Club Brugge kampioen 1919-1920 | SP6: Racing Club de Bruxelles – FC Brugeois 2-3

Een week na de derbyzege reist FCB op zondag 9 november 1919 richting hoofdstad. Ditmaal geeft het in het Stade du Vivier d’Oie in Ukkel Racing Club Brussel partij. Racing is op dat moment een club met allure. De Brusselaars zijn zesvoudig landskampioen, waaronder vier opeenvolgende titels van 1900 tot en met 1904. Ook in 1897 en 1908 was Racing CB kampioen.

In de startopstelling van de thuisploeg springen de Engelse broers Maurice en Charles “Cyrille” Bunyan Jr. in het oog. Zij zijn de zonen van Charles Bunyan Sr., in 1909 vanuit Engeland overgekomen om trainer te worden bij Racing CB. Charles bracht zijn zoon Maurice mee en vanaf 1911 voetbalt ook Charles Jr. bij de club. Zij vormen voor en na de Eerste Wereldoorlog het aanvalsduo van de Brusselse club, ook die novembernamiddag.

Sportwereld meldt, ondanks dapper verweer van Racing CB, een verdiende zege voor FCB.

Racing Club Brussel heeft in zijn vorige vijf wedstrijden amper één punt gesprokkeld. Ook tegen FCB kent het die zondagnamiddag een moeilijke start. Félix Balyu etaleert zijn grote vorm en scoort na een hoekschop het eerste doelpunt. Club domineert aan de Ganzenvijver. Met nog twee doelpunten van Léon Vande Voorde staat het aan de rust 0-3.

Tijdens een meer evenwichtige tweede helft laat FCB-doelman René De Smet zich verschillende keren onderscheiden. Toch moet hij zich nog twee keer gewonnen geven. Eerst op een poging van Maurice Bunyan. Twee minuten voor affluiten legt een andere Engelsman, Alphonse Wright, de 2-3-eindstand vast. De krant Sportwereld meldt, ondanks dapper verweer van Racing CB, een verdiende zege voor FCB. De krant ziet Charles Cambier, René De Smet, Armand Pollet en Félix Balyu als uitblinkers bij Club.

FCB wint voor de vierde keer op rij en staat in het klassement nu op de derde plaats. Ook het Brusselse leidersduo Daring en Union wint opnieuw. Union haalt stevig uit: het verslaat Racing Club Gent met 9-1.

Voor deze blogpost werd gebruikgemaakt van volgende bronnen:

  • Archief Sportwereld
  • Boek Dries Vanysacker (2010). Van FC Brugeois tot Club Brugge KV (1891–2010). De maatschappelijke inbedding van een Brugse, Vlaamse, Belgische en Europese voetbalploeg. Brugge: Van de Wiele
  • Boek Kurt Deswert (2016). Aftrap in Brussel. De vergeten geschiedenis van het voetbal in de hoofdstad. Gent: Borgerhoff & Lamberigts

Club Brugge kampioen 1919-1920 | SP5: FC Brugeois – Cercle Sportif Brugeois 2-0

Op zondagnamiddag 2 november 1919 vindt op speeldag vijf voor het oog van enkele duizenden toeschouwers de eerste Brugse derby van het seizoen plaats. De wedstrijd is een duel tussen twee ploegen in de middenmoot van het klassement. Op het terrein De Klokke is er aanvankelijk dan ook weinig niveauverschil. Wel kunnen de toeschouwers zich laven aan knappe combinaties. Ondanks bij wijlen vinnig en kunstig voetbal staat het aan de rust nog altijd 0-0.

Ook tijdens de tweede helft gaat de wedstrijd lange tijd gelijk op, tot een kwartier voor affluiten. Dan zet linkervleugel Armand “Manten” Pollet, die een week eerder ook al twee keer scoorde in Mechelen, FCB op voorsprong. Niet veel later verdubbelt Emiel Van Belle de score. Vlak voor affluiten krijgt Albert Van Coile nog een unieke kans op de eerredder. Hij geraakt van op drie meter niet voorbij FCB-doelman René De Smet, die na twee wedstrijden afwezigheid wegens blessure zijn plaats als eerste doelman opnieuw heeft ingenomen.

FCB schuift dankzij de derbywinst in het klassement naar de vierde plaats.

Club boekt een knappe 2-0-overwinning tegen de stadsgenoot. Journalisten loven na afloop de prestatie van de dubbele broedertandem René en Honoré De Smet en Emiel en Armand Pollet. Ook Ernest Rachels krijgt een pluim. Bij Cercle springt Omer Baes in het oog. Hij is op dat moment een van de beste doelmannen van het land en acht jaar eerder een van de sterkhouders van de eerste titel van de vereniging. Op de allerlaatste speeldag ontmoetten FCB en Cercle elkaar toen op het veld van de groen-zwarten, die genoeg hadden aan een gelijkspel. Club kwam niet tot winst en moest de titel aan Cercle laten.

