De boekenplank van de maand augustus

Ik vertel op deze website dat ik kamers vol oude sportboeken wil verzamelen. Elke maand bezoek ik kringloopwinkels en 2dehandsboekhandels. Ook snuister ik in de plooien van het internet. Ik zoek oude sportboeken, maar ben niet blind voor elpees, singles en andere sportmemorabilia.

‘Robby Rensenbrink’ | Jacques Hereng

In 2017 verscheen onder de titel ‘Het slangenmens’ een biografie van Rob Rensenbrink van de hand van de Nederlandse journalist Bert Nederlof. Veertig jaar eerder, in 1977, werd een eerste biografie van Rensenbrink gepubliceerd. Dat gebeurde naar aanleiding van de Gouden Schoen die Rensenbrink als speler van Anderlecht in 1976 won.

De kleine timmerman van Oostzaan

In het eerste hoofdstuk droomt een jongen uit Oostzaan, nabij Amsterdam, van een voetbalbestaan. Tot die tijd werkt hij een opleiding timmerman af en slacht kippen op een pluimveekwekerij. Talent laat zich echter niet temmen. Via Z.G.S.O en O.S.V. komt Rensenbrink in het eerste elftal van D.W.S., op dat moment de grootste voetbalclub van Amsterdam.

“Het was geen lachertje,” schrijft Rensenbrink. “Ik ben altijd schuchter geweest. Als inwoner van Oostzaan was ik in Amsterdam een boerenjongen.” Rensenbrink wordt international. Nederlandse topclubs kloppen aan voor de linksbuiten. Met zeven miljoen Belgische frank trekt het ambitieuze Club Brugge aan het langste eind. D.W.S. laat zijn goudhaantje liever niet naar de concurrentie vertrekken.

Het enthousiasme van het publiek op ‘De Klokke’

De zomer van 1969 is er een vol veranderingen. Rensenbrink gaat voor Club voetballen en huwt met Corry. Rensenbrink steunt in die beginjaren erg op zijn Nederlandse ploeggenoot Henk Houwaart. Hij speelt zijn eerste officiële wedstrijd voor Club op het veld van Anderlecht, waar meteen wordt gewonnen. Club zal het seizoen ’69-’70 op de tweede plaats stranden, maar wint wel de beker.

Europees laat Rensenbrink van zich spreken in de thuiswedstrijd tegen het Hongaarse Újpesti Dózsa. Club wint 5-2, Rensenbrink scoort een hattrick. Van de Hongaarse coach Lajos Baróti krijgt hij zijn bijnaam het ‘slangenmens’. In Hongarije loopt Club na een 3-0-nederlaag alsnog de kwalificatie mis. Het verleidt Rensenbrink tot volgende uitspraak:

Ik speelde als het ware in twee verschillende elftallen: het Club Brugge uit, het Club Brugge thuis. Het verschil was de buitengewone sfeer op ’De Klokke’. Aanvankelijk onderging ik die niet als een prikkel. Ik kwam uit de woestijn. Te Amsterdam kon men de toeschouwers tellen. Op ‘De Klokke’ wordt Blauw-Zwart gedragen op de geestdrift van het publiek. Het elftal betaalt met overwinningen.

Rensenbrink heeft ook mooie woorden voor ploeggenoot Raoul Lambert. “Raoul is een reus met lemen spieren. Voor Raoul heb ik altijd veel sympathie gehad. Men kent onvoldoende deze jongen, wiens kalmte en ingekeerdheid verkeerde vermoedens voeden. Ergens is Raoul een beetje de Robby die met u praat. Ik uit me moeilijk. Ik loop niet achter de publiciteit aan en hou niet van persconferenties. Raoul is niet anders.”

Van Club Brugge naar Anderlecht

Op het einde van het seizoen ’70-’71 komt het tot transfer naar Anderlecht: Rensenbrink in ruil voor Anderlecht-spelers Wilfried Puis en Johnny Velkeneers, plus vier miljoen Belgische frank. “Dat ik niet van Brugge hield, is een goedkoop verhaal. Nooit zal ik het enthousiasme van het publiek op ‘De Klokke’ vergeten. Niet alles is naar Olympia verhuisd. Bij mijn aankomst in Brugge werd ik verwelkomd door twee leiders: Hutsebaut en Dujardin. Eenmaal per week waren Henk Houwaart en ik voor een etentje hun gasten. In aanwezigheid van de dames. Paling in ’t groen te Knokke: het komt mij voor dat ik het gisteren at.”

Zowel financieel als sportief is Anderlecht een stap voorwaarts. “Iedereen kende Anderlecht via de Europabeker. Paul Van Himst was al erg populair over de Moerdijk. Naast hem spelen kon niet schaden.” Met onder meer Jean Dockx en latere Bruggelingen Hugo Broos en Jos Volders start een nieuw Anderlecht onder leiding van Georg Kessler het seizoen ’71-’72. In een zinderend slot wordt Anderlecht ten koste van Club alsnog landskampioen.

Toch kon ik niet nalaten te denken aan Club Brugge, aan de Brugse spelers met wie ik geruime tijd lief en leed had gedeeld. Ik herinnerde mij ook een van de eerste met Paul Van Himst gevoerde gesprekken. ‘Met Brugge heb je niet veel geluk gehad, met Anderlecht word je kampioen,’ had hij voorspeld.

Club zou een jaar later wel voor de tweede keer landskampioen worden, dat na een zege op Anderlecht.

De Beker der Bekerwinnaars in Brussel

Midden jaren 70 kijkt Anderlecht richting Europese top. Tijdens het seizoen ’75-’76 bereikt de club de finale van de Beker der Bekerwinnaars. Daarin speelt het in het Heizelstadion tegen West Ham. In een met 4-2 gewonnen wedstrijd scoort Rensenbrink twee doelpunten. “Nooit vergeet ik de laatste minuten. Ik genoot intens van mijn eerste internationale overwinning. In de kleedkamer omhelsde iedereen iedereen. Voorzitter Constant Vanden Stock was zichtbaar bewogen. Elftalafgevaardigde Georges Denil verborg zijn emoties achter een verdachte ijver om de champagneflessen te ontkurken.”

