De boekenplank van de maand januari

Ik vertel op deze website dat ik kamers vol oude sportboeken wil verzamelen. Daarom bezoek ik maandelijks kringloopwinkels en 2dehandsboekhandels. Ook snuister ik in de plooien van het internet. Ik zoek oude sportboeken, maar ben niet blind voor elpees, singles en andere sportmemorabilia. Dit is een greep uit de vangst van de maand januari.

‘Ik, Jean-Marie’ | Lex Molenaar

“Iedereen denkt te weten hoe ik in elkaar zit. Nu wil ik zelf wel eens vertellen wie ik ben en wat ik tot nog toe heb gedaan.” Tot zover de bedoeling van deze memoires van Jean-Marie Pfaff, die in 1987 als ondertitel ‘de beste keeper ter wereld over zijn triomfen en nederlagen’ kregen. En dat is niet gelogen. Hoofdstukken boordevol fijne anekdotes worden afgewisseld met korte interviews met Carmen Pfaff en Guy Thys.

Het boek werd opgetekend door Lex Molenaar, destijds chef-redacteur van het weekblad Panorama, in een zeer entertainende schrijfstijl. Inhoudelijk af en toe met een korrel zout te nemen maar nooit ofte nimmer vervelend.

Uitgeverij De Ballon, Wommelgem, 1987, eerste druk, 160 pagina’s

‘Snooker’ | Rudy Bauwens

Auteur Rudy Bauwens is vandaag snookercommentator bij Eurosport. In 1986 schreef hij ‘Snooker’, dat een mooi overzicht geeft van de snookerwereld tijdens de jaren 80, het decennium waarin snooker met een stevige windstoot uit Engeland kwam overgewaaid.

Het boek bevat naast biografieën van topspelers ook tal van trainingstips, wat het ook tot instructieboek maakt. De laatste hoofdstukken zijn gewijd aan ‘de goddelijke 147’ (maximumbreak) en snooker in België. Het boek kreeg een mooie inleiding door Raymond Ceulemans.

Press, Antwerpen, 1986, eerste druk, 280 pagina’s

Björn Borg en Jack Kramer kregen gezelschap

Enkele jaren geleden kocht ik via eBay twee houten tennisrackets. Bij een online garageverkoop van een man uit Connecticut zag ik een zwarte Bancroft Björn Borg Personal en een witte Wilson Jack Kramer Authograph. Beide rackets waren in goede staat en de verleiding was te groot. Bancroft is een oud Amerikaans tennisracketmerk daterend van eind 19de eeuw, waarmee Borg om sponsorredenen buiten Europa tenniste. Binnen Europa gebruikte hij de rackets van het Belgische Donnay uit het Naamse Couvin. De Amerikaan Jack Kramer won tijdens de jaren 40 zowel Wimbledon als de US Open. Ik kocht een tijdje geleden ook zijn biografie uit 1979, maar daar schrijf ik in een latere boekenplankblogpost meer over.

Beide rackets kregen de voorbije maand gezelschap. In een kringloopwinkel in de buurt vond ik een zwarte Snauwaert Caravelle St. en een witte Slazenger Professional. Vooral met de Snauwaert, het legendarische Belgische tennisracketmerk uit Roeselare, ben ik heel tevreden. Dit houten racket heeft immers nog een besnaring met het logo van Snauwaert en kwam met een originele beschermhoes. Beide rackets dateren vermoedelijk van midden tot eind jaren 70 of begin jaren 80.

Het is alleszins de bedoeling om de collectie tennisrackets uit te breiden. :-)

Gelezen | ‘Lat is hoog over’ – Arjan Peters

Arjan Peters, literair recensent bij de Volkskrant, schreef tijdens de wereldbeker voetbal in Rusland voor diezelfde krant elke dag een column. In 24 stukjes, niet langer dan driehonderd woorden, legt hij telkens de link tussen voetbal en literatuur. Na afloop van het toernooi werden de columns verzameld in een bundel met als titel ‘Lat is hoog over’.

Arjan Peters

Arjan Peters bekijkt voetbal op een andere manier. Hij observeert, kijkt naar de dag die zal volgen en schrijft zinnen die aanvoelen als momenten van zen. In elke column kleeft Arjan Peters een gebeurtenis, een opvallend iets, aan een passage uit een of meerdere voetbalboeken, vaak klassiekers, uit zijn naar eigen zeggen bescheiden voetbalbibliotheek.