FCB schuift dankzij de derbywinst in het klassement naar de vierde plaats. Concurrenten Daring en Union kennen diezelfde namiddag geen moeite met staartploegen ARA La Gantoise en CS Verviètois. Daardoor blijft de kloof met de leiders drie punten. Union heeft wel een wedstrijd meer gespeeld.

Voor deze blogpost werd gebruikgemaakt van volgende bronnen:

  • Archief Sportwereld
  • Boek Dries Vanysacker (2010). Van FC Brugeois tot Club Brugge KV (1891–2010). De maatschappelijke inbedding van een Brugse, Vlaamse, Belgische en Europese voetbalploeg. Brugge: Van de Wiele
  • Website cerclemuseum.be

De boekenplank van de maand oktober

Ik vertel op deze website dat ik kamers vol oude sportboeken wil verzamelen. Elke maand bezoek ik kringloopwinkels en 2dehandsboekhandels. Ook snuister ik in de plooien van het internet. Ik zoek sportboeken en ben niet blind voor elpees en andere sportmemorabilia.

‘Michel Preud’homme’ | Dominique Paquet & Michel Dubois

Eind jaren 80 domineert KV Mechelen het Belgische voetbal en gooit ook in Europa hoge ogen. De club wint in 1987 de Beker van België en pakt tijdens het daaropvolgende seizoen de Beker der Bekerwinnaars. In 1989 wordt KV Mechelen ook voor de vierde keer landskampioen. Al die jaren is Michel Preud’homme bij de Mechelaars het betrouwbare sluitstuk.

Hoog tijd om dat in boekvorm te gieten dachten ze bij Uitgeverij JONAS. Dus kwam in 1990 ‘Michel Preud’homme’ op de markt, met Dominique Paquet en Michel Dubois als auteurs. Het levert een bescheiden biografie op met voorwoorden van John Cordier, destijds voorzitter van KV Mechelen, en Aad De Mos, tijdens de Mechelse succesjaren coach van KVM en in 1990 trainer van RSC Anderlecht.

Daarna volgen negen hoofdstukken een chronologische weg in het leven en de carrière van de dan 31-jarige doelman. Hoogtepunt is de epiloog. In een brief richt moeder Ginette zich tot haar zoon.

Michel, mijn zoon. Hoe gelukkig heb je mij gemaakt toen je een kleine jongen was! Je was een knappe krullenkop, teder, aanhankelijk. Toen je opgroeide hebben je wijsheid en je gezelligheid in de omgang je bij iedereen geliefd gemaakt. Vandaar dat je een massa vrienden had, zowel in het dorp als op school waar je een vlijtige leerling was.

Nu ben je een man. Maar je bent nog altijd even eenvoudig, gevoelig en vol respect voor je medemens. Ik sta nog altijd dicht bij jou. Ik deel je vreugde en je verdriet. Bedankt, mijn zoon.

Uitgeverij JONAS, Leuven, 1990, eerste druk, 147 pagina’s

Franky Van der Elst – Een Man voor Alle Seizoenen’ | Frank Buyse

Ook al van de jaren 90 dateert ‘Franky Van der Elst – Een Man voor Alle Seizoenen’. Het boek van auteur Frank Buyse is, net als ‘Michel Preud’homme’, rijkelijk geïllustreerd met zowel zwart-witfoto’s als kleurrijke beelden en belicht zowel het sportieve als persoonlijke verhaal van Franky Van der Elst met tal van getuigenissen van familie, ploeggenoten en trainers.

Het boek opent met een lofzang van Raymond van het Groenewoud. Hij beschrijft FVDE onder meer als “een hartverwarmend type van strijder” en “iemand die meer ziet dan hij zegt”. Pagina’s 42 en 43 vatten, door middel van Paniniplaatjes, 15 seizoenen carrière samen in beelden, cijfers en letters.

In de lokale Oxfam Book Shop kon ik het boek op de kop tikken in een mooi kartonnen omhulsel met daarop in grote witte letters ‘VAN DER ELST’ en rugnummer 6. ‘Een Man voor Alle Seizoenen’ is een leuk tijdsdocument dat me tijdens het lezen een nostalgische wandeling liet maken door mijn kindertijd, de tijd van FVDE als kapitein van de Club.