In de coulissen van de wereldbeker

De laatste hoofdstukken van het boek zijn gewijd aan Rensenbrinks passage bij het nationale elftal. Nederland plaatst zich ten koste van België voor de wereldbeker 1974 in West-Duitsland. Rensenbrink ligt op de linksbuitenpositie in balans met Piet Keizer van Ajax. Nederland plaatst zich voor de finale in het olympisch stadion in München. Rensenbrink raakt na een blessure speelklaar, maar vraagt tijdens de rust, bij een 1-2-achterstand, om een vervanging. “Was mijn blessure geheeld, ik voelde me niet bestand tegen de inspanning.” Nederland zal de achterstand niet meer ombuigen.

“Nadien heeft men gezocht naar oorzaken van onze nederlaag. Men beweerde dat Cruyff zijn finale had gemist. Men heeft ook beweerd dat wij niet steeds hebben geleefd naar de regels van de sportmoraal. Met dergelijke nonsens dacht een Duitse sensatiekrant het geheim te hebben ontsluierd. De reden van onze nederlaag is veel eenvoudiger. Wij hebben drie weken geleefd onder de bescherming van de goden van de sport, die ons op het beslissende moment de rug hebben toegekeerd.”

De mens Rensenbrink, minder de voetballer

‘Robby Rensenbrink’ telt tien hoofdstukken, leest vlot weg en wordt verteld in de ik-vorm. Het boek telt talloze anekdotes en is opgesmukt met sprekend zwart-witfotomateriaal. Opvallend is de veelheid aan introspectie. Dit is het verhaal van de mens Rensenbrink, niet zozeer de voetballer.

Of zoals op de achterflap staat te lezen:

Uitgeverij Het Volk, Gent, 1977, eerste druk, 124 pagina’s


Ik schreef eerder over deze sportboeken (klik op de titels voor meer info):

Het gebed van de ballenjongen

Met trage tred stroomde ik na afloop van Club Brugge tegen LASK in de supportersmassa de donkere straten van Sint-Andries in. Achter onze ruggen scheen het stadionlicht nog fel, maar doofde het geluid langzaamaan uit. De wedstrijd was op dat moment nog een lappendeken van aan elkaar gestikte fragmenten. Het was te vroeg om alles wat zich gedurende de twee uren voordien had afgespeeld te ordenen.

Pas toen ik in de stilte van de nacht de wedstrijd in versneld tempo opnieuw bekeek, viel door één beeld alles op zijn plaats. In de 83ste minuut, vlak voor het trappen van een hoekschop voor Club bij een 1-1-stand, nam de regie een jongen in beeld. Een ballenjongen. Hij droeg een pet. Met een hesje van de Champions League rondom het bovenlichaam hield hij de ogen dicht en de vingers gekruist. Een stil gebed vóór Club en tégen die ene verkeerd vallende bal aan de overkant. Het beeld dateert van tien minuten voordien, toen Club een strafschop tegenkreeg. Milo, zoals de jongen heet, hoopte heel erg dat de strafschop zou worden gemist.

Ik moest denken aan wat Pascal Plovie me enkele jaren geleden heeft verteld. Als ballenjongen stond hij in 1976 op Olympia langs de lijn tijdens de terugwedstrijd van de UEFA-bekerfinale tegen Liverpool. Onder meer Kevin Keegan, Ray Kennedy en Phil Neal draafden over het veld. Ray Clemence was de Liverpool-doelman. Omdat die avond een schot van Raoul Lambert tegen de paal ketste en drie weken eerder de Duitse scheidsrechter Ferdinand Biwersi een strafschopfout zag in een correcte tussenkomst van kapitein Fons Bastijns, won Club toen de UEFA-beker niet. De foto met bedroefde elkaar troostende spelers in donkere badjassen is er één voor de eeuwigheid. Naast het veld was het niet anders.

Weldra landen Paris Saint-Germain, Real Madrid en Galatasaray in Brugge. Dan bedienen de ballenjongens en -meisjes Kylian Mbappé, Thomas Meunier, Eden Hazard, Thibaut Courtois en Ryan Donk.

Wedden dat Pascal dan telkens negentig minuten lang meebidt?

Copyright foto: Fernand Proot

Boek ‘de Club’ in teaser Club Brugge – LASK

Club Brugge speelde op woensdag 28 augustus de terugwedstrijd in de play-offs van de Champions League. Daarin gaf het het Oostenrijkse LASK uit Linz partij. In aanloop naar de wedstrijd werd het boek ‘de Club’, geschreven naar aanleiding van 125 jaar Club Brugge, gebruikt in een van de aankondigingsfilmpjes. Dat leverde dit knap resultaat op.

 

Dit bericht bekijken op Instagram

 

📢 This is your captain speaking: Vanavond doen we het samen! Laat ons geschiedenis schrijven! 🔵⚫ #CLULASK #UCL

Een bericht gedeeld door Club Brugge (@clubbrugge) op

De boekenplank van de maand juli

Ik vertel op deze website dat ik kamers vol oude sportboeken wil verzamelen. Elke maand bezoek ik kringloopwinkels en 2dehandsboekhandels. Ook snuister ik in de plooien van het internet. Ik zoek oude sportboeken, maar ben niet blind voor elpees, singles en andere sportmemorabilia.

‘The Education of a Tennis Player’ | Rod Laver & Bud Collins

Met het tennisseizoen in spagaat tussen Wimbledon en de US Open deze keer aandacht voor Rod Laver. Laver won zowel in 1962 als 1969 de Calendar Grand Slam – het winnen van elk van de vier grandslamtoernooien in één kalenderjaar. Die laatste dus exact vijftig jaar geleden. Twee jaar later, in 1971, kwam het boek ‘The Education of a Tennis Player’ op de markt.