België – Panama & dichter Remy

Zo wordt een vooruitblik naar België – Panama gelinkt aan Remy C. van de Kerckhove. Van de Kerckhove was, behalve dichter, eind jaren dertig en tijdens de jaren veertig ook aanvaller bij Racing Mechelen en later ook onder meer Union. Hij was ook voetbalverslaggever bij de toenmalige NIR, de voorloper van de BRT, tot hij in 1958 op 36-jarige leeftijd om het leven kwam bij een verkeersongeval.

In het prachtige Dichter Remy beschrijft Arjan Peters hoe van de Kerckhove voorafgaand aan de wedstrijd de kleedkamer van de tegenstander ingaat ‘om er wat bundeltjes te slijten’. “Het zou een stunt zijn als er voorafgaand aan de match op de kleedkamer van Panama wordt geklopt, omdat Leander Dendoncker zijn somberste sonnetten komt slijten, en Marouane Fellaini zijn vileine villanellen” sluit Peters de column af. Heerlijk.

Arjan Peters in de podcast ‘Bij Groenteman in de kast’

Arjan Peters was tijdens de wereldbeker ook te gast in de podcast ‘Bij Groenteman in de kast’, een podcast waarin schrijver, presentator en journalist Gijs Groenteman elke week in gesprek gaat met iemand die hem heeft verwonderd. De aflevering met Arjan Peters is een fijne blik op de wereldbeker en levert een boeiende babbel op over de ingrediënten van een goed voetbalboek.

‘Lat is hoog over’ van Arjan Peters telt tachtig bladzijden. Op de achterflap laat Peters weten dat hij het als zijn doel beschouwt de lezer aan te zetten klassieke voetbalverhalen te herlezen. Arjan Peters is in zijn opzet geslaagd. De goesting om die eigen voetbalbibliotheek uit te breiden is na het lezen van ‘Lat is hoog over’ alleen maar groter geworden.

Uitgeverij Prometheus, Amsterdam, 2018, eerste druk, 80 bladzijden

Gelezen | 2 boekentips over voetbal in Rusland

Met het wereldkampioenschap voetbal in Rusland in het vooruitzicht ging ik enkele maanden geleden de online boekenmarkt op. Ik zocht boeken over de achtergrond van het Russische voetbal en, bij uitbreiding, heel Oost-Europa. Het voetbal in het voormalige Oostblok fascineert me wegens de raadselachtigheid die eromheen hangt, en voedt met wazige beelden en krakende commentaarlijnen tegelijk een honger naar nostalgie.

Behind the Curtain: Football in Eastern Europe – Jonathan Wilson

Auteur Jonathan Wilson was me bekend van het boek The Outsider: A History of the Goalkeeper waarin hij, zoals de titel het zegt, de lezer meeneemt op een tijdsreis doorheen het DNA van de doelman. The Outsider is een uitstekend boek, dus twijfelde ik niet toen ik een tweedehandsversie van Behind the Curtain vond voor amper vijf euro.

In dit boek, dat dateert van 2016, gidst Jonathan Wilson doorheen het voetbal in Oekraïne, Polen, Bulgarije, het voormalige Joegoslavië, Hongarije, Roemenië, Georgië, Armenië, Azerbeidzjan en Rusland. Wilson doet het telkens met een grote persoonlijke toets. Daardoor krijg je als lezer het gevoel dat je op ontdekkingsreis bent. Wilson heeft bovendien gevoel voor historiek en bespreekt de rijke geschiedenis van het Oost-Europese voetbal.

Football Dynamo: Modern Russia and the People’s Game – Marc Bennetts

Ook tweedehands kocht ik Football Dynamo, een boek van Marc Bennetts uit 2008. Bennetts is een Brits journalist met Moskou als thuisbasis. Hij is zo de perfecte man om het Russische voetbal en de rol ervan in de Russische samenleving te beschrijven.

In het boek schetst de auteur de achtergrond van de verschillende voetbalclubs uit Moskou. Hij ontrafelt het enigma van het Russische voetbal. Bennetts beschrijft hoe de nationale ploeg na het uiteenvallen van de Sovjet-Unie in 1991, met het missen van de wereldbeker in 1998, 2006 en 2010 en het niet bereiken van de knock-outfase in 1994 en 2014, een nieuwe plaats moest zien te vinden. Daarbij gaat Bennetts onderwerpen als corruptie, racisme en hooliganisme niet uit de weg.