Roularta Books, Roeselare, 1996, eerste druk, 156 pagina’s


Ik schreef eerder over deze sportboeken (klik op de titels voor meer info):

Club Brugge kampioen 1919-1920 | SP4: Racing Club de Malines – FC Brugeois 2-3

Speeldag vier brengt Club Brugge op zondag 26 oktober 1919 naar Mechelen. Racing Club Mechelen speelt op dat moment op een terrein aan het Rode Kruisplein, vanwaar het in het najaar van 1923 zal verhuizen naar het huidige Oscar Vankesbeeckstadion. Het regent licht en achter de omheining wachten duizenden supporters op het begin van de wedstrijd. Die wedstrijd begint uitzonderlijk al om 14 uur. Dat gebeurt omdat de spelers van Club in Brussel hun treinaansluiting niet zouden missen en, ondanks de verre verplaatsing, dezelfde avond naar Brugge zouden kunnen terugkeren.

De wedstrijd staat onder leiding van scheidsrechter John Langenus. Langenus is letterlijk en figuurlijk een grote meneer. Met zijn 1,90 meter straalt de Antwerpenaar gezag uit. Hij zal in 1930, bijna elf jaar later, in Montevideo de finale van het eerste wereldkampioenschap voetbal leiden, door thuisland Uruguay met 4-2 gewonnen van Argentinië.

FCB levert in Mechelen een sterke collectieve prestatie met alweer Charles Cambier als steunpilaar.

Die namiddag houdt Langenus toezicht op elf Clubspelers, waar de jonge André Vander Hofstadt voor de tweede opeenvolgende keer in doel staat. Verder kan Club, dat schijnbaar aantreedt in een witte uitrusting, rekenen op het type-elftal. Het belet niet dat de thuisploeg al na zes minuten op voorsprong komt, een voorsprong die wordt gevierd onder daverend handgeklap van het thuispubliek. FCB laat zich echter niet wegdringen en maakt een kwartier later de gelijkmaker via aanvaller Félix Balyu. Ook na rust domineert Club het spel en komt na een onhoudbare knal van linkervleugelspeler Armand Pollet op 1-2. Toch kan het de voorsprong niet vasthouden.

FCB drukt de Mechelaars daarna tegen het eigen doel. Tien minuten voor affluiten volgt de verlossing. Een vrijstaande Léon Vande Voorde bedient Armand Pollet, die met zijn tweede van de namiddag onhoudbaar het winnende doelpunt scoort. Aanwezigen zijn het er na afloop over eens: de zege is verdiend. FCB levert in Mechelen een sterke collectieve prestatie met alweer de 35-jarige Charles Cambier als steunpilaar. Na afloop zijn de benen vermoeid, maar met een gerust gemoed reist Club met de trein opnieuw richting Brugge.

In de stand staat FCB met een wedstrijd minder gespeeld op de zesde plaats, op drie punten van het ongenaakbare Daring, dat nog het maximum heeft.

Voor deze blogpost werd gebruikgemaakt van volgende bronnen:

  • Archief Sportwereld
  • Boek Dries Vanysacker (2010). Van FC Brugeois tot Club Brugge KV (1891–2010). De maatschappelijke inbedding van een Brugse, Vlaamse, Belgische en Europese voetbalploeg. Brugge: Van de Wiele

Gelukkige verjaardag, Raoul Lambert! – #Lotte75

Beste Raoul

Verjaardagen, zeker als ze op een zondag vallen zoals vandaag, worden vaak aan de familietafel doorgebracht. Heel boeiend is dat meestal niet. Jouw familietafel is echter geen gewone. Jouw familie is tienduizenden leden groot en de feesttafel staat zowat overal in Vlaanderen, van Knokke-Heist tot Tongeren en van Brecht tot Ieper. Zelfs bij het Wallonia Bruges Army in Namen snijden ze vandaag allicht een stuk taart aan.

De hoogconjunctuur die de Club momenteel kent, moet je veel plezier doen. Op een dag als vandaag moet ik dan ook vooral denken aan hoe jij binnen het huidige Club zou hebben gefunctioneerd. Hoe je vast had genoten van het samenspel met onze snelle zwarte parels voorin. Hoeveel assists een infiltrerende Ruud Vormer je zou hebben gegeven, en hoe Hans Vanaken je met een splijtende pas de diepte in zou hebben gestuurd, al was jouw aangever Pierre Carteus ook niet mis, heb ik horen zeggen.

Ik herinner het me nog als gisteren toen ik je tijdens de zomer van 2016 voor het eerst uitgebreid kon spreken. Op een maandagnamiddag kwam je de parking van het Jan Breydelstadion opgereden. Je stapte uit je auto, doofde je sigaretje en liftte de zonnebril van je gezicht. Bijna twee uur lang kon ik me die namiddag laven aan jouw verhalen en anekdoten. Na afloop schudden we elkaar op de parking de hand. Je stapte in je auto, zwaaide nog even en weg was je, de Clubspeler van de eeuw, terug naar huis. Het gras moest immers nog worden gemaaid.