Rod Laver en de Calendar Grand Slam 1969

‘The Education of a Tennis Player’ is in grote lijnen de neerslag van het tennisseizoen 1969. In 25 hoofdstukken kijkt Rod Laver terug op zijn kindertijd, memorabele wedstrijden en illustere concurrenten. Tennis Hall of Fame journalist Bud Collins levert de vlotte vertelstem die nooit gaat vervelen, doordrenkt met Lavers’ nederigheid. Je moet weten: Rod Laver was ooit een traag jongetje uit Queensland – vandaar z’n bijnaam “The Rocket” – die uitgroeide tot een totaaltennisser die, op dat moment, als de grootste tennisser aller tijden kon worden beschouwd.

Paris in the spring may mean love to some, chestnuts to others, but for me it signifies the toughest two weeks of the year.

De linkshandige Laver ruilde in 1963 de amateurstatus voor het profbestaan. Daardoor mocht hij niet langer deelnemen aan grandslamtoernooien. Pas vanaf mei 1968 – de start van de Open Era – was dat opnieuw het geval. Hij zou elf grandslamtoernooien winnen, waaronder vier keer Wimbledon.

Leuk detail: tijdens het seizoen 1969 verwachtten Laver en echtgenote Mary hun eerste kind. De conversaties, vaak aan de telefoon, tussen man en vrouw lopen als een rode draad door het boek.

Kleurrijke observaties van tegenstanders

Een heel hoofdstuk is gewijd aan Pancho Gonzales, winnaar van de US Open in 1948 en 1949. Laver beschrijft op smakelijke wijze het verschil in stijl en uitzicht tussen zijn eigen kleine magere zelve (1m73) en de rijzige Pancho (1m88) die met een weelderigere donkere haardos de aandacht trekt.

When we’re playing each other, the contrast is almost comical. Me with my bowlegs and 49.000 freckles, a little guy chasing about. Him with his dark, forbidding face, crowned by the black hair tinged with gray, tall, graceful, gliding. Gonzales is the master gamesman.

Typerend voor Pancho’s aanblik is de openingsronde op Wimbledon 1969 tussen de dan 41-jarige Gonzales en de zestien jaar jongere Charlie Pasarell. De wedstrijd, gewonnen door Gonzales, zou over twee dagen gespreid 5 uur en 12 minuten duren, de langste wedstrijd op Wimbledon tot Isner – Mahut in 2010. De beelden zijn te vinden op YouTube – deze link – en het bekijken waard. Let op het tempo en het constante serve-and-volley.

Ik kocht overigens onlangs een eerste editie van Pancho Gonzales’ biografie uit 1959. Dat boek passeert een van de komende maanden de revue. ;-)

25 hoofdstukken, 25 tennistips

Laver en Collins schrijven na elk hoofdstuk tennistips neer, geput uit allerlei wedstrijdanekdotes. De tekstjes gaan soms heel verrassende richtingen uit, zoals hoe je jouw manier van tennissen moet aanpassen aan je leeftijd.

Older players muster their energy, saving the big serve for when they really need it. They keep their returns low and soft, and use the lob often and well. It’s a great game at any age. So take it easy and enjoy it.

Andere delen gaan over mentale voorbereiding, het ‘killer instinct’, de verschillende basisslagen en hoe het best te spelen tegen tegenstanders die je door en door kent. Korte stukjes die nog altijd relevant zijn.

Het jubileum van de Calendar Grand Slam in 2019

Ook vandaag is Rod Laver alom gerespecteerd in het wereldje. Er is sinds 2017 de naar hem genoemde Laver Cup en zijn Calendar Grand Slam-jubileum werd al uitgebreid gevierd tijdens de voorbije grandslamtoernooien. Zo mocht hij eerder dit jaar op Roland Garros de overwinningstrofee uitreiken aan Rafael Nadal. Ook tijdens de US Open wacht hem ongetwijfeld een warm onthaal.

Voor wie zich meer in de verwezenlijkingen van Rod Laver en het verhaal achter zijn tweede Calendar Grand Slam wil verdiepen, is ‘The Education of a Tennis Player’ een aanrader.

Simon and Schuster, New York, 1971, eerste druk, 318 pagina’s


Ik schreef eerder over deze sportboeken (klik op de titels voor meer info):

Boek ‘de Club’ in Sport/Voetbalmagazine

Elke week laat Sport/Voetbalmagazine in de rubriek ‘clubliefde is…’ een bekende Vlaming aan het woord over zijn of haar favoriete voetbalclub. Afgelopen week was dat acteur Geert Hunaerts. Tot mijn verbazing kreeg ‘de Club’, mijn boek naar aanleiding van 125 jaar Club Brugge, de nodige aandacht. Een leuke verrassing met een mooie foto en deugddoende woorden. Je kunt het volledige artikel, inclusief de bijhorende foto, hieronder lezen.

Naar een generaal kijk je op

Het oude volkscafé Local Unique op de Grote Markt van Ronse is op een doordeweekse maandag een baken van rust. Aan de toog hoor je er enkel zacht geroezemoes. De stoof geeft warmte aan een kwartet vaste klanten. De houten tafels en stoelen lijken afkomstig uit een huiskamer van de jaren 50. Aan de muren hangen tegeltableaus van keramiekfabriek Helman uit Brussel. Ze tonen schrijvers en schilders, Hendrik Conscience en Peter Paul Rubens zijn de bekendsten. Hier is ook het portret van Pierre Carteus, een van de stijlrijkste voetballers van Club Brugge, te zien.

Pierre Carteus bewoog als een giraf over het veld. Altijd met het hoofd in de lucht. Hij behield ten allen tijde het overzicht en keek waar hij de bal kon neerleggen.