Gelezen | ‘Vaders, zoons & voetbal’

Het doorgeven van dna uit zich in de contouren van een gezicht, in onmiskenbare karaktertrekken en in de voetbalclub die men bemint. Het hoeft dan ook niet te verbazen dat de relatie vaders, zonen en voetbal voor vele schrijvers een inspiratiebron is geweest. In het jaar 2000 werden elf kortverhalen verzameld in ‘Vaders, zoons & voetbal’, een line-up met stukken van onder meer Herman Brusselmans, Nick Hornby en David Endt.

Magnifiek – David Endt (1998)

David Endt is voormalig teammanager van Ajax. Hij neemt de lezer mee op de spelersbus tijdens een verplaatsing naar Doetinchem eind jaren 90. Ajax speelt er tegen De Graafschap. David Endt beschrijft de relatie met zijn vader aan de hand van een gedicht uit een bundel met als ondertitel Gedichten over de vader. Hoe anders ze naar voetbal kijken, bijvoorbeeld, en de verschillende woordenschat die ze gebruiken. ‘Magnifiek’ is een mooie broze tekst vol stille overpeinzingen te midden van een schreeuwerige spelersbus.

Mijn broer – Nick Hornby (1993)

Nick Hornby schreef in 1992 het fantastische Fever Pitch. Daarin beschrijft hij uitvoerig hoe voetbalclub Arsenal als een rode draad door zijn leven loopt. Vaders en zonen horen samen in de tribune, naast elkaar en met een identieke sjaal rondom de hals. Maar wat als een zoon een andere voetbalgeliefde kiest dan degene die de vader voor hem heeft voorbestemd?

Het team der wezen – Herman Brusselmans (1994)

‘Het team der wezen’ van Herman Brusselmans is, samen met ‘Kick Off 2 of De Lange Aanloop naar Amerika’ van Herman Koch, het beste voetbalverhaal dat ik ooit heb gelezen. Het verscheen oorspronkelijk in Hard gras, het Nederlandse voetbaltijdschrift voor lezers, van december 1994.

Herman Brusselmans vertelt over zijn jeugdvoetbaljaren bij VW Hamme en Sporting Lokeren en verweeft dit naadloos met het gezinsleven van elke dag. Dat gezin is, zoals een voetbalteam, een ploeg waarin elk lid een essentiële rol vervult. Als dan de kapitein van de ploeg wegvalt, blijven de teamgenoten verweesd achter. De dialogen zijn amusant en de pointe is fenomenaal.

Vaders, zoons & voetbal telt ook verhalen van onder andere Freek de Jonge, Bert Hiddema en Ronald Giphart.

Uitgeverij Van Holkema & Warendorf, Houten, 2000, eerste druk, 128 pagina’s

Bezocht | Boekenfestijn Kortrijk

Van 5 tot en met 8 april vond in Kortrijk Xpo het Boekenfestijn plaats. Ik bezoek het Boekenfestijn al enkele jaren en kocht er al veel sportboeken voor een schappelijke prijs. De boeken zijn niet tweedehands, wel enkele jaren geleden gepubliceerd. Vooral Nederlandse uitgeverijen bieden boeken aan – het Boekenfestijn is van oorsprong een Nederlandse organisatie. De voorbije edities zie ik ook meer Engelstalige uitgaven. Dit zijn de boeken die ik ditmaal van het Boekenfestijn heb meegebracht.

1936. Wij gingen naar Berlijn – Auke Kok

In ‘1936. Wij gingen naar Berlijn’ vertelt auteur Auke Kok (1956) het verhaal van de Nederlanders die in 1936 naar de Olympische Zomerspelen in Berlijn en Olympische Winterspelen in Garmisch-Partenkirchen gingen. De propagandaspelen zijn de Spelen van Jesse Owens, die vier keer goud wint. Kok beschrijft in 15 hoofdstukken de innerlijke strijd van de Nederlandse sporters. ‘1936. Wij gingen naar Berlijn’ won begin mei vorig jaar de Nico Scheepmaker Beker, de prijs voor het beste sportboek van het jaar 2016.

