De boekenplank van de maand april

Ik vertel op deze website dat ik kamers vol oude sportboeken wil verzamelen. Elke maand bezoek ik kringloopwinkels en 2dehandsboekhandels. Ook snuister ik in de plooien van het internet. Ik zoek oude sportboeken, maar ben niet blind voor elpees, singles en andere sportmemorabilia.

Na ‘TENNIS’ van René Lacoste (1928) en de memoires van boksmanager Karel De Jager (1979) ditmaal een boek van Maurice van Nieuwenhuizen, de Nederlandse pionier in het jiujitsu en judo, uit 1948. Als dessert ook een klassieker van een single over de Rode Duivels.

‘Judo. De moderne wetenschap van het jiujitsu| Maurice van Nieuwenhuizen

Het is fijn om voor te stellen hoe Maurice van Nieuwenhuizen (1912-1998) in 1947 in Den Haag de inleiding schreef van zijn boek over judo en jiujitsu. Van Nieuwenhuizen had een sportschool in de stad en was Nederlands kampioen jiujitsu. Eind jaren 30 stichtte hij de Nederlandsche Jiu-Jitsu Bond, wat later de Judo Bond Nederland werd. In die hoedanigheden schreef van Nieuwenhuizen voor en na de Tweede Wereldoorlog boeken over judo en jiujitsu.

Dit boek is een mooi overzicht van alle aspecten van het judo en jiujitsu. Het belangrijkste verschil ligt volgens de auteur in het wedstrijdaspect. Wanneer dat ontbreekt, aldus van Nieuwenhuizen, vervalt men  in geestdodende oefeningen waaraan elke spanning ontbreekt. Judo, wat ‘zachte weg’ betekent en verwijst naar een soepele, sierlijke en stijlvolle uitvoering, is om die reden populairder en heeft een grotere uitwerking op de karaktervorming.

Die lichamelijke en geestelijke vorming komt vaak terug. Aan elk aspect is een hoofdstuk gewijd. Van Nieuwenhuizen gaat er soms de hoogdravende toer op. Zo schrijft hij: “Na jarenlange praktische ervaring en grondige studie kwalificeer ik de judosport als een economisch, filosofisch en ethisch systeem van opvoeding waarvan de studie harmonie brengt in de ontwikkeling, wat tot noodzakelijk gevolg zal hebben dat de beoefenaar gekenmerkt wordt door een gezond superioriteitsgevoel, berustend op een zelfvertrouwen en dat hij een evenwichtige en krachtige persoonlijkheid wordt.”

Het boek is niet enkel een lange uitleg over de grondbeginselen van judo en jiujitsu. Daarnaast is er ruime aandacht voor de technische vaardigheden, zoals de worpen en valbewegingen, rijkelijk geïllustreerd met fotomateriaal. Wat online zoekwerk bracht me ook bij een Franse versie van het boek die dateert van 1949.

Uitgeverij A.W. Bruna & zoon, Utrecht, 1948, eerste druk, 124 pagina’s

Bezoek aan het Boekenfestijn in Kortrijk

Half april landde het Boekenfestijn opnieuw in Kortrijk. Ik kocht er ‘Het Kanon’, de biografie van Coen Dillen, tussen 1949 en 1961 aanvaller bij PSV en met 43 stuks nog steeds recordhouder wat betreft het aantal doelpunten in één eredivisieseizoen (seizoen ‘56-‘57).

Dillen, zo staat op de achterflap te lezen, was een koele doelpuntenmachine met een onbedaarlijk hard schot, wat hem de bijnaam ‘Het Kanon’ opleverde. Hij overleed in 1990 op 63-jarige leeftijd. De biografie van Jeroen van den Berck dateert van 2006 en telt 207 bladzijden.

De Rode Duivels gaan naar Mexico

In een lokale kringloopwinkel ontdekte ik in de bak met elpees en singles ook deze klassieker van Will Tura. Onmogelijk om te laten liggen toch? :-)

De boekenplank van de maand maart

Ik vertel op deze website dat ik kamers vol oude sportboeken wil verzamelen. Elke maand bezoek ik kringloopwinkels en 2dehandsboekhandels. Ook snuister ik in de plooien van het internet. Ik zoek oude sportboeken, maar ben niet blind voor elpees, singles en andere sportmemorabilia. Na ‘TENNIS’ van René Lacoste (1928) ditmaal de memoires van Karel De Jager, de man die jarenlang in de hoek van bokser Jean-Pierre Coopman kampeerde, publicatiejaar 1979.

‘Verzorgers uit!’ | Karel De Jager & Jan Van den Berghe

De coverfoto van ‘Verzorgers uit!’ toont een in de lens kijkende Jean-Pierre Coopman. Over zijn schouder kijkt Karel De Jager vaderlijk toe. Op de achterflap lezen we dat De Jager was voorbestemd om deurwaarder te worden maar na een meningsverschil met zijn baas haarkapper werd. ‘Toen de internationale loopbaan van Jean-Pierre Coopman hem fulltime opeiste, kwam de techniek van het inzepen en de baard afdoen hem goed van pas. Het aandeel van de slimme Izegemse kapper in Coopmans fabelachtige carrière kan nauwelijks overschat worden.’