Ploeggenoten van Pierre Carteus hebben me allen hetzelfde verteld: hij was een strateeg, een generaal. Een sierlijke, intelligente voetballer die de bal het liefst in de voeten kreeg en zelden buiten de middencirkel kwam. De lieveling van De Klokke. En ook: de man die Raoul Lambert lanceerde. Snelle Raoul vertrok, en grote Pierre bediende hem perfect met buitenkant voet. Pierre Carteus bewoog als een giraf over het veld. Altijd met het hoofd in de lucht. Hij behield ten allen tijde het overzicht en keek waar hij de bal kon neerleggen.

De voetballer Pierre Carteus werd gevormd bij het lokale Club Ronse. In 1966 maakte hij de overstap van SK Roeselare naar Club Brugge. Carteus wint met FCB in 1968 en 1970 de Beker van België en wordt in 1973 landskampioen. Tweewekelijks is het in Ronse verzamelen. Op zondag rijden bussen richting De Klokke om hun Pierre aan te moedigen. Na 262 wedstrijden en 88 doelpunten verlaat hij in 1974 Club voor AS Oostende. Het steeds meer tactisch wordend spelletje fnuikt zijn goesting, en ik herken in de instinctvoetballer Carteus de woorden van een vermaard voetbalanalist: fuck the system!

Voor Pierre Carteus was voetbal amusement. Op een autoloze zondag maakten hij en boezemvriend Johny Thio de rest wijs dat ze vanuit Roeselare naar Brugge waren gefietst. In werkelijkheid namen ze de trein en sprongen pas bij Tillegembos op de fiets. Ik krijg de indruk dat voetbal voor Pierre echt de belangrijkste bijzaak ter wereld was. Pierre overleed in 2003 op 59-jarige leeftijd. Veel te vroeg.

In café Local Unique vind je zijn foto pal boven de biljarttafel. Ze zeggen er dat hij over hen waakt. Pierre draagt dat helder blauw en zwart gestreepte sixties-shirt en heeft nog altijd een knuffelbeertje in de kleuren van Club Brugge naast zich staan. Je kunt ‘m alleen zien als je omhoog kijkt. Dat hoort zo. Immers, naar een generaal kijk je op.

Dit verhaal is een van de 125 verhalen in ‘de Club’, het boek naar aanleiding van 125 jaar Club Brugge, uitgegeven bij Lannoo. Meer weten over het boek en hoe je het kunt kopen? Je vindt hier alle informatie.

De boekenplank van de maand juni

Ik vertel op deze website dat ik kamers vol oude sportboeken wil verzamelen. Elke maand bezoek ik kringloopwinkels en 2dehandsboekhandels. Ook snuister ik in de plooien van het internet. Ik zoek oude sportboeken, maar ben niet blind voor elpees, singles en andere sportmemorabilia.

Na onder meer ‘TENNIS’ van René Lacoste (1928) en de memoires van atleet Roger Moens (1964) koos ik met de Grand Départ in Brussel voor een 2-delige biografie van Eddy Merckx: ‘Van Libramont tot Heerlen’ (1967) & ‘Van regenboog- tot gele trui’ (1970).

‘Van Libramont tot Heerlen’ | Louis Clicteur & Lucien Berghmans

De fanfare van boeken over Eddy Merckx is eindeloos. In die stoet lopen Louis Clicteur en Lucien Berghmans voorop. Zij hadden in 1967 de primeur. In een allereerste biografie vertellen ze het levensverhaal van Merckx: van het kind tot de kampioen. De titel ‘Van Libramont tot Heerlen’ verwijst naar twee iconische plaatsen in het wielerleven van Eddy Merckx: in 1962 wordt Merckx in het Waalse Libramont Belgisch kampioen bij de nieuwelingen, vijf jaar later wordt hij in het Nederlandse Heerlen voor het eerst wereldkampioen bij de beroepsrenners.

De Italiaanse sportjournalist Gian Paolo Ormezzano beschrijft het Merckxisme als een nieuwe filosofie. Een nieuwe wielerpartij, de partij van de toekomst.

Het boek telt tien hoofdstukken, waarvan de meeste chronologisch de carrière van de regerend wereldkampioen volgen. Het eerste hoofdstuk is de uitzondering. Daarin wordt het ontstaan en de bloei van het Merckxisme uit de doeken gedaan. De auteurs verwijzen naar Gian Paolo Ormezzano, Italiaans sportjournalist, die het Merckxisme beschrijft als een nieuwe filosofie. Een nieuwe wielerpartij als het ware, de partij van de toekomst. Merckx is op dat moment 22 jaar jong.

De achterflap van het boek is een hagiografie in pocketformaat. We lezen onder meer ‘De Batman van de sport’, ‘het fenomeen van deze tijd’ en ‘een man die iedereen met verbazing slaat’. Het boek is volgens de auteurs dan ook de onopgesmukte levensgeschiedenis van de wereldkampioen die de hele wielerwereld op stelten zet.

Uitgeverij De Schorpioen, Strombeek-Bever, 1967, eerste druk, 143 pagina’s

‘Van regenboog- tot gele trui’ | Louis Clicteur & Lucien Berghmans

Eddy Merckx blijft ook na 1967 winnen, dus volgt drie jaar later deel twee. Gezien Merckx’ eerste Tourzege in 1969 is de titel ‘Van regenboog- tot gele trui’ toepasselijk. Ook in dit tweede deel volgen de auteurs de chronologische route. Negen hoofdstukken ditmaal met een uitgebreid relaas over de Ronde van Frankrijk van 1969 met als titel Merckxissimo.

De maanlanding van Armstrong, Collins en Aldrin kwam er enkele uren nadat Eddy Merckx zijn ereronde reed te Vincennes. De datum van “dertig jaar later” zal dus wel heel gemakkelijk onthouden worden.