Aankoopprijs: 9,99 €

The Little Wonder: The Remarkable History of Wisden – Robert Winder

Ik zie cricket af en toe op de BBC. Dan zap ik meestal, vooral omdat ik niks van de spelregels snap. Met cricket heb ik weinig, met prachtige boekcovers heb ik veel. Dus liet ik me verleiden tot het boek van Robert Winder. Hij beschrijft in ‘The Little Wonder’ de geschiedenis van de Wisden, al sinds 1864 hét standaardwerk over cricket.

De cricketalmanak, vernoemd naar stichter en legende John Wisden (1826-1884), staat bekend als ‘the Bible of Cricket’. The Times omschreef het boek van Winder, daterend van 2013, als ‘The best cricket book of the year, by a long way’. 

Aankoopprijs: 1,99 €

Wisden on the Ashes: The authoritative story of cricket’s greatest rivalry

Op de lange boekenplank lag hij welgevoed en wat bestoft in zijn gele vel: de ‘Wisden on the Ashes’, editie 2010-2011. Ik kon dan ook niet anders dan deze echte Wisden Cricketers’ Almanack meenemen. Cricketleken linken het spel aan de Ashes. Dit zijn een serie testmatchen tussen Engeland en Australië die al sinds 1882, en meestal om de twee jaar, plaatsvinden.

Het boek opent met een reisverslag uit 1876. De Engelsen reisden op 21 september met de boot vanuit Southampton naar Australië om er hen op 15, 16, 17 en 19 maart 1877, nog voor de eerste editie van de Ashes, in Melbourne de allereerste keer te bekampen. De encyclopedie telt 628 pagina’s en staat vol met weetjes over wedstrijden en spelers.

Aankoopprijs: 5,99 €

Meer info over het Boekenfestijn en volgende edities op de website van het evenement: www.boekenfestijn.be

Gelezen | ‘Voetballen is aanvallen!’ – Raoul Lambert

Vorige zomer had ik een afspraak met Raoul Lambert. Ik werkte aan ‘de Club’, het boek naar aanleiding van 125 jaar Club Brugge, en had hem de week voordien opgebeld. We spraken af aan het Jan Breydelstadion. Raoul Lambert kwam op een maandagnamiddag de parking opgereden. Hij stapte uit zijn auto, doofde zijn sigaretje en liftte de zonnebril van zijn gezicht.

Ik had de dagen voordien voor de tweede keer ‘Voetballen is aanvallen!’ gelezen. De biografie dateert uit 1977 en daarin vertelt Raoul Lambert zijn verhaal, van zijn jeugdjaren in Steenbrugge, een wijk in de Brugse deelgemeente Assebroek, bij het lokale SK tot Europese faam bij Club Brugge. Voetballers waren nog volkse helden.

“Voetballen is niet alleen mijn beroep; het is ook mijn eerste hobby.”

Het boek is gevuld met anekdotes, geschreven in een sappig archaïsche verteltaal, en geïllustreerd met foto’s uit het Sport 70-archief en Brugsch Handelsblad. Raoul Lambert kijkt als een kuifjesfiguur met grote verwondering naar de wereld die hij door zijn voetballersbestaan mag ontdekken.

Exemplarisch is het gedeelte over de Jubilotte. De wedstrijd, die werd gespeeld op 24 mei 1975, tussen Club Brugge en een selectie Rode Duivels vond plaats als afscheid aan het oude Clubstadion De Klokke en stond ook in het teken van Lamberts vijftienjarig jubileum bij Club. Raoul Lambert vertelt met een ontwapenende bescheidenheid over de rit met de open koets naar het stadhuis die echtgenote Hedwige en hem dagenlang nachtmerries had bezorgd.

“Hedwige kreeg er koude rillingen van telkens ze eraan dacht dat ze in die open koets door de stad zou trekken, en eerlijk gezegd was ik ook veel minder op mijn gemak dan wanneer het erop aankomt een doelpunt te scoren.”

Het jubileum is geen eindpunt. Raoul Lambert heeft een groot aandeel in de steile opgang van Club Brugge naar de Europese top. Hij is een belangrijke schakel in het elftal van trainer Ernst Happel dat tijdens de tweede helft van de jaren 70 drie keer op rij landskampioen wordt en twee Europabekerfinales bereikt. In dat laatste schuilt meteen ook het grootste voetbaldrama uit de loopbaan van Raoul Lambert. Door een blessure mist hij in 1978 de op Wembley gespeelde Europabeker I-finale tegen Liverpool.