‘Verzorgers uit!’, een kreet die verwijst naar het signaal dat wordt gegeven wanneer een nieuwe ronde staat te beginnen, is geschreven in een aansprekende met-de-voeten-op-de-grond stijl. Journalist Jan Van den Berghe, die onder meer in 2013 ‘De artistieke uppercut: hoe kunst en boksen elkaar vonden’ publiceerde, bewerkte het manuscript van De Jager. Hij gaf het ook een swingende inleiding.

Een café in Izegem

Verzorgers uit! opent op een exhibitiekamp in de zomer van 1970 in het West-Vlaamse Rumbeke. Daar ontmoeten Karel De Jager en Jean-Pierre Coopman elkaar voor het eerst. ‘Coopman had iets innemend, iets ontwapenend sympathiek over zich. Waren het zijn vriendelijke ogen? Was het zijn open, spontane lach of dat gezonde, robuuste in zijn houding? Ik was in ieder geval onmiddellijk 100 procent voor hem gewonnen. Ik bleef wel zitten met mijn twijfels over zijn bokskunde.’

Na de oefenkamp verdwijnen de twijfels. Twee weken later, tussen pot en pint in een café in Izegem, zet voormalig arduinkapper Jean-Pierre Coopman de definitieve stap naar een professionele bokscarrière, symbolisch met het uitdoven van een sigaret. ‘Dat was de laatste. Vraag maar een vergunning aan.’

De stapstenen richting de kamp met Ali

Van dan af aan modereert De Jager Coopmans carrière. Via de eerste profkampen in het najaar van 1972 laveert de boksmanager zijn pupil behoedzaam langs valkuilen en kiest tegenstanders zorgvuldig uit. Kamp na kamp klimt Coopman hoger op de ladder. Ook moeder Coopman, aanvankelijk sceptisch, is inmiddels overtuigd. ‘Na elke kamp kwam zij hem in de kleedkamer feliciteren, angstvallig speurend of er geen blauwe ogen of blessures te zien waren.’

Coopman is in het najaar van 1974 een begrip geworden. ‘Jean-Pierre begon steeds meer voor zijn sport te leven. Hij bestudeerde het leven van alle zwaargewichten, probeerde allerlei trainingsschema’s en sloeg geen enkele raad in de wind. Thuis richtte hij zelf een oefenzaaltje in om alle dagen te kunnen trainen.’ Een jaar later telt Coopman 24 overwinningen uit 27 profkampen. Hij is de uitdager voor de Europese titel.

‘Ali heeft ook maar twee vuisten’

Op 18 december 1975 volgt nieuws uit New York. Niet Dunn (de mede-uitdager voor de Europese titel) maar Coopman zal boksen tegen Ali. Coopman krijgt de voorkeur omdat hij al tegen Amerikaanse boksers heeft gevochten. De Jager weet met zichzelf geen blijf. ‘Na het telefoongesprek wist ik niet meer of ik droomde of aan aderverkalking leed. Ik kneep me in de wangen en keek in de spiegel van mijn kapperszaak om te zien of alles wel in orde was.’ Twee weken later is de deal rond. ‘Dit is het mooiste nieuwjaarsgeschenk van mijn leven, zei Jean-Pierre. Hij sprak voor ons beiden.’

Jean-Pierre gedroeg zich als iemand die nooit anders in zijn leven had gedaan. Hij stapte flegmatiek op Ali af en zei gewoontjes: “Hello, Ali. I’m Coopman.”

In januari 1976 reist het gezelschap naar de Verenigde Staten. ‘In de beurs van New York op Wall Street, waar we te gast waren, werd de komst van Coopman in grote letters op een elektrische telex gezet. Overal werden wij als koningen onthaald.’ Op 4 januari volgt de eerste ontmoeting met Ali. ‘Toen wij om 17 uur in Mama Leone’s Restaurant binnenkwamen, was Ali al aanwezig. Jean-Pierre gedroeg zich als iemand die nooit anders in zijn leven had gedaan. Hij stapte flegmatiek op Ali af en zei gewoontjes: “Hello, Ali. I’m Coopman.”’

De aanloop naar 20 februari 1976

De kamp vindt plaats in San Juan in Puerto Rico, waar de Belgische delegatie begin februari 1976 feestelijk wordt onthaald. Zo zingen enkele door Don King ingehuurde muzikanten Arriba El Leon, Viva Coopman’, een coverversie van het Vlaamse ‘Viva bomma’. De Jager is onder de indruk van Ali’s trainingen.

Ook daarnaast scoort Ali punten. ‘Op een avond leerden wij ook een andere Ali kennen. Niet de snoever, maar de mens. Jean-Pierre, Elaine en ik liepen van het restaurant terug naar onze hotelkamer. In de gang botsten we op Ali en zijn verloofde Veronique Porche. Er was niemand anders in de buurt. Ali nam Jean-Pierre vriendelijk bij de schouder en vroeg hoe het met zijn conditie was gesteld. Hij lachte en gaf Eliane een knipoog. “Is dat je vrouw?” informeerde hij. We stonden erbij of we van de hand Gods geslagen waren.’

