rackets dateren vermoedelijk van midden tot eind jaren 70 of begin jaren 80.

Het is alleszins de bedoeling om de collectie tennisrackets uit te breiden. :-)