Ik kocht de biografie online in een tweedehandsboekhandel in het Engelse Blackburn. Het is gesigneerd met de woorden ‘Met veel sympathie’. Ik dacht zo een redelijk uniek exemplaar te bezitten, maar Raoul Lambert vertelde me dat nagenoeg elk exemplaar die boodschap draagt. :-) Bijna twee uur lang kon ik me die namiddag laven aan de verhalen van Raoul Lambert. Op de parking schudden we elkaar de hand. Raoul stapte in zijn auto, zwaaide nog even en weg was hij, de Clubspeler van de eeuw, terug naar huis. Het gras moest immers nog worden gemaaid.

De eerste zinnen uit ‘Voetballen in aanvallen!’

“De klokken van de Paterskerk luidden me opeens wakker. In mijn dromen was ik mijn zoveelste doelpunt aan het scoren toen het vertrouwde geluid vanuit de nabijgelegen Benedictijnenabdij me deed ontwaken. Zes uur. Ik kijk even rond in het kleine slaapkamertje dat ik met mijn broers deelde. De eerste zonnestralen vielen binnen langs het raampje en alles was rustig en stil in huis.”

Uitgeverij Raaklijn, Brugge, eerste druk, 1977, 119 pagina’s

Gelezen | ‘Marc Demeyer, een flandrien uit Outrijve’ – Eric en Johan Demets

Ik reed enkele maanden geleden naar het kleine kerkhof van Outrijve. Rond de kerk, tussen wankele en soms verzonken grafstenen, zocht ik de graven van twee oud-winnaars van Parijs-Roubaix. De eerste, Paul Deman, won de klassieker in 1920. Hij is echter vooral bekend als de allereerste winnaar van de Ronde van Vlaanderen, zeven jaar eerder.

Toegegeven, Paul Deman was niet de oorzaak van mijn bezoek. Ik zocht vooral de laatste rustplaats van Marc Demeyer, winnaar in 1976. Die zege was destijds een grote verrassing. Demeyer was een meesterknecht met een uitgebreide erelijst, en naast Michel Pollentier en Freddy Maertens een van de drie musketiers van de beroemde Flandria-ploeg van Lomme Driessens. Op de piste van Roubaix spurtte “Markie” sneller dan Francesco Moser, Roger De Vlaeminck en Hennie Kuiper. Die zondag stond het hele dorp op zijn kop.

A Sunday in Hell

Het toeval wil dat de triomf is vastgelegd voor de eeuwigheid. De Deense filmmaker Jørgen Leth draait dat jaar immers de documentaire A Sunday in Hell. Hij volgt daarin het spoor van de protagonisten, van hun ochtendlijke voorbereiding tot de betonnen douches. De documentaire geeft zo een uniek beeld van de koers. Tijdens de climax beklimt Marc het podium. Hij steekt de armen omhoog en neemt een teug van een flesje Perrier. Dat hoort zo. Sponsorverplichtingen.

Régional de l’étape

Marc Demeyer is geen anoniem gezicht in het peloton-van-voor-mijn-tijd. Meer zelfs, hij is de hoofdrolspeler in de wielerverhalen die ik als kind te horen kreeg. Zijn grootvader en mijn overgrootmoeder waren broer en zus. Elk verhaal schetst hetzelfde beeld: een man met oerkracht in de benen die in de jeugdreeksen zijn fietskaders breekt.

Wanneer Marc koerste, ging de familie vaak kijken. Ook als in 1977 de twaalfde rit van de Ronde van Frankrijk, tussen Roubaix en Charleroi, door zijn Outrijve passeert. Als régional de l’étape rijdt “Markie” voor het peloton uit. In 1978 en 1979 wint hij een Tourrit. Daarna slabakt zijn carrière. Marc Demeyer overlijdt op 20 januari 1982. Hartstilstand. 31 jaar oud. Op zijn grafzerk staat nog altijd een steen van wielerclub ‘Demeyers Hand in Hand’, zijn supportersclub.