‘Oog in oog met de allergrootste’

Gaandeweg, zo lezen we, is Coopman meer in zijn kansen gaan geloven. ‘Jean-Pierre had uitstekend geslapen. Hij had gedroomd en was wakker geworden als wereldkampioen.’ Van de hotelkamer gaat het naar het Estadio Roberto Clemente. ‘Jean-Pierre zat erbij alsof hij in Izegem tegen een sparringpartner enkele rondjes zou oefenen,’ herinnert De Jager zich.

Klokslag 21 uur stapt Coopman in de ring. Ali volgt even later. De Jager ziet de bui gauw hangen. ‘Toen Jean-Pierre na de eerste ronde in de hoek terugkeerde, zag ik al dat hij erg geleden had. “Neen, neen, ik voel niks,” stelde hij mij gerust. Ik was overtuigd van het tegendeel.’ De kamp zal bijna zes ronden duren, alvorens Coopman wordt uitgeteld. ‘Toen Jean-Pierre terug op zijn stoeltje zat, kwam er niets anders uit dan een krachtige Vlaamse “Godverdomme”. Voor mij was het wel het beste wat kon gebeuren. Na de eerste ronde had ik met onrust het verdere verloop afgewacht. Ik geloof niet dat Coopman er iets mee gewonnen had indien het gevecht twee of drie ronden langer had geduurd.’

Op zijn hotelkamer staat Coopman BRT-journalist Marc Stassijns te woord. Tijdens het interview barst Coopman in tranen uit. ‘Het is pas toen dat ik inzag dat Jean-Pierre honderd procent in zijn kansen had geloofd, en dat de desillusie des te groter was.’ Wat later ontmoeten Ali en Coopman elkaar in Ali’s hotelkamer. Dat levert een fijne anekdote op. ‘Bij het afscheid liet Jean-Pierre Ali in diepe gedachten achter. De wereldkampioen zal wellicht nog altijd niet achterhaald hebben wat mijn “Leeuw van Vlaanderen” bedoelde toen hij hem in steenkappers-Engels zei: “Allez gauw, you are a flink boy!”’

De tweede carrière van Jean-Pierre Coopman

Na de kamp start Coopman als het ware een tweede carrière. Jean-Pierre Coopman zal op 12 maart 1977 in het Antwerpse Sportpaleis tegen de Spanjaard José Manuel Urtainde na een knock-out in de vierde ronde de Europese titel veroveren. Daarover schrijft De Jager. ‘Jean-Pierre viel op zijn knieën en bedekte zijn gelaat met de handschoenen. Hij kust het vilt en stak beide armen triomfantelijk in de lucht. We hadden ons doel bereikt. Het was ontegensprekelijk de mooiste dag uit onze loopbaan.’

‘De laatste loodjes’

Karel De Jager sluit op 1 januari 1979 zijn boek af met een ode aan zijn pupil. Hij looft zowel de mens als de bokser Coopman. ‘Coopman is erin geslaagd de hele wereld naar hem te doen kijken. Hij is een sympathieke ambassadeur voor België geweest. Ik heb dit boek geschreven voor mijn vriend-bokser Jean-Pierre Coopman. Ik wil dat het een soort getuigenis voor zijn karaktersterkte is voor de aankomende generatie.’

Hij eindigt met een prachtige oneliner.

Jean-Pierre kon voor zijn levensdoel lijden als de eerste christenen onder de Romeinse keizers.

Uitgeverij J. Hoste, Brussel, 1979, eerste druk, 88 pagina’s

Alle foto’s zijn afkomstig uit ‘Verzorgers uit!’

De boekenplank van de maand februari

Ik vertel op deze website dat ik kamers vol oude sportboeken wil verzamelen. Elke maand bezoek ik daarom meermaals kringloopwinkels en 2dehandsboekhandels. Ook snuister ik in de plooien van het internet. Ik zoek oude sportboeken, maar ben niet blind voor elpees, singles en andere sportmemorabilia. Ditmaal gaat de aandacht naar een tennisboek uit 1928.

‘TENNIS’ | René Lacoste

Het gros van de sportboeken in mijn boekenkasten dateert van de jaren 70 en 80. Die boeken vind ik makkelijk in 2dehandsboekenwinkels. Zo af en toe ga ik op zoek naar een specialleke.

Ik zag vorig jaar op Bruzz deze reportage over de fantastische Royal Tennis Club de Belgique. De club is alvast een must visit voor de komende tijd. In de minidocu haalt voorzitter Gilbert Elseneer op een bepaald moment een bijzonder tennisboek uit de kast: ‘TENNIS’ van René Lacoste, publicatiejaar 1928, en uitgegeven bij het in 1907 door Bernard Grasset opgerichte Éditions Grasset. Overigens werd ook het eerste deel van Marcel Prousts beroemde roman ‘À la recherche du temps perdu’ in 1913 oorspronkelijk (in eigen beheer) uitgegeven bij Grasset.

In elk geval, de reportage triggerde mijn nieuwsgierigheid en dus zocht ik een exemplaar van het boek van René Lacoste. Ik vond het bij een antiquariaat nabij Bordeaux dat ook online boeken verkoopt. Een week na mijn aankoop ontving ik tot mijn opluchting het boek in goede staat. Met publicatiejaar 1928 is het meteen het oudste boek in m’n bezit.