Zoals doelmannen een beetje gek heten te zijn, zo hoort bij spitsen, gasten die leven voor de doelpunten, het cliché dat ze egotrippers zijn. Elk interview, elk boek, dat ik van jouw ploeggenoten las, vertelt het omgekeerde. Dat werd me die namiddag bevestigd. Jij bent het standaardvoorbeeld van de Clubspeler. Wanneer iemand ons, supporters, vraagt wat Club Brugge betekent, dan moeten we hen jouw foto tonen. Tegenwoordig kan dat op het scherm van een smartphone, jazeker, maar eigenlijk hoort het op papier. Elke Clubfan zou jouw afbeelding op zak moeten hebben, bij voorkeur in zwart en wit en met een ezelsoor dat je er nooit uitkrijgt. Authentiek en met de littekens van vele veldslagen.

Als pater familias van de hele Clubfamilie zit je vandaag aan het hoofd van die immense feesttafel. Gefeliciteerd met je 75ste verjaardag.

Geniet van jouw dag en veel plezier.

Met blauwzwarte groet
Sven

Club Brugge kampioen 1919-1920 | SP3: FC Brugeois – ARA La Gantoise 7-0

De gruwel van de Eerste Wereldoorlog heeft het terrein De Klokke flink beschadigd. Het stadion moet dan ook grondig worden hersteld. Daarom speelt Club Brugge pas op zondag 19 oktober 1919, drie weken na de start van de competitie, voor het eerst een thuiswedstrijd. Voor die wedstrijd tegen ARA La Gantoise is De Klokke volgelopen. Langs het veld is het kopjes en petjes tellen. De zon schijnt volop op de gezichten van de meer dan drieduizend toeschouwers. Zij zien hoe voor aanvang van de wedstrijd Clubkapitein Hector ‘Torten’ Goetinck, tijdens de oorlog lid van de militaire ploeg de Front Wanderers, met een bos bloemen wordt gehuldigd.

FCB doet het in de eerste thuiswedstrijd van het seizoen zonder eerste doelman René De Smet. ‘Smetje’ uit de Smedenstraat heeft een week eerder op het veld van Daring Club Brussel een blessure opgelopen. Zijn vervanger is de 22-jarige André Vander Hofstadt, een jonge doelman overgekomen van de beloften. Verder treedt FCB met de sterkst mogelijke ploeg aan. Dat betekent een zogenaamde klassieke 2-3-5-opstelling met als centrale verdedigingsduo Honoré De Smet, de jongere broer van eerste doelman René, en Clublegende Charles Cambier. Het duo heeft voor zich een middenveld met Ernest Rachels, Emiel Pollet en René De Raedt. Aan de buitenkanten staan op links Armand Pollet, de oudere broer van middenvelder Emiel, en op rechts de aalvlugge Hector Goetinck. De andere aanvallend ingestelde spelers zijn Léon Vande Voorde, Emiel Van Belle en in de punt goalgetter Félix Balyu.

André Vander Hofstadt zal in zijn debuutmatch meteen de netten schoon houden. FCB is veel te sterk en voetbalt op de golven van de enthousiaste fans. Enkel de doelpalen houden de thuisploeg gedurende het eerste halfuur meermaals van de voorsprong. In de 35ste minuut breekt de Gentse dam wanneer doelman Arthur Boedrie een hoekschop in eigen doel verwerkt. Enkele minuten later verdubbelt Félix Balyu de voorsprong.

Tijdens de tweede helft rolt FCB de tegenstand uit Gent verder op. Met doortastend voetbal en uitstekend samenspel gaat het na rust met nog meerdere doelpunten van Léon Vande Voorde en Félix Balyu naar 7-0. La Gantoise, inmiddels met tien man, doet nog verwoede pogingen om de eerredder op het bord te krijgen, maar geraakt niet voorbij doelman Vander Hofstadt.

Club pakt, na een 1-1-gelijkspel bij Antwerp en een 3-2-nederlaag bij Daring Club Brussel, voor het eerst de winst. Journalisten zwaaien in hun verslag met lof naar Clubspelers Ernest Rachels, René De Raedt, Charles Cambier en Félix Balyu. Dankzij de overwinning schuift FCB met een wedstrijd minder gespeeld naar de middenmoot.