Een flandrien uit Outrijve

Vorig jaar, veertig jaar na zijn overwinning in Parijs-Roubaix, hebben enkele leden van de wielerclub een compact boek uitgegeven. ‘Een flandrien uit Outrijve’ vertelt, naast het verhaal van Marc, ook dat van zijn Outrijve. Het is geïllustreerd met foto’s van onder andere het Wielermuseum Roeselare en uit het familiearchief. De Facebookpagina van het boek, waar wekelijks foto’s en krantenartikelen worden gepost, is een onuitputtelijke archiefplaats over de carrière van Marc Demeyer. De mooiste tekst is te vinden op pagina 93 van het boek, een gedicht van de Nederlander Albert Megens.

Marc Demeyer

Maertens, Demeyer en Pollentier.

Jij bent de grootste, de sterkste musketier. Meesterknecht met een palmares van een officier.

Ruim zestig zeges in totaal: klassiekers, etappes in de Tour.

Geen kannibaal maar een West-Vlaamse Reus, uit Outrijve meer speciaal.

Stevig, gedreven, onverzettelijk en stoer.

Hoe het een reus vergaat? Daar liegt geen boosaardig sprookje om.

Niet op het slagveld val jij neer, niet op een bed. Uiteraard ook niet van ouderdom.

Wel tot en met berooid, bestolen en gekooid.

Wielerclub ‘Demeyers Hand in Hand’, Eric en Johan Demets, eerste druk, 2016, 108 pagina’s

Gelezen | ‘De Ronde, een pocket in gele trui’ – Jos Ghysen & Piet Theys

In 1964 stuurt de directie van de toenmalige BRT Jos Ghysen (1926-2014) met een bijzondere opdracht naar de Ronde van Frankrijk. Het is 25 jaar geleden dat Sylvère Maes als laatste Belg de Tour heeft gewonnen en de BRT wil het zilveren jubileum niet zomaar voorbij laten gaan. Ghysen, een koersleek, moet naar Frankrijk en hij doet dat samen met Piet Theys (1927-1974), de man van de radio en zoveel meer, die aan zijn vierde Ronde begint en de wens uitspreekt in Parijs een andere eindwinnaar te mogen begroeten dan Jacques Anquetil.

“Wat er hier in Frankrijk aan de hand is, weet ik niet. Hier werkt niemand. U mag komen waar u wil, we hebben nu al zoveel dorpen geprobeerd, iedereen staat op straat.”

De Tour in cursief

In ‘De Ronde, een pocket in gele trui’ beschrijven de auteurs het Tourleven in 48 cursiefjes.Als acrobaten jongleert het duo met woorden, vol humor en zelfspot. Ghysen cultiveert zijn onwetendheid, terwijl Theys speelt met de spanning tussen renner en volger. Ze prikkelen de fantasie en zo voelt elk stukje als een boodschap op een postkaart.

“Vlamingen zijn een vriendelijk volk, ze komen tot op de top van de Tourmalet om u goedendag te zeggen. De Tourmalet zat er gisteren vol van. Ze zaten erop met een vastberadenheid alsof ze niet meer van plan waren er nog ooit af te komen. Na 1302 was dit hun grootste overwinning.”

We lezen over de sandwiches van Rik Van Looy, de teloorgang van de snor in de Tour en het zwarte koersbroekje van de Spanjaard Fernando Manzaneque (rugnummer 93) op het balkon van een hotelkamer in Monaco, maar ook over de solidariteit en het familiegevoel binnen de hele karavaan – ‘de Ronde tafel’ aldus Theys – en de stille bewondering voor de favorieten en het applaus voor de afgebeulden op de Galibier. Tourdirecteur Jacques Goddet, chauffeur en oud-renner Gust Danneels, en viervoudig ritwinnaar Ward Sels zijn terugkerende personages.

“Het peloton is een gevangenis met een zeer sterke tucht. De gevangenen mogen slechts een wandelingetje maken, wanneer zij niet gevaarlijk zijn.”

Het is opvallend dat het ongeval met een tankwagen, dat op 11 juli plaatsvond in Port de Couze, waarbij negen mensen overleden slechts één keer, en drie dagen na de gebeurtenis, summier wordt vermeld.