René Lacoste, de Vier Musketiers en Roland Garros

Even situeren. Auteur René Lacoste werd geboren in 1904. Samen met landgenoten Jacques Brugnon, Jean Borotra en Henri Cochet domineerde hij tijdens de jaren 20 en 30 het internationale tennis. Het viertal werd dan ook toepasselijk ‘les Quatre Mousquetaires’ genoemd. Wie ooit de site van Roland Garros bezocht, passeerde ongetwijfeld al langs La Place des Mousquetaires, waar elk een standbeeld heeft.

De geboorte van ‘Le Crocodile’ en Lacoste het kledingmerk

René Lacoste kreeg van de Amerikaanse pers de bijnaam ‘Le Crocodile’. Die zou afkomstig zijn van een weddenschap waarbij men Lacoste een koffer in krokodillenleer beloofde bij het winnen van een beslissende wedstrijd (die hij overigens verloor). Lacoste omarmde de bijnaam en liet een afbeelding van een krokodil op zijn blazer borduren, zoals hier te zien. Diezelfde krokodil werd in 1933 bij de oprichting van zijn kledingmerk gebruikt als logo, ook vandaag nog.

Als tennisspeler was Lacoste een baseliner die zelden zelf in de fout ging. Hij stond erom bekend op die manier zijn tegenstander als het ware langzaamaan dood te knijpen.

Lacoste over elk aspect van het tennisspel

Over het boek dan. ‘TENNIS’ telt 21 hoofdstukken waarin Lacoste, na een korte inleiding hoe hij als vijftienjarige in Engeland met tennis in contact is gekomen, uitvoerig vertelt over de basisslagen en -technieken (forehand, backhand, lob, smash, opslag en return, netspel, dubbelspel).

Het meest boeiende hoofdstuk gaat echter over het mentale aspect. Lacoste noemt het ‘tempérament’ en staaft de verschillende vaardigheden (concentratie, kalmte, geduld en overwinningsdrang) met anekdotes uit wedstrijden tijdens de grootste toernooien. Vooral het stuk over geduld was voor deze, euh, weinig afwachtende tennisspeler erg nuttig. :-)

Extra leuk is dat naast de teksten heel veel foto’s zijn opgenomen, soms uitklapbaar met een vergelijking tussen de basisslagen van topspelers Bill Tilden, Bill Johnston en Lacoste.

René Lacoste won in zijn relatief korte carrière – hij speelde door gezondheidsproblemen amper zeven jaar op het hoogste niveau – zeven grandslamtoernooien in het enkelspel (waaronder Roland Garros in 1925, 1927 en 1929) en drie in het dubbelspel. In 1927 en 1928 won Lacoste met het Franse team de Davis Cup. Hij overleed in 1996 op 92-jarige leeftijd.

Ook ‘Lacoste on tennis’ en ‘Lacoste über Tennis’

Ik probeer nog uit te vissen wat destijds de oplage was van deze eerste druk. ‘TENNIS’ kreeg verschillende herdrukken in het Frans, waaronder een derde druk in 1935, maar opmerkelijker is dat het boek in 1928 onmiddellijk een Engelse en Duitse vertaling kreeg. ‘Lacoste on tennis’ en ‘Lacoste über Tennis’ werden gepubliceerd in samenwerking met de Britse Dunlop Sports Company.

Een primitieve versie van een ballenmachine (uit ‘TENNIS’ van René Lacoste)

Éditions Grasset, Parijs, 1928, eerste druk, 234 pagina’s

De boekenplank van de maand januari

Ik vertel op deze website dat ik kamers vol oude sportboeken wil verzamelen. Daarom bezoek ik maandelijks kringloopwinkels en 2dehandsboekhandels. Ook snuister ik in de plooien van het internet. Ik zoek oude sportboeken, maar ben niet blind voor elpees, singles en andere sportmemorabilia. Dit is een greep uit de vangst van de maand januari.

‘Ik, Jean-Marie’ | Lex Molenaar

“Iedereen denkt te weten hoe ik in elkaar zit. Nu wil ik zelf wel eens vertellen wie ik ben en wat ik tot nog toe heb gedaan.” Tot zover de bedoeling van deze memoires van Jean-Marie Pfaff, die in 1987 als ondertitel ‘de beste keeper ter wereld over zijn triomfen en nederlagen’ kregen. En dat is niet gelogen. Hoofdstukken boordevol fijne anekdotes worden afgewisseld met korte interviews met Carmen Pfaff en Guy Thys.

Het boek werd opgetekend door Lex Molenaar, destijds chef-redacteur van het weekblad Panorama, in een zeer entertainende schrijfstijl. Inhoudelijk af en toe met een korrel zout te nemen maar nooit ofte nimmer vervelend.

Uitgeverij De Ballon, Wommelgem, 1987, eerste druk, 160 pagina’s

‘Snooker’ | Rudy Bauwens

Auteur Rudy Bauwens is vandaag snookercommentator bij Eurosport. In 1986 schreef hij ‘Snooker’, dat een mooi overzicht geeft van de snookerwereld tijdens de jaren 80, het decennium waarin snooker met een stevige windstoot uit Engeland kwam overgewaaid.

Het boek bevat naast biografieën van topspelers ook tal van trainingstips, wat het ook tot instructieboek maakt. De laatste hoofdstukken zijn gewijd aan ‘de goddelijke 147’ (maximumbreak) en snooker in België. Het boek kreeg een mooie inleiding door Raymond Ceulemans.