Voor deze blogpost werd gebruikgemaakt van deze bronnen:

  • Archief Sportwereld
  • Archief Het Handelsblad
  • Boek Dries Vanysacker (2010). Van FC Brugeois tot Club Brugge KV (1891–2010). De maatschappelijke inbedding van een Brugse, Vlaamse, Belgische en Europese voetbalploeg. Brugge: Van de Wiele

Club Brugge kampioen 1919-1920 | SP2: Daring Club de Bruxelles – FC Brugeois 3-2

Omdat De Klokke nog steeds wordt opgelapt na de gruwel van de Eerste Wereldoorlog, speelt FCB de eerste competitiewedstrijden op verplaatsing. Twee weken na de wedstrijd in Antwerpen reist het naar Brussel. Daar wacht Daring Club Brussel, een club met naam en faam die in 1912 en 1914 kampioen is geworden. Door de onderbreking wegens de Eerste Wereldoorlog is de club in oktober 1919 dus per definitie de regerend landskampioen.

FCB is er niet enkel voor de tweede speeldag van de competitie, het is ook te gast voor de heropening van het stadion van Daring. Net als De Klokke heeft het stadion geleden onder de Eerste Wereldoorlog. In Molenbeek kan inmiddels worden gevoetbald, al is het stadion nog lang niet klaar. Pas een jaar, op 12 september 1920, zal het stadion officieel worden ingewijd met een wedstrijd tussen stadsgenoten Daring en Union. Toch zijn op zondag 12 oktober zo’n vijfduizend supporters naar het stadion gekomen.

Daring is ook na de oorlog absolute top. Achteraan heeft het met Armand Swartenbroeks een topper in huis. Swartenbroeks is, net als Clubspelers Balyu en Goetinck, tijdens de oorlog lid geweest van de Front Wanderers en een leidend figuur in de twee vooroorlogse titels van Daring. Ook na zijn carrière verwerft hij enige statuur. Hij wordt voltijds arts en is van 1956 tot 1971 burgemeester van Koekelberg. Bovendien heeft Daring met Honoré Vlamynck, een Oostendenaar die na de oorlog VG Oostende voor Daring heeft geruild, een absolute topspits in huis.

Vlamynck scoort tegen FCB meteen twee keer, waarvan de laatste op vrije trap. Tussendoor heeft Vandeweghe de thuisploeg op 2-0 gebracht, tevens de ruststand. Een laat doelpunt van Félix Balyu, die eerder ook al de 2-1 liet optekenen, kan de eerste seizoensnederlaag van Club niet afwenden.

Voor deze blogpost werd gebruikgemaakt van deze bronnen:

  • Archief Sportwereld
  • Boek Dries Vanysacker (2010). Van FC Brugeois tot Club Brugge KV (1891–2010). De maatschappelijke inbedding van een Brugse, Vlaamse, Belgische en Europese voetbalploeg. Brugge: Van de Wiele
  • Boek Kurt Deswert (2016). Aftrap in Brussel. De vergeten geschiedenis van het voetbal in de hoofdstad. Gent: Borgerhoff & Lamberigts

 

De boekenplank van de maand september

Ik vertel op deze website dat ik kamers vol oude sportboeken wil verzamelen. Elke maand bezoek ik kringloopwinkels en 2dehandsboekhandels. Ook snuister ik in de plooien van het internet. Ik zoek oude sportboeken, maar ben niet blind voor elpees, singles en andere sportmemorabilia.

‘Man with a Racket’ | Pancho Gonzales & Cy Rice

Som de grootste namen uit de tennisgeschiedenis op en wellicht staat Pancho Gonzales niet bij de eerste tien die je te binnenschieten. En toch behoort Ricardo Alonso ‘Pancho’ González, in 1928 geboren in Los Angeles, tot de allergrootsten.

In eerste instantie in letterlijke zin. Met zijn plusminus 1m90 was Pancho een stuk groter dan zijn concurrenten. Zo omschreef Tony Trabert, meervoudig grandslamwinnaar tijdens de jaren 50, hem in de Los Angeles Times als volgt:

He is the greatest natural athlete tennis has ever known. The way he can move that 6-foot-3-inch frame of his around the court is almost unbelievable. He’s just like a big cat. Pancho’s reflexes and reactions are God-given talents.

Als tennisspeler was Gonzales een autodidact met een stevige opslag en dynamisch serve-and-volley-spel. Hij was een van de meest competitieve spelers die het mannentennis heeft gekend. Velen hadden dan ook schrik van hem. “He gets meaner every time you play him,” aldus Rod Laver in The New York Times.

Maar ook het palmares van Pancho Gonzales staat als een appartementsblok. Zo won hij in 1948 en 1949 de US Open, alvorens een jaar later over te stappen naar de professionals. Daardoor mocht hij niet langer deelnemen aan grandslamtoernooien, maar toerde jarenlang met de beste tennisspelers van dat moment de wereld rond. Gonzales won tijdens die jaren onder meer vier keer de Wembley Championships en acht keer de US Pro Tennis Championships.

