Boek ‘de Club’ in Sport/Voetbalmagazine

Elke week laat Sport/Voetbalmagazine in de rubriek ‘clubliefde is…’ een bekende Vlaming aan het woord over zijn of haar favoriete voetbalclub. Afgelopen week was dat acteur Geert Hunaerts. Tot mijn verbazing kreeg ‘de Club’, mijn boek naar aanleiding van 125 jaar Club Brugge, de nodige aandacht. Een leuke verrassing met een mooie foto en deugddoende woorden. Je kunt het volledige artikel, inclusief de bijhorende foto, hieronder lezen.

Naar een generaal kijk je op

Het oude volkscafé Local Unique op de Grote Markt van Ronse is op een doordeweekse maandag een baken van rust. Aan de toog hoor je er enkel zacht geroezemoes. De stoof geeft warmte aan een kwartet vaste klanten. De houten tafels en stoelen lijken afkomstig uit een huiskamer van de jaren 50. Aan de muren hangen tegeltableaus van keramiekfabriek Helman uit Brussel. Ze tonen schrijvers en schilders, Hendrik Conscience en Peter Paul Rubens zijn de bekendsten. Hier is ook het portret van Pierre Carteus, een van de stijlrijkste voetballers van Club Brugge, te zien.

Pierre Carteus bewoog als een giraf over het veld. Altijd met het hoofd in de lucht. Hij behield ten allen tijde het overzicht en keek waar hij de bal kon neerleggen.

Ploeggenoten van Pierre Carteus hebben me allen hetzelfde verteld: hij was een strateeg, een generaal. Een sierlijke, intelligente voetballer die de bal het liefst in de voeten kreeg en zelden buiten de middencirkel kwam. De lieveling van De Klokke. En ook: de man die Raoul Lambert lanceerde. Snelle Raoul vertrok, en grote Pierre bediende hem perfect met buitenkant voet. Pierre Carteus bewoog als een giraf over het veld. Altijd met het hoofd in de lucht. Hij behield ten allen tijde het overzicht en keek waar hij de bal kon neerleggen.

De voetballer Pierre Carteus werd gevormd bij het lokale Club Ronse. In 1966 maakte hij de overstap van SK Roeselare naar Club Brugge. Carteus wint met FCB in 1968 en 1970 de Beker van België en wordt in 1973 landskampioen. Tweewekelijks is het in Ronse verzamelen. Op zondag rijden bussen richting De Klokke om hun Pierre aan te moedigen. Na 262 wedstrijden en 88 doelpunten verlaat hij in 1974 Club voor AS Oostende. Het steeds meer tactisch wordend spelletje fnuikt zijn goesting, en ik herken in de instinctvoetballer Carteus de woorden van een vermaard voetbalanalist: fuck the system!

Voor Pierre Carteus was voetbal amusement. Op een autoloze zondag maakten hij en boezemvriend Johny Thio de rest wijs dat ze vanuit Roeselare naar Brugge waren gefietst. In werkelijkheid namen ze de trein en sprongen pas bij Tillegembos op de fiets. Ik krijg de indruk dat voetbal voor Pierre echt de belangrijkste bijzaak ter wereld was. Pierre overleed in 2003 op 59-jarige leeftijd. Veel te vroeg.

In café Local Unique vind je zijn foto pal boven de biljarttafel. Ze zeggen er dat hij over hen waakt. Pierre draagt dat helder blauw en zwart gestreepte sixties-shirt en heeft nog altijd een knuffelbeertje in de kleuren van Club Brugge naast zich staan. Je kunt ‘m alleen zien als je omhoog kijkt. Dat hoort zo. Immers, naar een generaal kijk je op.

Dit verhaal is een van de 125 verhalen in ‘de Club’, het boek naar aanleiding van 125 jaar Club Brugge, uitgegeven bij Lannoo. Meer weten over het boek en hoe je het kunt kopen? Je vindt hier alle informatie.

De boekenplank van de maand juni

Ik vertel op deze website dat ik kamers vol oude sportboeken wil verzamelen. Elke maand bezoek ik kringloopwinkels en 2dehandsboekhandels. Ook snuister ik in de plooien van het internet. Ik zoek oude sportboeken, maar ben niet blind voor elpees, singles en andere sportmemorabilia.