Press, Antwerpen, 1986, eerste druk, 280 pagina’s

Björn Borg en Jack Kramer kregen gezelschap

Enkele jaren geleden kocht ik via eBay twee houten tennisrackets. Bij een online garageverkoop van een man uit Connecticut zag ik een zwarte Bancroft Björn Borg Personal en een witte Wilson Jack Kramer Authograph. Beide rackets waren in goede staat en de verleiding was te groot. Bancroft is een oud Amerikaans tennisracketmerk daterend van eind 19de eeuw, waarmee Borg om sponsorredenen buiten Europa tenniste. Binnen Europa gebruikte hij de rackets van het Belgische Donnay uit het Naamse Couvin. De Amerikaan Jack Kramer won tijdens de jaren 40 zowel Wimbledon als de US Open. Ik kocht een tijdje geleden ook zijn biografie uit 1979, maar daar schrijf ik in een latere boekenplankblogpost meer over.

Beide rackets kregen de voorbije maand gezelschap. In een kringloopwinkel in de buurt vond ik een zwarte Snauwaert Caravelle St. en een witte Slazenger Professional. Vooral met de Snauwaert, het legendarische Belgische tennisracketmerk uit Roeselare, ben ik heel tevreden. Dit houten racket heeft immers nog een besnaring met het logo van Snauwaert en kwam met een originele beschermhoes. Beide rackets dateren vermoedelijk van midden tot eind jaren 70 of begin jaren 80.

Het is alleszins de bedoeling om de collectie tennisrackets uit te breiden. :-)

Gelezen | ‘Lat is hoog over’ – Arjan Peters

Arjan Peters, literair recensent bij de Volkskrant, schreef tijdens de wereldbeker voetbal in Rusland voor diezelfde krant elke dag een column. In 24 stukjes, niet langer dan driehonderd woorden, legt hij telkens de link tussen voetbal en literatuur. Na afloop van het toernooi werden de columns verzameld in een bundel met als titel ‘Lat is hoog over’.

Arjan Peters

Arjan Peters bekijkt voetbal op een andere manier. Hij observeert, kijkt naar de dag die zal volgen en schrijft zinnen die aanvoelen als momenten van zen. In elke column kleeft Arjan Peters een gebeurtenis, een opvallend iets, aan een passage uit een of meerdere voetbalboeken, vaak klassiekers, uit zijn naar eigen zeggen bescheiden voetbalbibliotheek.

België – Panama & dichter Remy

Zo wordt een vooruitblik naar België – Panama gelinkt aan Remy C. van de Kerckhove. Van de Kerckhove was, behalve dichter, eind jaren dertig en tijdens de jaren veertig ook aanvaller bij Racing Mechelen en later ook onder meer Union. Hij was ook voetbalverslaggever bij de toenmalige NIR, de voorloper van de BRT, tot hij in 1958 op 36-jarige leeftijd om het leven kwam bij een verkeersongeval.

In het prachtige Dichter Remy beschrijft Arjan Peters hoe van de Kerckhove voorafgaand aan de wedstrijd de kleedkamer van de tegenstander ingaat ‘om er wat bundeltjes te slijten’. “Het zou een stunt zijn als er voorafgaand aan de match op de kleedkamer van Panama wordt geklopt, omdat Leander Dendoncker zijn somberste sonnetten komt slijten, en Marouane Fellaini zijn vileine villanellen” sluit Peters de column af. Heerlijk.

Arjan Peters in de podcast ‘Bij Groenteman in de kast’

Arjan Peters was tijdens de wereldbeker ook te gast in de podcast ‘Bij Groenteman in de kast’, een podcast waarin schrijver, presentator en journalist Gijs Groenteman elke week in gesprek gaat met iemand die hem heeft verwonderd. De aflevering met Arjan Peters is een fijne blik op de wereldbeker en levert een boeiende babbel op over de ingrediënten van een goed voetbalboek.

‘Lat is hoog over’ van Arjan Peters telt tachtig bladzijden. Op de achterflap laat Peters weten dat hij het als zijn doel beschouwt de lezer aan te zetten klassieke voetbalverhalen te herlezen. Arjan Peters is in zijn opzet geslaagd. De goesting om die eigen voetbalbibliotheek uit te breiden is na het lezen van ‘Lat is hoog over’ alleen maar groter geworden.

Uitgeverij Prometheus, Amsterdam, 2018, eerste druk, 80 bladzijden

Column | Ouverture

Voetbal is in jaargangen met een groot toernooi een draaimolen waar je niet kunt en ook niet wilt afstappen. Dus keek ik gisterenavond alweer naar de Supercup tussen Club Brugge en Standard. Het werd aanvankelijk een gezapige en gesloten oefengalop die alle tekenen vertoonde van een klasreünie.

Een herkenbaar Standard speelde tegen een Club met nieuwkomers Mats Rits, Karlo Letica en Arnaut Danjuma in het basisteam. Vooral de laatste twee vielen op. En Hans Vanaken. Opnieuw Hans. Het is duimen dat scouts Brugge hebben bezocht met voordien leeg geschreven pennen. Halfweg hoorde ik de echo’s van een kampioensploeg op driekwartsnelheid.