Het lijden van de ghostwriter

Het is tijdens die periode, in 1959, dat ‘Man with a Racket’ verschijnt, een officiële biografie opgetekend door Cy Rice. Die sprong aanvankelijk een gat in de lucht bij het voorstel om een boek te schrijven over een van de beste tennisspelers te wereld. Daar dacht hij na de eerste kennismaking met Pancho Gonzales anders over:

Interviewing Pancho is analogous to squeezing a slippery tube of tooth paste with a blocked passage. Nothing, of course, comes out. If I’d known then what I do now, and had been given a choice of helping put the book together or climbing Mount Everest, barefooted and in my shorts, I would have taken the latter.

Het duurde tot Pancho op een dag voor Rices deur opdook en vertelde dat hij klaar was om te babbelen. En babbelen deed hij. Urenlang, waarna hij vertelde dat hij nu meer woorden had gesproken dan de twee jaren voordien.

Een beeldenstormer in een conservatieve tenniswereld

Rice wist als ghostwriter uiteindelijk een entertainend boek uit de pen te duwen dat een goed inzicht geeft in de tenniswereld tijdens de jaren 40 en 50. ‘Man with a Racket’ telt 21 hoofdstukken en wisselt af tussen het persoonlijke en tennisleven van Pancho Gonzales, aangevuld met passend beeldmateriaal.

Het voorlaatste hoofdstuk bestaat uit een reeks vragen met korte en krachtige antwoorden. Ze zijn soms amusant en geven een goede kijk op Gonzales’ persoonlijkheid.

  • Q. Do spectators bother you?
  • A. Only by staying away from my matches.
  • Q. Do you believe in lessons?
  • A. For everyone in the world except myself.
  • Q. Are you romantically inclined?
  • A. I’m of Latin temperament.
  • Q. Name your favourite tennis book.
  • A. The one you’re reading.

Pancho Gonzales in de Open Era

1959 is niet het einde van Pancho’s tenniscarrière. Wanneer in mei 1968 de Open Era start, en professionals opnieuw kunnen deelnemen aan grandslamtoernooien, is Gonzales er inmiddels 40. Op Roland Garros wint hij van titelverdediger Roy Emerson alvorens in de halve finales te verliezen van Rod Laver.

Een jaar later, op zijn 41ste, verslaat hij op Wimbledon met wervelend serve-and-volley de 25-jarige Charlie Pasarell. De wedstrijd, over twee dagen gespreid, duurt 5u12, de langste wedstrijd op Wimbledon tot Isner – Mahut in 2010. Gonzales neemt pas halfweg jaren 70 definitief afscheid van het professionele tennis. Hij overlijdt in 1995 in Las Vegas op 67-jarige leeftijd.

A.S. Barnes and Company, New York, 1959, eerste druk, 254 pagina’s


Ik schreef eerder over deze sportboeken (klik op de titels voor meer info):

Club Brugge kampioen 1919-1920 | SP1: Antwerp FC – FC Brugeois 1-1

Het is een druiligere zondagnamiddag wanneer op 28 september de eerste naoorlogse competitie van start gaat. De spelers van FC Brugeois zijn met de trein naar Antwerpen gereisd, waar de wedstrijd wordt gespeeld in het stadion aan de Broodstraat, tussen 1908 en 1923 de thuishaven van Royal Antwerp FC. Diezelfde namiddag wordt ook in Mechelen, Gent, Brugge en Ukkel de competitie op gang gefloten.

In Antwerpen zijn enkele duizenden toeschouwers op de wedstrijd afgekomen. FCB kan voor de competitieopener rekenen op zijn sterkste elftal. Er wordt gespeeld in een zogenaamde klassieke 2-3-5-opstelling. Dat betekent dat doelman René De Smet in het centrale verdedigingsduo zijn jongere broer Honoré terugvindt. Naast Honoré De Smet speelt de ervaren Charles Cambier, die de jonge centrale verdediger, overgekomen uit de jeugd van Club, aanstuurt. Het duo heeft voor zich een middenveld met Ernest Rachels, Emiel Pollet en René De Raedt. Aan de buitenkanten staat op links Armand Pollet, de oudere broer van Emiel, en op rechts de aalvlugge Hector Goetinck, kapitein van de ploeg. De andere aanvallend ingestelde spelers zijn Léon Vande Voorde, Emiel Van Belle en in de punt goalgetter Félix Balyu.