Na onder meer ‘TENNIS’ van René Lacoste (1928) en de memoires van atleet Roger Moens (1964) koos ik met de Grand Départ in Brussel voor een 2-delige biografie van Eddy Merckx: ‘Van Libramont tot Heerlen’ (1967) & ‘Van regenboog- tot gele trui’ (1970).

‘Van Libramont tot Heerlen’ | Louis Clicteur & Lucien Berghmans

De fanfare van boeken over Eddy Merckx is eindeloos. In die stoet lopen Louis Clicteur en Lucien Berghmans voorop. Zij hadden in 1967 de primeur. In een allereerste biografie vertellen ze het levensverhaal van Merckx: van het kind tot de kampioen. De titel ‘Van Libramont tot Heerlen’ verwijst naar twee iconische plaatsen in het wielerleven van Eddy Merckx: in 1962 wordt Merckx in het Waalse Libramont Belgisch kampioen bij de nieuwelingen, vijf jaar later wordt hij in het Nederlandse Heerlen voor het eerst wereldkampioen bij de beroepsrenners.

De Italiaanse sportjournalist Gian Paolo Ormezzano beschrijft het Merckxisme als een nieuwe filosofie. Een nieuwe wielerpartij, de partij van de toekomst.

Het boek telt tien hoofdstukken, waarvan de meeste chronologisch de carrière van de regerend wereldkampioen volgen. Het eerste hoofdstuk is de uitzondering. Daarin wordt het ontstaan en de bloei van het Merckxisme uit de doeken gedaan. De auteurs verwijzen naar Gian Paolo Ormezzano, Italiaans sportjournalist, die het Merckxisme beschrijft als een nieuwe filosofie. Een nieuwe wielerpartij als het ware, de partij van de toekomst. Merckx is op dat moment 22 jaar jong.

De achterflap van het boek is een hagiografie in pocketformaat. We lezen onder meer ‘De Batman van de sport’, ‘het fenomeen van deze tijd’ en ‘een man die iedereen met verbazing slaat’. Het boek is volgens de auteurs dan ook de onopgesmukte levensgeschiedenis van de wereldkampioen die de hele wielerwereld op stelten zet.

Uitgeverij De Schorpioen, Strombeek-Bever, 1967, eerste druk, 143 pagina’s

‘Van regenboog- tot gele trui’ | Louis Clicteur & Lucien Berghmans

Eddy Merckx blijft ook na 1967 winnen, dus volgt drie jaar later deel twee. Gezien Merckx’ eerste Tourzege in 1969 is de titel ‘Van regenboog- tot gele trui’ toepasselijk. Ook in dit tweede deel volgen de auteurs de chronologische route. Negen hoofdstukken ditmaal met een uitgebreid relaas over de Ronde van Frankrijk van 1969 met als titel Merckxissimo.

De maanlanding van Armstrong, Collins en Aldrin kwam er enkele uren nadat Eddy Merckx zijn ereronde reed te Vincennes. De datum van “dertig jaar later” zal dus wel heel gemakkelijk onthouden worden.

In de laatste alinea’s kijken Louis Clicteur en Lucien Berghmans al even vooruit. “De maanlanding van Armstrong, Collins en Aldrin kwam er enkele uren nadat Eddy Merckx zijn ereronde reed te Vincennes. De datum van “dertig jaar later” zal dus wel heel gemakkelijk onthouden worden, want 20 juli was ook historisch voor de hele mensheid. Omwille van onze eigen nationale feestdag verschenen op 21 juli geen kranten. Enkele kranten gaven wel een bijzondere editie uit waarvan de helft gewijd was aan de maanlanding en de andere helft aan de zege van Merckx. Volgens Eddy zelf, een wanverhouding. Dat de astronauten zelf nochtans Eddy’s prestatie waardeerden, bleek tijdens hun bezoek aan ons land. Ze werden te Luik gevraagd, maar stemden slechts toe zich naar de Vurige Stede te begeven indien Merckx hen vergezelde. Dat bleek toen onmogelijk.”

Zouden de auteurs in een hoekje van hun gedachten vijftig jaar later ook een Grand Départ in Brussel hebben voorzien?