In de laatste alinea’s kijken Louis Clicteur en Lucien Berghmans al even vooruit. “De maanlanding van Armstrong, Collins en Aldrin kwam er enkele uren nadat Eddy Merckx zijn ereronde reed te Vincennes. De datum van “dertig jaar later” zal dus wel heel gemakkelijk onthouden worden, want 20 juli was ook historisch voor de hele mensheid. Omwille van onze eigen nationale feestdag verschenen op 21 juli geen kranten. Enkele kranten gaven wel een bijzondere editie uit waarvan de helft gewijd was aan de maanlanding en de andere helft aan de zege van Merckx. Volgens Eddy zelf, een wanverhouding. Dat de astronauten zelf nochtans Eddy’s prestatie waardeerden, bleek tijdens hun bezoek aan ons land. Ze werden te Luik gevraagd, maar stemden slechts toe zich naar de Vurige Stede te begeven indien Merckx hen vergezelde. Dat bleek toen onmogelijk.”

Zouden de auteurs in een hoekje van hun gedachten vijftig jaar later ook een Grand Départ in Brussel hebben voorzien?

Uitgeverij De Schorpioen, Strombeek-Bever, 1970, eerste druk, 151 pagina’s

De boekenplank van de maand mei

Ik vertel op deze website dat ik kamers vol oude sportboeken wil verzamelen. Elke maand bezoek ik kringloopwinkels en 2dehandsboekhandels. Ook snuister ik in de plooien van het internet. Ik zoek oude sportboeken, maar ben niet blind voor elpees, singles en andere sportmemorabilia. Na onder meer ‘TENNIS’ van René Lacoste (1928) en het verhaal van boksmanager Karel De Jager (1979) ditmaal de memoires van atleet Roger Moens uit 1964.

‘De Roger Moens Story’ | Roger Moens

Tijdens de zomervakantie van 1946 stuurt een grootmoeder haar kleinkinderen Roger en Pierre Moens naar een uitgestrekt hoppeveld om het onkruid te wieden. Na uren eentonig ‘opkrabben’ gooien de broers de werktuigen weg en houden tussen de hoppestaken blootsvoets een loopwedstrijd. Eerst over een afstand van tien staken, daarna dertig en tot slot veertig staken ver.

Roger Moens is dan zestien jaar. Hij schrijft hierover: “Ik ben ervan overtuigd dat de wedstrijden die we soms tientallen keren per dag tegen elkaar liepen, die op den duur zeer vermoeiend waren, maar die op buitengewone wijze de kracht van de benen ontwikkelden omwille van het lopen in losse aarde, er niet in geringe mate hebben toe bijgedragen mijn latere sportcarrière met een potentieel kracht te laten aanvangen, aanzienlijk groter dan die van andere atleten van dezelfde leeftijd.”

Wereldrecordhouder op de 800 meter

De filmische scene is de inleiding van ‘De Roger Moens Story’, de in 1964 gepubliceerde memoires van atleet Roger Moens. Moens specialiseert zich in de 400 en 800 meter. Op die laatste afstand verbetert hij in 1955 in Oslo het wereldrecord na een intense strijd met de Noorse thuisloper Audun Boysen. Roger Moens beschrijft de aanloop naar en de race tot in het kleinste detail.

“Terwijl het geroezemoes van de circa vijftienduizend toeschouwers langzaam uitstierf, zetten we ons in slagorde. Ik beefde als een riet. Er zijn van die ogenblikken in het leven van een mens, waar men zich rekenschap geeft dat er iets gaat gebeuren. (…) Het startschot bevrijdde me gedeeltelijk van de verlammende trac. (…) Tweehonderd meter waren gelopen en alles was OK. Ik ‘rolde’ zoals nooit voordien en het ademhalen gebeurde nog ritmisch en met diepe, volle teugen. (…)

De bel. Nog vierhonderd meter. (…) Na vijfhonderd meter begon ik echt te spurten in een tumult dat ieders verbeelding te boven gaat. (…) Bij het ingaan van de laatste bocht, zowat tweehonderd meter voor het einde, dacht ik dat ik reeds een substantiële voorsprong had genomen. Mijn spieren die zuurstof nodig hadden deden mijn mond meer en meer openvallen om naar lucht te happen. (…)

Een onzichtbare kracht stootte mij opnieuw vooruit, tien centimeter, dan twintig en uiteindelijk ongeveer één meter. Nog een paar stappen en mijn borst raakte het lint.

Nog honderd meter. Ik had nog slechts één doel: zo vlug mogelijk aan het einde geraken van die rechte lijn die me eindeloos toescheen. Mijn benen werden bijna gevoelloos, mijn blik wazig en mijn gedachten verward. (…) Gedreven door de aanmoedigingen van zijn publiek kwam Boysen opnieuw op mijn hoogte. Mijn lichaam was uitgeput, alleen mijn wilskracht hield mij recht. Een onzichtbare kracht stootte mij opnieuw vooruit, tien centimeter, dan twintig en uiteindelijk ongeveer één meter. Nog een paar stappen en mijn borst raakte het lint. (…)

Een paar minuten later bij een doodse stilte werd de uitslag bekend gemaakt. Het Noorse kennerspubliek had aangevoeld dat hier iets belangrijk was geschied. 1’45”7 klonk het plechtig. Ik was wereldrecordhouder. De ondraaglijk geworden spanning was gebroken.”

Roger Moens en de Olympische Spelen

Roger Moens neemt twee keer deel aan de Olympische Spelen. De eerste keer in 1952 in Helsinki, waar hij de 400 meter loopt en het Belgisch record verbreekt. Een tweede deelname volgt in 1960 in Rome, nadat hij de Spelen van 1956 in Melbourne heeft gemist. In Athene stuit Moens tijdens een trainingsloop op een niet verlicht tennisveld tegen een paaltje. Hij blesseert zich in de liesstreek en aan de linkerknie. De dan beste 800 meter-loper ter wereld zal niet deelnemen aan de Olympische Spelen.

Vier jaar later volgt de revanche. De 30-jarige Moens noemt dit ‘het seizoen van de laatste kans’ en traint naar eigen zeggen beter en anders dan ooit tevoren. Zo ligt de focus niet langer op het verbeteren van de basissnelheid, wel om die zo lang mogelijk te behouden.