Onder leiding van scheidsrechter Raphaël Van Praag en met wind in de rug trapt Club de wedstrijd op gang. FCB moet in eerste instantie het spel ondergaan, maar na balverlies op het Antwerpse middenveld kan de kwieke Léon Vande Voorde de bal meenemen en net voor rust de 0-1 scoren. Na meer dan vijfenveertig minuten spelen is het veld door de hevige regenbuien een grote moederpoel. Club heeft het de tweede helft lastig en na geharrewar voor het Brugse doel tikt Felix Aerts na tien minuten de gelijkmaker binnen. Beide ploegen strijden daarna nog wel voor de overwinning, maar op het intussen kletsnatte terrein komt het niet meer tot grote kansen. Charles Cambier heerst achterin met uitmuntend kopspel en wordt algemeen geroemd als de beste man op het veld.

Voor deze blogpost werd gebruikgemaakt van deze bronnen:

  • Archief Het Laatste Nieuws
  • Archief De Nieuwe Gazet
  • Archief Gazet van Antwerpen
  • Archief Sportwereld
  • Boek Dries Vanysacker (2010). Van FC Brugeois tot Club Brugge KV (1891–2010). De maatschappelijke inbedding van een Brugse, Vlaamse, Belgische en Europese voetbalploeg. Brugge: Van de Wiele
  • Website www.rafcmuseum.be

De boekenplank van de maand augustus

Ik vertel op deze website dat ik kamers vol oude sportboeken wil verzamelen. Elke maand bezoek ik kringloopwinkels en 2dehandsboekhandels. Ook snuister ik in de plooien van het internet. Ik zoek oude sportboeken, maar ben niet blind voor elpees, singles en andere sportmemorabilia.

‘Robby Rensenbrink’ | Jacques Hereng

In 2017 verscheen onder de titel ‘Het slangenmens’ een biografie van Rob Rensenbrink van de hand van de Nederlandse journalist Bert Nederlof. Veertig jaar eerder, in 1977, werd een eerste biografie van Rensenbrink gepubliceerd. Dat gebeurde naar aanleiding van de Gouden Schoen die Rensenbrink als speler van Anderlecht in 1976 won.

De kleine timmerman van Oostzaan

In het eerste hoofdstuk droomt een jongen uit Oostzaan, nabij Amsterdam, van een voetbalbestaan. Tot die tijd werkt hij een opleiding timmerman af en slacht kippen op een pluimveekwekerij. Talent laat zich echter niet temmen. Via Z.G.S.O en O.S.V. komt Rensenbrink in het eerste elftal van D.W.S., op dat moment de grootste voetbalclub van Amsterdam.

“Het was geen lachertje,” schrijft Rensenbrink. “Ik ben altijd schuchter geweest. Als inwoner van Oostzaan was ik in Amsterdam een boerenjongen.” Rensenbrink wordt international. Nederlandse topclubs kloppen aan voor de linksbuiten. Met zeven miljoen Belgische frank trekt het ambitieuze Club Brugge aan het langste eind. D.W.S. laat zijn goudhaantje liever niet naar de concurrentie vertrekken.

Het enthousiasme van het publiek op ‘De Klokke’

De zomer van 1969 is er een vol veranderingen. Rensenbrink gaat voor Club voetballen en huwt met Corry. Rensenbrink steunt in die beginjaren erg op zijn Nederlandse ploeggenoot Henk Houwaart. Hij speelt zijn eerste officiële wedstrijd voor Club op het veld van Anderlecht, waar meteen wordt gewonnen. Club zal het seizoen ’69-’70 op de tweede plaats stranden, maar wint wel de beker.

Europees laat Rensenbrink van zich spreken in de thuiswedstrijd tegen het Hongaarse Újpesti Dózsa. Club wint 5-2, Rensenbrink scoort een hattrick. Van de Hongaarse coach Lajos Baróti krijgt hij zijn bijnaam het ‘slangenmens’. In Hongarije loopt Club na een 3-0-nederlaag alsnog de kwalificatie mis. Het verleidt Rensenbrink tot volgende uitspraak:

Ik speelde als het ware in twee verschillende elftallen: het Club Brugge uit, het Club Brugge thuis. Het verschil was de buitengewone sfeer op ’De Klokke’. Aanvankelijk onderging ik die niet als een prikkel. Ik kwam uit de woestijn. Te Amsterdam kon men de toeschouwers tellen. Op ‘De Klokke’ wordt Blauw-Zwart gedragen op de geestdrift van het publiek. Het elftal betaalt met overwinningen.