Roadtrip door het Frankrijk van de Gaulle

De wens van Piet Theys wordt niet vervuld. Anquetil wint voor de vijfde (en laatste) keer de Ronde van Frankrijk. Hij houdt 55 seconden over op Raymond Poulidor en bijna vijf minuten op Frederico Bahamontes. Maar dat is bijzaak. ‘De Ronde, een pocket in gele trui’ is immers geen volbloed wielerboek. Het is een roadtrip door het Frankrijk van president de Gaulle, op de achterbank luisterend naar de dagboekverhalen van twee meestervertellers, helemaal tot in Parijs.

“Voilà, ’t is gedaan. Het werd tijd. We zijn het moe. Dag Tour. Het land met de grijze wolken wenkt. Het ergste moet nog komen: aan iedereen, aan iedereen apart, uit eerste hand van naaldje tot draadje vertellen hoe het nu eigenlijk precies ineenstak.”

Met de groeten van Jos Ghysen en Piet Theys. Dankjewel, heren. We hebben graag geluisterd.

Uitgeverij Heideland, Hasselt, eerste druk, 1964, 157 pagina’s

Beluisterd | Sports Book Podcast

Met Winteruur bewijst Wim Helsen dat een literatuurprogramma kan slagen als het concept goed zit. Winteruur hanteert het succesprincipe ‘hou het kort en simpel’. Ook bij de Britse Sports Book Podcast staat eenvoud voorop. Dat wil zeggen: een losse babbel van een twintigtal minuten met de auteur van een pas gepubliceerd sportboek.

De Sports Book Podcast is een initiatief van Matt Williams, presentator bij BBC Radio 2. Hij interviewt op een manier die aangenaam in het oor ligt. De podcast is in mei 2015 gestart en telt inmiddels ruim zestig afleveringen. In het verleden verscheen de podcast op willekeurige momenten, voortaan zal die wekelijks te horen zijn, meestal op dinsdag.

In de meest recente episode ontvangt Williams James Montague. Hij schreef ‘The Billionaires Club’, een boek over de superrijke eigenaren van voetbalclubs. Dat levert een boeiende babbel op over de aantrekkingskracht van Britse voetbalclubs, de Chinese voetbalmarkt en hoe supporters denken over de bron van al dat investeringsgeld. Ook succescoach Carlo Ancelotti passeerde vorig jaar de revue.

Bij de Sports Book Podcast regeert niet enkel Koning Voetbal. Onder andere wielrenster Lizzie Deignan en Ross Brawn, voormalig Formule 1-teambaas en nu F1-consultant, kwamen al praten over hun boek. Toch is de Sports Book Podcast geen fanfare van beroemdheden die hun boek komen voorstellen. Meer nog: als je de volledige afleveringenlijst bekijkt, dan zie je vooral (voor ons) onbekende namen met boeken over boksen, cricket en rugby. Heel divers dus.

Ik wil bij een podcast elk woord, elke zin, elke redenering horen. Ik verplicht mezelf om heel geconcentreerd te luisteren. Dat de Sports Book Podcast tussen de 15 en 25 minuten duurt, is dus een flink pluspunt. Ik heb inmiddels een twintigtal van de meer dan zestig afleveringen beluisterd en telkens vraag ik me af: welke goede radiostem van bij ons start een Vlaamse versie?

Je vindt alle afleveringen van de Sports Book Podcast hier terug.

Gelezen | ‘String Theory’ – David Foster Wallace

Tennis en schoonheid gaan hand in hand, of het nu gaat om een pioniersrol op modevlak, zowel op als naast de court, of de elegantie van het spel. Voeg er de mentale laag aan toe – tennis is, op het allerhoogste niveau, een spel van centimeters – en je krijgt een cocktail voor boeiende verhalen in een literair woordenspel.

Wie zich wil laven aan tennisliteratuur, moet zich wenden tot Engelstalige auteurs. Zo publiceerde John McPhee in 1969 de klassieker ‘Levels of the Game’, opgebouwd rond de 1968 US Open-halve finale tussen Arthur Ashe en Clark Graebner, twee Amerikanen die qua achtergrond niet meer van elkaar konden verschillen, en is er het paradijselijke toevluchtsoord David Foster Wallace (1962-2008). Library of America bundelde in 2016 vijf tennisessays met als titel ‘String Theory’.