Uitgeverij De Schorpioen, Strombeek-Bever, 1970, eerste druk, 151 pagina’s

De boekenplank van de maand mei

Ik vertel op deze website dat ik kamers vol oude sportboeken wil verzamelen. Elke maand bezoek ik kringloopwinkels en 2dehandsboekhandels. Ook snuister ik in de plooien van het internet. Ik zoek oude sportboeken, maar ben niet blind voor elpees, singles en andere sportmemorabilia. Na onder meer ‘TENNIS’ van René Lacoste (1928) en het verhaal van boksmanager Karel De Jager (1979) ditmaal de memoires van atleet Roger Moens uit 1964.

‘De Roger Moens Story’ | Roger Moens

Tijdens de zomervakantie van 1946 stuurt een grootmoeder haar kleinkinderen Roger en Pierre Moens naar een uitgestrekt hoppeveld om het onkruid te wieden. Na uren eentonig ‘opkrabben’ gooien de broers de werktuigen weg en houden tussen de hoppestaken blootsvoets een loopwedstrijd. Eerst over een afstand van tien staken, daarna dertig en tot slot veertig staken ver.

Roger Moens is dan zestien jaar. Hij schrijft hierover: “Ik ben ervan overtuigd dat de wedstrijden die we soms tientallen keren per dag tegen elkaar liepen, die op den duur zeer vermoeiend waren, maar die op buitengewone wijze de kracht van de benen ontwikkelden omwille van het lopen in losse aarde, er niet in geringe mate hebben toe bijgedragen mijn latere sportcarrière met een potentieel kracht te laten aanvangen, aanzienlijk groter dan die van andere atleten van dezelfde leeftijd.”

Wereldrecordhouder op de 800 meter

De filmische scene is de inleiding van ‘De Roger Moens Story’, de in 1964 gepubliceerde memoires van atleet Roger Moens. Moens specialiseert zich in de 400 en 800 meter. Op die laatste afstand verbetert hij in 1955 in Oslo het wereldrecord na een intense strijd met de Noorse thuisloper Audun Boysen. Roger Moens beschrijft de aanloop naar en de race tot in het kleinste detail.

“Terwijl het geroezemoes van de circa vijftienduizend toeschouwers langzaam uitstierf, zetten we ons in slagorde. Ik beefde als een riet. Er zijn van die ogenblikken in het leven van een mens, waar men zich rekenschap geeft dat er iets gaat gebeuren. (…) Het startschot bevrijdde me gedeeltelijk van de verlammende trac. (…) Tweehonderd meter waren gelopen en alles was OK. Ik ‘rolde’ zoals nooit voordien en het ademhalen gebeurde nog ritmisch en met diepe, volle teugen. (…)

De bel. Nog vierhonderd meter. (…) Na vijfhonderd meter begon ik echt te spurten in een tumult dat ieders verbeelding te boven gaat. (…) Bij het ingaan van de laatste bocht, zowat tweehonderd meter voor het einde, dacht ik dat ik reeds een substantiële voorsprong had genomen. Mijn spieren die zuurstof nodig hadden deden mijn mond meer en meer openvallen om naar lucht te happen. (…)

Een onzichtbare kracht stootte mij opnieuw vooruit, tien centimeter, dan twintig en uiteindelijk ongeveer één meter. Nog een paar stappen en mijn borst raakte het lint.

Nog honderd meter. Ik had nog slechts één doel: zo vlug mogelijk aan het einde geraken van die rechte lijn die me eindeloos toescheen. Mijn benen werden bijna gevoelloos, mijn blik wazig en mijn gedachten verward. (…) Gedreven door de aanmoedigingen van zijn publiek kwam Boysen opnieuw op mijn hoogte. Mijn lichaam was uitgeput, alleen mijn wilskracht hield mij recht. Een onzichtbare kracht stootte mij opnieuw vooruit, tien centimeter, dan twintig en uiteindelijk ongeveer één meter. Nog een paar stappen en mijn borst raakte het lint. (…)

Een paar minuten later bij een doodse stilte werd de uitslag bekend gemaakt. Het Noorse kennerspubliek had aangevoeld dat hier iets belangrijk was geschied. 1’45”7 klonk het plechtig. Ik was wereldrecordhouder. De ondraaglijk geworden spanning was gebroken.”