Op 27 augustus landt de Belgische delegatie in Rome. Gedurende drie dagen, vanaf 31 augustus, wanneer de 1/8ste en kwartfinales plaatsvinden, tot en met 2 september – de dag van de waarheid – geeft Roger Moens in dagboekstijl een ultieme inkijk.

Woensdag 31 augustus (dag van de 1/8ste finales en kwartfinales)

“Er waren negen reeksen voorzien in de 800 meter, die gelopen werden vanaf 11 uur ’s morgens. Ik werd ingedeeld in de vijfde reeks, die omstreeks 11u30 van start ging. (…) In de laatste rechte lijn had ik geen moeite om te winnen in 1’50”7. (…) Vliegensvlug keerde ik terug naar het olympisch dorp – tien minuten van daar gelegen – om een kleine lunch te kunnen gebruiken want te 16 uur mochten wij opnieuw lopen.

Alvorens te gaan slapen, omstreeks 21 uur, liet ik mij nog eens flink de benen masseren, die zwaarder wogen dan lood. Ik kon zeer moeilijk de slaap vatten.

Na anderhalf uur te hebben gerust op mijn op de grond liggende matras, ging ik om 15 uur opnieuw naar het olympisch stadion. (…) In het begin ging het er niet zeer snel aan toe. Een volledig onbekende, met name Snell, ging het eerst aan het spurten. Op het einde kon ik hem echter de baas en won met een meter voorsprong in 1’48”5. (…)

Na die eerste dag was ik zo vermoeid dat ik ogenblikkelijk een bus nam naar het olympisch dorp. De hitte en vermoeidheid hadden mijn honger volledig weggenomen. (…) Alvorens te gaan slapen, omstreeks 21 uur, liet ik mij nog eens flink de benen masseren, die zwaarder wogen dan lood. Ik kon zeer moeilijk de slaap vatten.”

Donderdag 1 september (dag van de halve finales)

“Met een loodzwaar hoofd en extra stramme benen trok ik mij omstreeks 8 uur ’s morgens aan de vensterbank, waaronder ik met mijn matras was verhuisd, omhoog. Niet zonder een zekere angst zag ik de halve finales van ’s namiddags tegemoet. Op mijn nuchtere maag kreeg ik de indeling van de halve finales. (…) Snell won in 1’47”2, ikzelf was tweede in 1’47”4. (…)

Fysiek was ik om te zeggen volledig uitgeput en dat terwijl alleen het voorspel achter de rug was. De echte wedstrijd moest nog komen.

In die wedstrijd heb ik een grove psychologische flater begaan. Zoals de dag voordien had ik Snell kunnen kloppen in deze halve finale. Om mijn krachten te sparen voor ’s anderendaags drong ik echter niet aan en liet de overwinning aan de Nieuw-Zeelander. Die overwinning heeft de ambitie van Snell meer dan waarschijnlijk vastere vorm doen krijgen en het geloof in zijn eigen kunnen zonder twijfel versterkt. (…) Fysiek was ik om te zeggen volledig uitgeput en dat terwijl alleen het voorspel achter de rug was. De echte wedstrijd moest nog komen.”

Vrijdag 2 september (de dag van de finale)

“Eindelijk was het 2 september geworden, de dag waarop ik vier jaar had gewacht. (…) Van vermoeidheid hoef ik niet meer te spreken, want die was zo chronisch geworden dat ik ze zelfs niet meer voelde. Ik had alleen nog een gevoel van loomheid. (…) De finale zou gelopen worden omstreeks 16u30. (…) Juist na het middageten waren Prins Albert en Prinses Paola mij nog veel geluk komen toewensen. (…) Omstreeks 15 uur vertrok ik ook naar het marmeren stadion waar de kleedkamers van de atleten waren ingericht in lange, koele gangen waarin het heerlijk was te vertoeven, na het eentonig warmlopen in de verzengende zon. (…)

Ik denk aan de jaren opoffering die ik mij getroostte om hier vandaag in het gelid te staan, aan het vertrek van de 800 meter, de wedstrijd van mijn loopbaan. De wedstrijd die ik niet mag verliezen omdat het mijn eerste en ook mijn laatste kans is om olympisch kampioen te worden.

Finalisten van de 800 meter naar de oproepkamer klonk het door de luidsprekers. Samen gingen wij naar de tunnel, dat gapende donkere gat, dat uitmondde in de leeuwenkuil. Met Schmidt, Waegli, Matuschewski en Snell praatte ik over koetjes en kalfjes om de gedachte aan de komende strijd op het achterplan te duwen. Kerr gunde mij geen blik. Voelde hij zich superieur, of had hij schrik van mij? Ik deed ook alsof ik hem niet kende.

Vier uur tien. Voorafgegaan door een Italiaans officieel slenterden de zes finalisten de leeuwenkuil binnen. Onderweg heb ik hier en daar iemand mijn naam horen roepen en met een Belgische vlag zien zwaaien. Die mensen zijn gekomen om mij te zien winnen. Ook de duizenden, die thuis voor hun televisietoestel zitten, of naar de radio luisteren, hebben hetzelfde verlangen. (…)

Van bij het begin gaat het zeer snel. Maar jongens, wat zijn mijn benen zwaar.