Rensenbrink heeft ook mooie woorden voor ploeggenoot Raoul Lambert. “Raoul is een reus met lemen spieren. Voor Raoul heb ik altijd veel sympathie gehad. Men kent onvoldoende deze jongen, wiens kalmte en ingekeerdheid verkeerde vermoedens voeden. Ergens is Raoul een beetje de Robby die met u praat. Ik uit me moeilijk. Ik loop niet achter de publiciteit aan en hou niet van persconferenties. Raoul is niet anders.”

Van Club Brugge naar Anderlecht

Op het einde van het seizoen ’70-’71 komt het tot transfer naar Anderlecht: Rensenbrink in ruil voor Anderlecht-spelers Wilfried Puis en Johnny Velkeneers, plus vier miljoen Belgische frank. “Dat ik niet van Brugge hield, is een goedkoop verhaal. Nooit zal ik het enthousiasme van het publiek op ‘De Klokke’ vergeten. Niet alles is naar Olympia verhuisd. Bij mijn aankomst in Brugge werd ik verwelkomd door twee leiders: Hutsebaut en Dujardin. Eenmaal per week waren Henk Houwaart en ik voor een etentje hun gasten. In aanwezigheid van de dames. Paling in ’t groen te Knokke: het komt mij voor dat ik het gisteren at.”

Zowel financieel als sportief is Anderlecht een stap voorwaarts. “Iedereen kende Anderlecht via de Europabeker. Paul Van Himst was al erg populair over de Moerdijk. Naast hem spelen kon niet schaden.” Met onder meer Jean Dockx en latere Bruggelingen Hugo Broos en Jos Volders start een nieuw Anderlecht onder leiding van Georg Kessler het seizoen ’71-’72. In een zinderend slot wordt Anderlecht ten koste van Club alsnog landskampioen.

Toch kon ik niet nalaten te denken aan Club Brugge, aan de Brugse spelers met wie ik geruime tijd lief en leed had gedeeld. Ik herinnerde mij ook een van de eerste met Paul Van Himst gevoerde gesprekken. ‘Met Brugge heb je niet veel geluk gehad, met Anderlecht word je kampioen,’ had hij voorspeld.

Club zou een jaar later wel voor de tweede keer landskampioen worden, dat na een zege op Anderlecht.

De Beker der Bekerwinnaars in Brussel

Midden jaren 70 kijkt Anderlecht richting Europese top. Tijdens het seizoen ’75-’76 bereikt de club de finale van de Beker der Bekerwinnaars. Daarin speelt het in het Heizelstadion tegen West Ham. In een met 4-2 gewonnen wedstrijd scoort Rensenbrink twee doelpunten. “Nooit vergeet ik de laatste minuten. Ik genoot intens van mijn eerste internationale overwinning. In de kleedkamer omhelsde iedereen iedereen. Voorzitter Constant Vanden Stock was zichtbaar bewogen. Elftalafgevaardigde Georges Denil verborg zijn emoties achter een verdachte ijver om de champagneflessen te ontkurken.”

In de coulissen van de wereldbeker

De laatste hoofdstukken van het boek zijn gewijd aan Rensenbrinks passage bij het nationale elftal. Nederland plaatst zich ten koste van België voor de wereldbeker 1974 in West-Duitsland. Rensenbrink ligt op de linksbuitenpositie in balans met Piet Keizer van Ajax. Nederland plaatst zich voor de finale in het olympisch stadion in München. Rensenbrink raakt na een blessure speelklaar, maar vraagt tijdens de rust, bij een 1-2-achterstand, om een vervanging. “Was mijn blessure geheeld, ik voelde me niet bestand tegen de inspanning.” Nederland zal de achterstand niet meer ombuigen.

“Nadien heeft men gezocht naar oorzaken van onze nederlaag. Men beweerde dat Cruyff zijn finale had gemist. Men heeft ook beweerd dat wij niet steeds hebben geleefd naar de regels van de sportmoraal. Met dergelijke nonsens dacht een Duitse sensatiekrant het geheim te hebben ontsluierd. De reden van onze nederlaag is veel eenvoudiger. Wij hebben drie weken geleefd onder de bescherming van de goden van de sport, die ons op het beslissende moment de rug hebben toegekeerd.”

De mens Rensenbrink, minder de voetballer

‘Robby Rensenbrink’ telt tien hoofdstukken, leest vlot weg en wordt verteld in de ik-vorm. Het boek telt talloze anekdotes en is opgesmukt met sprekend zwart-witfotomateriaal. Opvallend is de veelheid aan introspectie. Dit is het verhaal van de mens Rensenbrink, niet zozeer de voetballer.

Of zoals op de achterflap staat te lezen:

Uitgeverij Het Volk, Gent, 1977, eerste druk, 124 pagina’s


Ik schreef eerder over deze sportboeken (klik op de titels voor meer info):