Roger Moens en de Olympische Spelen

Roger Moens neemt twee keer deel aan de Olympische Spelen. De eerste keer in 1952 in Helsinki, waar hij de 400 meter loopt en het Belgisch record verbreekt. Een tweede deelname volgt in 1960 in Rome, nadat hij de Spelen van 1956 in Melbourne heeft gemist. In Athene stuit Moens tijdens een trainingsloop op een niet verlicht tennisveld tegen een paaltje. Hij blesseert zich in de liesstreek en aan de linkerknie. De dan beste 800 meter-loper ter wereld zal niet deelnemen aan de Olympische Spelen.

Vier jaar later volgt de revanche. De 30-jarige Moens noemt dit ‘het seizoen van de laatste kans’ en traint naar eigen zeggen beter en anders dan ooit tevoren. Zo ligt de focus niet langer op het verbeteren van de basissnelheid, wel om die zo lang mogelijk te behouden.

Op 27 augustus landt de Belgische delegatie in Rome. Gedurende drie dagen, vanaf 31 augustus, wanneer de 1/8ste en kwartfinales plaatsvinden, tot en met 2 september – de dag van de waarheid – geeft Roger Moens in dagboekstijl een ultieme inkijk.

Woensdag 31 augustus (dag van de 1/8ste finales en kwartfinales)

“Er waren negen reeksen voorzien in de 800 meter, die gelopen werden vanaf 11 uur ’s morgens. Ik werd ingedeeld in de vijfde reeks, die omstreeks 11u30 van start ging. (…) In de laatste rechte lijn had ik geen moeite om te winnen in 1’50”7. (…) Vliegensvlug keerde ik terug naar het olympisch dorp – tien minuten van daar gelegen – om een kleine lunch te kunnen gebruiken want te 16 uur mochten wij opnieuw lopen.

Alvorens te gaan slapen, omstreeks 21 uur, liet ik mij nog eens flink de benen masseren, die zwaarder wogen dan lood. Ik kon zeer moeilijk de slaap vatten.

Na anderhalf uur te hebben gerust op mijn op de grond liggende matras, ging ik om 15 uur opnieuw naar het olympisch stadion. (…) In het begin ging het er niet zeer snel aan toe. Een volledig onbekende, met name Snell, ging het eerst aan het spurten. Op het einde kon ik hem echter de baas en won met een meter voorsprong in 1’48”5. (…)

Na die eerste dag was ik zo vermoeid dat ik ogenblikkelijk een bus nam naar het olympisch dorp. De hitte en vermoeidheid hadden mijn honger volledig weggenomen. (…) Alvorens te gaan slapen, omstreeks 21 uur, liet ik mij nog eens flink de benen masseren, die zwaarder wogen dan lood. Ik kon zeer moeilijk de slaap vatten.”

Donderdag 1 september (dag van de halve finales)

“Met een loodzwaar hoofd en extra stramme benen trok ik mij omstreeks 8 uur ’s morgens aan de vensterbank, waaronder ik met mijn matras was verhuisd, omhoog. Niet zonder een zekere angst zag ik de halve finales van ’s namiddags tegemoet. Op mijn nuchtere maag kreeg ik de indeling van de halve finales. (…) Snell won in 1’47”2, ikzelf was tweede in 1’47”4. (…)

Fysiek was ik om te zeggen volledig uitgeput en dat terwijl alleen het voorspel achter de rug was. De echte wedstrijd moest nog komen.

In die wedstrijd heb ik een grove psychologische flater begaan. Zoals de dag voordien had ik Snell kunnen kloppen in deze halve finale. Om mijn krachten te sparen voor ’s anderendaags drong ik echter niet aan en liet de overwinning aan de Nieuw-Zeelander. Die overwinning heeft de ambitie van Snell meer dan waarschijnlijk vastere vorm doen krijgen en het geloof in zijn eigen kunnen zonder twijfel versterkt. (…) Fysiek was ik om te zeggen volledig uitgeput en dat terwijl alleen het voorspel achter de rug was. De echte wedstrijd moest nog komen.”