Hét hoogtepunt van de avond vond al voor aanvang van de wedstrijd plaats: de terugkeer van Michel Preud’homme. In de catacomben wuifde MPH naar oude bekenden als een zonnekoning. Het was een schouwspel van intense omhelzingen en stevige handdrukken. Plagerijen en glimlachen alom.

De trainer Michel Preud’homme heet een prijzenpakker te zijn. Om beter te doen dan zijn voorganger Ricardo Sá Pinto moet hij, tien jaar na de laatste, de landstitel opnieuw naar Luik brengen. Die uitdaging is groot, maar niet onmogelijk. Eén strijd zal MPH alvast niet winnen: de prijs voor de coach met de fraaiste haardos heeft Sá Pinto meegenomen naar het zuiden.

Gelezen | 2 boekentips over voetbal in Rusland

Met het wereldkampioenschap voetbal in Rusland in het vooruitzicht ging ik enkele maanden geleden de online boekenmarkt op. Ik zocht boeken over de achtergrond van het Russische voetbal en, bij uitbreiding, heel Oost-Europa. Het voetbal in het voormalige Oostblok fascineert me wegens de raadselachtigheid die eromheen hangt, en voedt met wazige beelden en krakende commentaarlijnen tegelijk een honger naar nostalgie.

Behind the Curtain: Football in Eastern Europe – Jonathan Wilson

Auteur Jonathan Wilson was me bekend van het boek The Outsider: A History of the Goalkeeper waarin hij, zoals de titel het zegt, de lezer meeneemt op een tijdsreis doorheen het DNA van de doelman. The Outsider is een uitstekend boek, dus twijfelde ik niet toen ik een tweedehandsversie van Behind the Curtain vond voor amper vijf euro.

In dit boek, dat dateert van 2016, gidst Jonathan Wilson doorheen het voetbal in Oekraïne, Polen, Bulgarije, het voormalige Joegoslavië, Hongarije, Roemenië, Georgië, Armenië, Azerbeidzjan en Rusland. Wilson doet het telkens met een grote persoonlijke toets. Daardoor krijg je als lezer het gevoel dat je op ontdekkingsreis bent. Wilson heeft bovendien gevoel voor historiek en bespreekt de rijke geschiedenis van het Oost-Europese voetbal.

Football Dynamo: Modern Russia and the People’s Game – Marc Bennetts

Ook tweedehands kocht ik Football Dynamo, een boek van Marc Bennetts uit 2008. Bennetts is een Brits journalist met Moskou als thuisbasis. Hij is zo de perfecte man om het Russische voetbal en de rol ervan in de Russische samenleving te beschrijven.

In het boek schetst de auteur de achtergrond van de verschillende voetbalclubs uit Moskou. Hij ontrafelt het enigma van het Russische voetbal. Bennetts beschrijft hoe de nationale ploeg na het uiteenvallen van de Sovjet-Unie in 1991, met het missen van de wereldbeker in 1998, 2006 en 2010 en het niet bereiken van de knock-outfase in 1994 en 2014, een nieuwe plaats moest zien te vinden. Daarbij gaat Bennetts onderwerpen als corruptie, racisme en hooliganisme niet uit de weg.

Longread | De zomer van 1994

Tijdens de zomer van 1994 marcheerden over het uitgestrekte veld achter ons huis twee maaidorsers. Ze waren geel van kleur en hadden grote grijparmen en een bolle kont. Hun geroezemoes gaf het open landschap een soort sereniteit. De machines waren als shoppende dames. Volgeladen leverden ze hun buit af bij een oude tractor met een groene kar. Het daaropvolgende jaar was een van de maaidorsers verdwenen. In mijn fantasie genoot de machine van een verdiend pensioen in een hangar. Aan een maaidorserkerkhof durfde ik niet te denken. Later verdween ook de tweede maaidorser. Ze werden vervangen door twee blinkende hoekige bulldozers die een hels kabaal maakten. Zielloos bolden ze heen en weer en zetten niet langer aan tot fantaseren. Ze deden simpelweg waarvoor ze waren gemaakt: tarwe oogsten. Niets meer.

Diezelfde zomer namen de Rode Duivels deel aan het wereldkampioenschap voetbal in de Verenigde Staten. Ik herinner me levendig de openingswedstrijd tussen Duitsland en Bolivië. Marco Etcheverry, de ster van het Boliviaanse team, startte op de bank. De middenvelder viel tien minuten voor het affluiten in en kreeg drie minuten later de rode kaart, wat meteen het einde van zijn toernooi betekende. Jürgen Klinsmann scoorde het enige doelpunt. Wanneer ik mijn ogen sluit, dan kan ik de World Cup afspelen als een diareeks. Ik zie het frivole Nigeria met Rashidi Yekini en Daniel Amokachi, de stoere Bulgaren met Hristo Stoichkov en de inmiddels overleden Trifon Ivanov, die op zijn Paniniplaatje alle mogelijke richtingen uitkijkt. Ik zie het laatste kunstje van Diego Maradona tegen Griekenland, de Italiaanse finaletranen van Roberto Baggio en het wieggebaar in drievoud uitgevoerd door Romário, Mazinho en Bebeto.