Heren aan de lijn. Ik denk aan de jaren opoffering die ik mij getroostte om hier vandaag in het gelid te staan, aan het vertrek van de 800 meter, de wedstrijd van mijn loopbaan. De wedstrijd die ik niet mag verliezen omdat het mijn eerste en ook mijn laatste kans is om olympisch kampioen te worden. Ik heb mij zorgvuldig voorbereid en toch spijt het mij dat ik nog niet meer heb geofferd aan de God van de training. Nu is het echter te laat. Er is geen hulp meer mogelijk. Van nu af aan geldt de harde wet van de jungle: het recht van de sterkste. (…)

Van bij het begin gaat het zeer snel. Maar jongens, wat zijn mijn benen zwaar. (…) Het gaat snel en ik heb werkelijk last om te volgen. Heeft de trac mij zo lamgelegd, of is het de opeengehoopte vermoeidheid van drie 800-meterwedstrijden in 48 uur tijd? (…) De bel. Nog één ronde. Ik ben nog steeds vijfde, een bijna hopeloze situatie die ik koste wat kost moet rechttrekken. Roger, ge moet en ge zult winnen, gonst het door mijn hoofd. Dit is de allerlaatste kans. (…)

Peter Snell gaat mij onweerstaanbaar voorbij. Ik tracht nog te reageren, maar het bobijntje is af.

Nog driehonderd meter. Ga, ga, ga, flitst het door mijn hoofd. Langzaam, heel langzaam, geraak ik voorbij Snell, die in vierde positie loopt. De derde, Kerr, biedt minder weerstand en dat geeft mij opnieuw moed. Schmidt voorbijgaan is een zwaar karwei, maar moeilijk gaat ook. Zo geraak ik op 200 meter voor het einde in de tred van Waegli, die vertraagt. Hij heeft zijn laatste krachten aangesproken, want bij het uitgaan van de laatste bocht, met nog honderd meter, valt hij werkelijk stil. Aan het einde van de lange rechte lijn wacht de beloning van een jarenlange strijd. Ik geef wat ik kan, maar zou toch graag weten wat er achter mij gebeurt. Even het hoofd naar rechts. Kerr, de gevaarlijkste klant, is ten minste drie meter achter. (…)

Wanneer de Nieuw-Zeelandse vlag de hoogte wordt ingetrokken en de tonen van het Nieuw-Zeelandse volkslied over de tachtigduizend toeschouwers wordt gestrooid, voel ik in hart en ziel de draagwijdte van de verkeken kans.

Nog vijftig meter. Nogmaals voel ik de noodzaak om even achterom te kijken. Alles OK, Kerr heeft vijf meter achterstand. Dan sluit ik even de ogen terwijl mijn benen minder en minder aan het commando beantwoorden. Ik ben aan het einde van mijn krachten, maar de meet is op enkele meter. Opeens een zwarte flits aan mijn linkerzijde. Peter Snell gaat mij onweerstaanbaar voorbij. Ik tracht nog te reageren, maar het bobijntje is af en de meet is te kortbij. De droom is uit. Peter Snell, de onbekende, gekomen uit het verre Nieuw-Zeeland, raakt als eerste het lint na 1’46”3, een nieuw olympisch record.

Op dat ogenblik stort de wereld voor mij in. Ik zal nooit olympisch kampioen zijn. Eén ding blijft over: het wereldrecord. Dat te weten brengt mij spoedig over mijn ontgoocheling heen. (…) Wanneer de Nieuw-Zeelandse vlag de hoogte wordt ingetrokken en de tonen van het Nieuw-Zeelandse volkslied over de tachtigduizend toeschouwers wordt gestrooid, voel ik in hart en ziel de draagwijdte van de verkeken kans.

Feitelijk betekenden de Olympische Spelen van 1960 het einde van mijn sportloopbaan. Al wat later zou komen was alleen nog ‘uitlopen’.

Toch zou ik een legende uit de wereld willen helpen, die de Romeinse nederlaag heeft toegeschreven aan het zogezegde “fatale hoofd naar rechts”. Peter Snell beschikte op het einde van de wedstrijd over meer weerstandsvermogen en was dan ook de logische en verdiende winnaar van de olympische 800 meter titel. (…) Feitelijk betekenden de Olympische Spelen van 1960 het einde van mijn sportloopbaan. Al wat later zou komen was alleen nog ‘uitlopen’.”

Peter Snell verbreekt in 1962 Moens’ zeven jaar oude wereldrecord op de 800 meter. Op de Spelen van 1964 in Tokio wint hij zowel de 800 als 1.500 meter.

Een loopbaan in gulden letters

‘De Roger Moens Story’ eindigt met een kort stuk van Marcel Hansenne, Frans sportjournalist en winnaar van de bronzen medaille op de Olympische Spelen van 1948 in Londen. “De loopbaan van Roger Moens verdient ten volle dat men hem hulde brengt. Na veel eerbetuigingen te hebben mogen in ontvangst nemen, een wereldrecord is een benijdenswaardige adelbrief, verdwijnt Roger Moens. Hij was een schitterend atleet, loyaal, moedig en de hoogste achting waardig.”

Mijn editie van ‘De Roger Moens Story’ is er een zonder omslag. Het is een groene hardcover met gulden letters, dus zocht ik online de cover van het boek op. Die toont een breed lachende Roger Moens met als ondertitel ‘een wereldrecordhouder vertelt zijn boeiend levensverhaal’, een ondertitel die deze lading anekdotes volledig dekt.

D.A.P Reinaert Uitgaven, Brussel, 1964, eerste druk, 254 pagina’s

In het belang van de ploeg

Philippe Clement kwam in de zomer van 1999 naar Club Brugge. Hij erfde het rugnummer zes van Franky Van der Elst. Zijn komst viel niet alleen samen met het afscheid van een Clubicoon, het viel ook pal in de periode waarin ik voetballers steeds vaker op een andere manier begon te bekijken. Ik richtte mijn aandacht in de eerste plaats nog altijd op alles wat op het voetbalveld gebeurde, maar vroeg me stilaan ook af wie de mens achter de voetballer was. Dat was vaak gissen. Voetballers zag ik enkel op training en wedstrijddagen, en ik las hun woorden in voorgekauwde interviews op televisie en in kranten. Pas veel later zou ik ontdekken waarom Philippe Clement zo goed bij Club Brugge past.

Als Judah Ben-Hur op zijn strijdwagen mende hij de Noord bij een alweer afgedwongen hoekschop, een corner die hij daarna niet zelden zelf binnenkopte.