Vrijdag 2 september (de dag van de finale)

“Eindelijk was het 2 september geworden, de dag waarop ik vier jaar had gewacht. (…) Van vermoeidheid hoef ik niet meer te spreken, want die was zo chronisch geworden dat ik ze zelfs niet meer voelde. Ik had alleen nog een gevoel van loomheid. (…) De finale zou gelopen worden omstreeks 16u30. (…) Juist na het middageten waren Prins Albert en Prinses Paola mij nog veel geluk komen toewensen. (…) Omstreeks 15 uur vertrok ik ook naar het marmeren stadion waar de kleedkamers van de atleten waren ingericht in lange, koele gangen waarin het heerlijk was te vertoeven, na het eentonig warmlopen in de verzengende zon. (…)

Ik denk aan de jaren opoffering die ik mij getroostte om hier vandaag in het gelid te staan, aan het vertrek van de 800 meter, de wedstrijd van mijn loopbaan. De wedstrijd die ik niet mag verliezen omdat het mijn eerste en ook mijn laatste kans is om olympisch kampioen te worden.

Finalisten van de 800 meter naar de oproepkamer klonk het door de luidsprekers. Samen gingen wij naar de tunnel, dat gapende donkere gat, dat uitmondde in de leeuwenkuil. Met Schmidt, Waegli, Matuschewski en Snell praatte ik over koetjes en kalfjes om de gedachte aan de komende strijd op het achterplan te duwen. Kerr gunde mij geen blik. Voelde hij zich superieur, of had hij schrik van mij? Ik deed ook alsof ik hem niet kende.

Vier uur tien. Voorafgegaan door een Italiaans officieel slenterden de zes finalisten de leeuwenkuil binnen. Onderweg heb ik hier en daar iemand mijn naam horen roepen en met een Belgische vlag zien zwaaien. Die mensen zijn gekomen om mij te zien winnen. Ook de duizenden, die thuis voor hun televisietoestel zitten, of naar de radio luisteren, hebben hetzelfde verlangen. (…)

Van bij het begin gaat het zeer snel. Maar jongens, wat zijn mijn benen zwaar.

Heren aan de lijn. Ik denk aan de jaren opoffering die ik mij getroostte om hier vandaag in het gelid te staan, aan het vertrek van de 800 meter, de wedstrijd van mijn loopbaan. De wedstrijd die ik niet mag verliezen omdat het mijn eerste en ook mijn laatste kans is om olympisch kampioen te worden. Ik heb mij zorgvuldig voorbereid en toch spijt het mij dat ik nog niet meer heb geofferd aan de God van de training. Nu is het echter te laat. Er is geen hulp meer mogelijk. Van nu af aan geldt de harde wet van de jungle: het recht van de sterkste. (…)

Van bij het begin gaat het zeer snel. Maar jongens, wat zijn mijn benen zwaar. (…) Het gaat snel en ik heb werkelijk last om te volgen. Heeft de trac mij zo lamgelegd, of is het de opeengehoopte vermoeidheid van drie 800-meterwedstrijden in 48 uur tijd? (…) De bel. Nog één ronde. Ik ben nog steeds vijfde, een bijna hopeloze situatie die ik koste wat kost moet rechttrekken. Roger, ge moet en ge zult winnen, gonst het door mijn hoofd. Dit is de allerlaatste kans. (…)

Peter Snell gaat mij onweerstaanbaar voorbij. Ik tracht nog te reageren, maar het bobijntje is af.

Nog driehonderd meter. Ga, ga, ga, flitst het door mijn hoofd. Langzaam, heel langzaam, geraak ik voorbij Snell, die in vierde positie loopt. De derde, Kerr, biedt minder weerstand en dat geeft mij opnieuw moed. Schmidt voorbijgaan is een zwaar karwei, maar moeilijk gaat ook. Zo geraak ik op 200 meter voor het einde in de tred van Waegli, die vertraagt. Hij heeft zijn laatste krachten aangesproken, want bij het uitgaan van de laatste bocht, met nog honderd meter, valt hij werkelijk stil. Aan het einde van de lange rechte lijn wacht de beloning van een jarenlange strijd. Ik geef wat ik kan, maar zou toch graag weten wat er achter mij gebeurt. Even het hoofd naar rechts. Kerr, de gevaarlijkste klant, is ten minste drie meter achter. (…)

Wanneer de Nieuw-Zeelandse vlag de hoogte wordt ingetrokken en de tonen van het Nieuw-Zeelandse volkslied over de tachtigduizend toeschouwers wordt gestrooid, voel ik in hart en ziel de draagwijdte van de verkeken kans.