Derivative Sport in Tornado Alley (1991)

David Foster Wallace vertelt in dit essay hoe hij de passie voor tennis ontdekt. Hij veegt de vloer aan met rijkeluiszonen, tot hij op zijn vijftiende op zijn limieten stuit en zich moet neerleggen bij het zelfverklaarde statuut van nearly great junior player. Opvallend: David Foster Wallace gebruikt de graansilo’s in Philo, een piepklein stadje in Illinois, als decor voor zijn kindertijd, terwijl hij er nooit heeft gewoond.

How Tracy Austin Broke My Heart (1992)

Aan de hand van ‘Beyond Centre Court: My Story’ (1992), de autobiografie van Tracy Austin, US Open-winnares in 1979 en 1981, ontleedt David Foster Wallace het probleem van veel sportbiografieën. Ze drijven meestal op ‘inspireren’ en gebruiken daarvoor het klassieke heldenverhaal als leidraad: de sporter heeft heel wat hindernissen moeten overwinnen, een uitputtende queeste naar de top. David Foster Wallace stelt dat dit ook kan gelden voor een fantastische boekhouder of een uitmuntende loodgieter.

Met andere woorden: sportbiografieën zijn een en al cliché. Ze suggereren grootsheid, maar zijn vaak niet zo bijzonder. Bovendien zijn ze vooral geschreven voor het welzijn van de sporter en diens naaste omgeving. Sportbiografieën zijn commercieel interessant, maar dragen zelden iets bij. Boeiende gedachtegang.

The String Theory (1996)

Fantastisch essay waarin David Foster Wallace de verborgen realiteit van het proftennis beschrijft. Dat doet hij aan de hand van Michael Joyce, een Amerikaans tennisser, en op het moment van het schrijven 22 jaar oud en het nummer 79 op de wereldranglijst. David Foster Wallace volgt Joyce tijdens het kwalificatietoernooi van de Canadian Open en geeft in één pennentrek door tennisgeschiedenisles. Het volledige essay is hier te lezen.

Eerder dit jaar verscheen in Racquet magazine een lezenswaardig vervolg. Daarin ging journalist Sam Riches op zoek naar Michael Joyce en de invloed van David Foster Wallace’s essay op het leven van Joyce. Je kunt het stuk, met als titel ‘Michael Joyce’s Second Act’, hier lezen.

Democracy and Commerce at the US Open (1996)

David Foster Wallace bezoekt tijdens Labor Day Weekend 1995 de US Open. Zijn perskaart laat hem toe te meanderen langs een wedstrijd tussen Pete Sampras en Mark Philippoussis, de overal aanwezige reclame en de bedrijvigheid bij eettenten en souvenirstanden. Bottom line: commercie regeert en tennis is slechts lijdend voorwerp. David Foster Wallace in volle vlucht.

Federer as Religious Experience (2006)

Het essay dat bekend is geworden voor het introduceren van de term ‘Federer Moments’ – zie de openingszinnen hieronder. Dit is geen stuk over Roger Federer zelf, wel over de toeschouwerservaring bij het zien van de tennisser Roger Federer. Daarvoor reist David Foster Wallace in 2006 naar Wimbledon waar hij de finale tussen Federer en Rafael Nadal bekijkt.

De manier waarop hij de Zwitser beschrijft is als een beeldhouwer die een standbeeld vervaardigt. Elke slag, elke gelaatsuitdrukking, het voetenwerk. Elk detail wordt weergegeven. Sublieme observatie en interpretatie. Het volledige stuk is hier te lezen.

Waarom zijn de teksten van David Foster Wallace over tennis zo goed?

David Foster Wallace kent tennis en begrijpt de mentale dimensie ervan. Hij is de leerling achterin de klas die nooit de vinger opsteekt, maar de omgeving observeert en die vervolgens woordelijk weergeeft met de precisie van een winnende forehand, backhand of opslag. Dat maakt David Foster Wallace tot een fantastisch tennisschrijver: zijn woorden en het tennisspel zijn van dezelfde soort. Ze zijn één.

De eerste zinnen uit ‘Federer as Religious Experience’

Almost anyone who loves tennis and follows the men’s tour on television has, over the last few years, had what might be termed Federer Moments. These are times, as you watch the young Swiss play, when the jaw drops and eyes protrude and sounds are made that bring spouses in from other rooms to see if you’re O.K.

Library of America, New York, derde druk, 2016, 138 pagina’s