Tien jaar lang was Clement een vertrouwd beeld in het basiselftal. Altijd die verbeten blik en altijd spelend met dezelfde intensiteit als op de pleintjes van Sint-Anneke. Op moeilijke momenten kwam een soort overlevingsdrang in hem naar boven. Als Judah Ben-Hur op zijn strijdwagen mende hij de Noord bij een alweer afgedwongen hoekschop, een corner die hij daarna niet zelden zelf binnenkopte. Altijd sturend ook. Een intelligente voetballer en toen al het verlengstuk van de trainer. Philippe Clement had gestudeerd en dat hoorde je in zijn interviews. De afstand tussen wat hij dacht en wat hij zei, leek groter dan bij andere voetballers. Onze eigen Dr. Phil.

Philippe Clement toonde zich gaandeweg ook een menselijke voetballer, zoals bij het overlijden van François Sterchele, maar ook tijdens acties voor verschillende goede doelen. Wanneer hij in 2009, na 353 wedstrijden en 51 doelpunten, Club Brugge verlaat, doet Philippe Clement dat niet voor eender welke club: hij keert terug naar zijn Beerschot, waar het ooit allemaal was begonnen. En wanneer hij er twee seizoenen later zijn carrière afsluit, keert hij onmiddellijk terug naar Club.

Al die jaren is er weinig veranderd. Enkel de haardos van Philippe Clement is dunner geworden, zijn kroontje altijd maar groter. ‘Mijn maats beweren dat telkens als ik kop, ik wat meer haar verlies. Ik verlies dus mijn haar in het belang van de ploeg’, zei hij ooit in een interview met Sport/Voetbalmagazine.

Ik onthoud die laatste woorden: in het belang van de ploeg.

Haaruitval werd zelden zo mooi omschreven.

Dit verhaal is een van de 125 verhalen in ‘de Club’, het boek naar aanleiding van 125 jaar Club Brugge, uitgegeven bij Lannoo. Meer weten over het boek en hoe je het kunt kopen? Je vindt hier alle informatie.

De boekenplank van de maand april

Ik vertel op deze website dat ik kamers vol oude sportboeken wil verzamelen. Elke maand bezoek ik kringloopwinkels en 2dehandsboekhandels. Ook snuister ik in de plooien van het internet. Ik zoek oude sportboeken, maar ben niet blind voor elpees, singles en andere sportmemorabilia.

Na ‘TENNIS’ van René Lacoste (1928) en de memoires van boksmanager Karel De Jager (1979) ditmaal een boek van Maurice van Nieuwenhuizen, de Nederlandse pionier in het jiujitsu en judo, uit 1948. Als dessert ook een klassieker van een single over de Rode Duivels.

‘Judo. De moderne wetenschap van het jiujitsu| Maurice van Nieuwenhuizen

Het is fijn om voor te stellen hoe Maurice van Nieuwenhuizen (1912-1998) in 1947 in Den Haag de inleiding schreef van zijn boek over judo en jiujitsu. Van Nieuwenhuizen had een sportschool in de stad en was Nederlands kampioen jiujitsu. Eind jaren 30 stichtte hij de Nederlandsche Jiu-Jitsu Bond, wat later de Judo Bond Nederland werd. In die hoedanigheden schreef van Nieuwenhuizen voor en na de Tweede Wereldoorlog boeken over judo en jiujitsu.

Dit boek is een mooi overzicht van alle aspecten van het judo en jiujitsu. Het belangrijkste verschil ligt volgens de auteur in het wedstrijdaspect. Wanneer dat ontbreekt, aldus van Nieuwenhuizen, vervalt men  in geestdodende oefeningen waaraan elke spanning ontbreekt. Judo, wat ‘zachte weg’ betekent en verwijst naar een soepele, sierlijke en stijlvolle uitvoering, is om die reden populairder en heeft een grotere uitwerking op de karaktervorming.

Die lichamelijke en geestelijke vorming komt vaak terug. Aan elk aspect is een hoofdstuk gewijd. Van Nieuwenhuizen gaat er soms de hoogdravende toer op. Zo schrijft hij: “Na jarenlange praktische ervaring en grondige studie kwalificeer ik de judosport als een economisch, filosofisch en ethisch systeem van opvoeding waarvan de studie harmonie brengt in de ontwikkeling, wat tot noodzakelijk gevolg zal hebben dat de beoefenaar gekenmerkt wordt door een gezond superioriteitsgevoel, berustend op een zelfvertrouwen en dat hij een evenwichtige en krachtige persoonlijkheid wordt.”

Het boek is niet enkel een lange uitleg over de grondbeginselen van judo en jiujitsu. Daarnaast is er ruime aandacht voor de technische vaardigheden, zoals de worpen en valbewegingen, rijkelijk geïllustreerd met fotomateriaal. Wat online zoekwerk bracht me ook bij een Franse versie van het boek die dateert van 1949.

Uitgeverij A.W. Bruna & zoon, Utrecht, 1948, eerste druk, 124 pagina’s

Bezoek aan het Boekenfestijn in Kortrijk

Half april landde het Boekenfestijn opnieuw in Kortrijk. Ik kocht er ‘Het Kanon’, de biografie van Coen Dillen, tussen 1949 en 1961 aanvaller bij PSV en met 43 stuks nog steeds recordhouder wat betreft het aantal doelpunten in één eredivisieseizoen (seizoen ‘56-‘57).

Dillen, zo staat op de achterflap te lezen, was een koele doelpuntenmachine met een onbedaarlijk hard schot, wat hem de bijnaam ‘Het Kanon’ opleverde. Hij overleed in 1990 op 63-jarige leeftijd. De biografie van Jeroen van den Berck dateert van 2006 en telt 207 bladzijden.

De Rode Duivels gaan naar Mexico

In een lokale kringloopwinkel ontdekte ik in de bak met elpees en singles ook deze klassieker van Will Tura. Onmogelijk om te laten liggen toch? :-)