Nog vijftig meter. Nogmaals voel ik de noodzaak om even achterom te kijken. Alles OK, Kerr heeft vijf meter achterstand. Dan sluit ik even de ogen terwijl mijn benen minder en minder aan het commando beantwoorden. Ik ben aan het einde van mijn krachten, maar de meet is op enkele meter. Opeens een zwarte flits aan mijn linkerzijde. Peter Snell gaat mij onweerstaanbaar voorbij. Ik tracht nog te reageren, maar het bobijntje is af en de meet is te kortbij. De droom is uit. Peter Snell, de onbekende, gekomen uit het verre Nieuw-Zeeland, raakt als eerste het lint na 1’46”3, een nieuw olympisch record.

Op dat ogenblik stort de wereld voor mij in. Ik zal nooit olympisch kampioen zijn. Eén ding blijft over: het wereldrecord. Dat te weten brengt mij spoedig over mijn ontgoocheling heen. (…) Wanneer de Nieuw-Zeelandse vlag de hoogte wordt ingetrokken en de tonen van het Nieuw-Zeelandse volkslied over de tachtigduizend toeschouwers wordt gestrooid, voel ik in hart en ziel de draagwijdte van de verkeken kans.

Feitelijk betekenden de Olympische Spelen van 1960 het einde van mijn sportloopbaan. Al wat later zou komen was alleen nog ‘uitlopen’.

Toch zou ik een legende uit de wereld willen helpen, die de Romeinse nederlaag heeft toegeschreven aan het zogezegde “fatale hoofd naar rechts”. Peter Snell beschikte op het einde van de wedstrijd over meer weerstandsvermogen en was dan ook de logische en verdiende winnaar van de olympische 800 meter titel. (…) Feitelijk betekenden de Olympische Spelen van 1960 het einde van mijn sportloopbaan. Al wat later zou komen was alleen nog ‘uitlopen’.”

Peter Snell verbreekt in 1962 Moens’ zeven jaar oude wereldrecord op de 800 meter. Op de Spelen van 1964 in Tokio wint hij zowel de 800 als 1.500 meter.

Een loopbaan in gulden letters

‘De Roger Moens Story’ eindigt met een kort stuk van Marcel Hansenne, Frans sportjournalist en winnaar van de bronzen medaille op de Olympische Spelen van 1948 in Londen. “De loopbaan van Roger Moens verdient ten volle dat men hem hulde brengt. Na veel eerbetuigingen te hebben mogen in ontvangst nemen, een wereldrecord is een benijdenswaardige adelbrief, verdwijnt Roger Moens. Hij was een schitterend atleet, loyaal, moedig en de hoogste achting waardig.”

Mijn editie van ‘De Roger Moens Story’ is er een zonder omslag. Het is een groene hardcover met gulden letters, dus zocht ik online de cover van het boek op. Die toont een breed lachende Roger Moens met als ondertitel ‘een wereldrecordhouder vertelt zijn boeiend levensverhaal’, een ondertitel die deze lading anekdotes volledig dekt.

D.A.P Reinaert Uitgaven, Brussel, 1964, eerste druk, 254 pagina’s

In het belang van de ploeg

Philippe Clement kwam in de zomer van 1999 naar Club Brugge. Hij erfde het rugnummer zes van Franky Van der Elst. Zijn komst viel niet alleen samen met het afscheid van een Clubicoon, het viel ook pal in de periode waarin ik voetballers steeds vaker op een andere manier begon te bekijken. Ik richtte mijn aandacht in de eerste plaats nog altijd op alles wat op het voetbalveld gebeurde, maar vroeg me stilaan ook af wie de mens achter de voetballer was. Dat was vaak gissen. Voetballers zag ik enkel op training en wedstrijddagen, en ik las hun woorden in voorgekauwde interviews op televisie en in kranten. Pas veel later zou ik ontdekken waarom Philippe Clement zo goed bij Club Brugge past.

Als Judah Ben-Hur op zijn strijdwagen mende hij de Noord bij een alweer afgedwongen hoekschop, een corner die hij daarna niet zelden zelf binnenkopte.