“Vier jaar eerder, tijdens de Mondiali in Italië, was alles wazig. Het doelpunt van David Platt verdween tussen de plooien van mijn herinneringen.”

De wereldbeker van 1994 is de eerste waarvan ik de wedstrijden van Rode Duivels ten volle beleefde. Vier jaar eerder, tijdens de Mondiali in Italië, was alles wazig. Ik heb enkel een vage gedachte aan het vrijetrapdoelpunt van Patrick Vervoort in de wedstrijd tegen Spanje. Ik weet dat ik de achtste finale tussen België en Engeland heb gezien, maar het doelpunt van David Platt is verdwenen tussen de plooien van mijn herinneringen. De televisiebeelden roepen geen emotie op. Neen, de World Cup in de Verenigde Staten is mijn eerste echte wereldbeker, en daar genoot ik ten volle van. In de aanloop naar het toernooi verzamelde ik alles wat ik over de Rode Duivels te pakken kon krijgen: mutsen, sjaals, poppetjes, bierglazen, Coca Cola-blikjes. En ik kreeg van mijn moeder en vader ook mijn allereerste voetbalshirt. Knalrood van Diadora met op de mouwen het zwart, geel en rood van de Belgische vlag.

Tijdens de eerste groepswedstrijd tegen Marokko traden de Rode Duivels aan in hun witte uitrusting. Ik supporterde thuis mee met mijn moeder en vader. We juichten toen Marc Degryse al in de elfde minuut het enige doelpunt van de wedstrijd scoorde. De daaropvolgende groepswedstrijd tegen Nederland viel samen met het laatste verjaardagsfeestje van het schooljaar. We ambeteerden de buurman en aten frieten aan een kraampje dat niets anders was dan een open keukenvenster. In de woonkamer zagen we met zijn allen op het televisiescherm Philippe Albert de bal aan de tweede paal binnenschuiven. De euforie doofde pas enkele dagen later toen onze jongens bij het doelpunt van de Saoedi Saeed Al-Owairan smolten als tinnen soldaatjes.

“Thomas Helmer tackelde Josip Weber duizenden kilometers van ons af, maar het voelde alsof het in onze achtertuin gebeurde.”

Ook de achtste finale tegen Duitsland keek ik samen met een klasgenoot. We vloekten toen de Zwitserse scheidsrechter Kurt Röthlisberger geen strafschop floot wanneer Thomas Helmer Josip Weber onderuit schoffelde. Het speelde zich duizenden kilometers van ons af, maar het voelde alsof de tackle in onze achtertuin gebeurde. Er was geen weg terug. Voor de Rode Duivels was de wereldbeker voorbij.

Ik daarentegen hield mijn routine aan. Elke ochtend fietste ik in alle vroegte naar de enige krantenwinkel van het dorp. Ik kocht er Het Laatste Nieuws en ging vervolgens thuis, of bij mijn grootmoeder, aan de tuintafel zitten waar ik alle artikels en het wedstrijdschema van de dag doornam. Er waren geen sociale media. Ik had geen toegang tot het internet. Het waren, erop terugkijkend, momenten van intens geluk.

“Eden Hazard, Romelu Lukaku en Vincent Kompany lijken personages uit een feuilleton. Ik ontbreek de blik van een kind om hen helemaal aan de borst te drukken.”

Zo beleefden wij, de kinderen van het dorp met geboortejaar 1982, de wereldbeker in de Verenigde Staten. Wij die weldra zouden uitzwermen. Geen juffen en meesters meer, gauw spraken we onze leraressen en leraren aan met ‘mevrouw’ en ‘mijnheer’ en wisten we niet langer waar ze woonden en met welke auto ze reden. En hoewel de Rode Duivels vandaag nooit eerder zoveel talent telden, lijken ze zo veraf te staan van de boys next door die in 1994 op onze Coca Cola-glazen stonden en een poging deden het wereldbekerlied in te zingen. Eden Hazard, Romelu Lukaku en Vincent Kompany, ze zijn ongrijpbaar. Ik zie hen op mijn televisiescherm als personages uit een feuilleton. Ik ontbreek de blik van een kind om hen helemaal aan de borst te drukken.

Kon ik de tijd bevriezen, dan zou het altijd de zomer van 1994 zijn. Het is in mijn herinnering een soort Nooitgedachtland waarin ik als een Peter Pan eeuwig zou kunnen ronddwalen. Die zomer stond onze totale zorgeloosheid op losse schroeven en we wisten het zelf niet.

Ik besefte het pas jaren later. De maaidorsers met een bolle kont, dat waren wij.

Gelezen | ‘Vaders, zoons & voetbal’

Het doorgeven van dna uit zich in de contouren van een gezicht, in onmiskenbare karaktertrekken en in de voetbalclub die men bemint. Het hoeft dan ook niet te verbazen dat de relatie vaders, zonen en voetbal voor vele schrijvers een inspiratiebron is geweest. In het jaar 2000 werden elf kortverhalen verzameld in ‘Vaders, zoons & voetbal’, een line-up met stukken van onder meer Herman Brusselmans, Nick Hornby en David Endt.

Magnifiek – David Endt (1998)

David Endt is voormalig teammanager van Ajax. Hij neemt de lezer mee op de spelersbus tijdens een verplaatsing naar Doetinchem eind jaren 90. Ajax speelt er tegen De Graafschap. David Endt beschrijft de relatie met zijn vader aan de hand van een gedicht uit een bundel met als ondertitel Gedichten over de vader. Hoe anders ze naar voetbal kijken, bijvoorbeeld, en de verschillende woordenschat die ze gebruiken. ‘Magnifiek’ is een mooie broze tekst vol stille overpeinzingen te midden van een schreeuwerige spelersbus.

Mijn broer – Nick Hornby (1993)

Nick Hornby schreef in 1992 het fantastische Fever Pitch. Daarin beschrijft hij uitvoerig hoe voetbalclub Arsenal als een rode draad door zijn leven loopt. Vaders en zonen horen samen in de tribune, naast elkaar en met een identieke sjaal rondom de hals. Maar wat als een zoon een andere voetbalgeliefde kiest dan degene die de vader voor hem heeft voorbestemd?

Het team der wezen – Herman Brusselmans (1994)

‘Het team der wezen’ van Herman Brusselmans is, samen met ‘Kick Off 2 of De Lange Aanloop naar Amerika’ van Herman Koch, het beste voetbalverhaal dat ik ooit heb gelezen. Het verscheen oorspronkelijk in Hard gras, het Nederlandse voetbaltijdschrift voor lezers, van december 1994.

Herman Brusselmans vertelt over zijn jeugdvoetbaljaren bij VW Hamme en Sporting Lokeren en verweeft dit naadloos met het gezinsleven van elke dag. Dat gezin is, zoals een voetbalteam, een ploeg waarin elk lid een essentiële rol vervult. Als dan de kapitein van de ploeg wegvalt, blijven de teamgenoten verweesd achter. De dialogen zijn amusant en de pointe is fenomenaal.

Vaders, zoons & voetbal telt ook verhalen van onder andere Freek de Jonge, Bert Hiddema en Ronald Giphart.

Uitgeverij Van Holkema & Warendorf, Houten, 2000, eerste druk, 128 pagina’s

Bezocht | Boekenfestijn Kortrijk

Van 5 tot en met 8 april vond in Kortrijk Xpo het Boekenfestijn plaats. Ik bezoek het Boekenfestijn al enkele jaren en kocht er al veel sportboeken voor een schappelijke prijs. De boeken zijn niet tweedehands, wel enkele jaren geleden gepubliceerd. Vooral Nederlandse uitgeverijen bieden boeken aan – het Boekenfestijn is van oorsprong een Nederlandse organisatie. De voorbije edities zie ik ook meer Engelstalige uitgaven. Dit zijn de boeken die ik ditmaal van het Boekenfestijn heb meegebracht.

1936. Wij gingen naar Berlijn – Auke Kok

In ‘1936. Wij gingen naar Berlijn’ vertelt auteur Auke Kok (1956) het verhaal van de Nederlanders die in 1936 naar de Olympische Zomerspelen in Berlijn en Olympische Winterspelen in Garmisch-Partenkirchen gingen. De propagandaspelen zijn de Spelen van Jesse Owens, die vier keer goud wint. Kok beschrijft in 15 hoofdstukken de innerlijke strijd van de Nederlandse sporters. ‘1936. Wij gingen naar Berlijn’ won begin mei vorig jaar de Nico Scheepmaker Beker, de prijs voor het beste sportboek van het jaar 2016.

Aankoopprijs: 9,99 €

The Little Wonder: The Remarkable History of Wisden – Robert Winder

Ik zie cricket af en toe op de BBC. Dan zap ik meestal, vooral omdat ik niks van de spelregels snap. Met cricket heb ik weinig, met prachtige boekcovers heb ik veel. Dus liet ik me verleiden tot het boek van Robert Winder. Hij beschrijft in ‘The Little Wonder’ de geschiedenis van de Wisden, al sinds 1864 hét standaardwerk over cricket.

De cricketalmanak, vernoemd naar stichter en legende John Wisden (1826-1884), staat bekend als ‘the Bible of Cricket’. The Times omschreef het boek van Winder, daterend van 2013, als ‘The best cricket book of the year, by a long way’. 

Aankoopprijs: 1,99 €

Wisden on the Ashes: The authoritative story of cricket’s greatest rivalry

Op de lange boekenplank lag hij welgevoed en wat bestoft in zijn gele vel: de ‘Wisden on the Ashes’, editie 2010-2011. Ik kon dan ook niet anders dan deze echte Wisden Cricketers’ Almanack meenemen. Cricketleken linken het spel aan de Ashes. Dit zijn een serie testmatchen tussen Engeland en Australië die al sinds 1882, en meestal om de twee jaar, plaatsvinden.

Het boek opent met een reisverslag uit 1876. De Engelsen reisden op 21 september met de boot vanuit Southampton naar Australië om er hen op 15, 16, 17 en 19 maart 1877, nog voor de eerste editie van de Ashes, in Melbourne de allereerste keer te bekampen. De encyclopedie telt 628 pagina’s en staat vol met weetjes over wedstrijden en spelers.

Aankoopprijs: 5,99 €

Meer info over het Boekenfestijn en volgende edities op de website van het evenement: www.boekenfestijn.be