Tien jaar lang was Clement een vertrouwd beeld in het basiselftal. Altijd die verbeten blik en altijd spelend met dezelfde intensiteit als op de pleintjes van Sint-Anneke. Op moeilijke momenten kwam een soort overlevingsdrang in hem naar boven. Als Judah Ben-Hur op zijn strijdwagen mende hij de Noord bij een alweer afgedwongen hoekschop, een corner die hij daarna niet zelden zelf binnenkopte. Altijd sturend ook. Een intelligente voetballer en toen al het verlengstuk van de trainer. Philippe Clement had gestudeerd en dat hoorde je in zijn interviews. De afstand tussen wat hij dacht en wat hij zei, leek groter dan bij andere voetballers. Onze eigen Dr. Phil.

Philippe Clement toonde zich gaandeweg ook een menselijke voetballer, zoals bij het overlijden van François Sterchele, maar ook tijdens acties voor verschillende goede doelen. Wanneer hij in 2009, na 353 wedstrijden en 51 doelpunten, Club Brugge verlaat, doet Philippe Clement dat niet voor eender welke club: hij keert terug naar zijn Beerschot, waar het ooit allemaal was begonnen. En wanneer hij er twee seizoenen later zijn carrière afsluit, keert hij onmiddellijk terug naar Club.

Al die jaren is er weinig veranderd. Enkel de haardos van Philippe Clement is dunner geworden, zijn kroontje altijd maar groter. ‘Mijn maats beweren dat telkens als ik kop, ik wat meer haar verlies. Ik verlies dus mijn haar in het belang van de ploeg’, zei hij ooit in een interview met Sport/Voetbalmagazine.

Ik onthoud die laatste woorden: in het belang van de ploeg.

Haaruitval werd zelden zo mooi omschreven.

Dit verhaal is een van de 125 verhalen in ‘de Club’, het boek naar aanleiding van 125 jaar Club Brugge, uitgegeven bij Lannoo. Meer weten over het boek en hoe je het kunt kopen? Je vindt hier alle informatie.

De boekenplank van de maand april

Ik vertel op deze website dat ik kamers vol oude sportboeken wil verzamelen. Elke maand bezoek ik kringloopwinkels en 2dehandsboekhandels. Ook snuister ik in de plooien van het internet. Ik zoek oude sportboeken, maar ben niet blind voor elpees, singles en andere sportmemorabilia.

Na ‘TENNIS’ van René Lacoste (1928) en de memoires van boksmanager Karel De Jager (1979) ditmaal een boek van Maurice van Nieuwenhuizen, de Nederlandse pionier in het jiujitsu en judo, uit 1948. Als dessert ook een klassieker van een single over de Rode Duivels.

‘Judo. De moderne wetenschap van het jiujitsu| Maurice van Nieuwenhuizen

Het is fijn om voor te stellen hoe Maurice van Nieuwenhuizen (1912-1998) in 1947 in Den Haag de inleiding schreef van zijn boek over judo en jiujitsu. Van Nieuwenhuizen had een sportschool in de stad en was Nederlands kampioen jiujitsu. Eind jaren 30 stichtte hij de Nederlandsche Jiu-Jitsu Bond, wat later de Judo Bond Nederland werd. In die hoedanigheden schreef van Nieuwenhuizen voor en na de Tweede Wereldoorlog boeken over judo en jiujitsu.

Dit boek is een mooi overzicht van alle aspecten van het judo en jiujitsu. Het belangrijkste verschil ligt volgens de auteur in het wedstrijdaspect. Wanneer dat ontbreekt, aldus van Nieuwenhuizen, vervalt men  in geestdodende oefeningen waaraan elke spanning ontbreekt. Judo, wat ‘zachte weg’ betekent en verwijst naar een soepele, sierlijke en stijlvolle uitvoering, is om die reden populairder en heeft een grotere uitwerking op de karaktervorming.

Die lichamelijke en geestelijke vorming komt vaak terug. Aan elk aspect is een hoofdstuk gewijd. Van Nieuwenhuizen gaat er soms de hoogdravende toer op. Zo schrijft hij: “Na jarenlange praktische ervaring en grondige studie kwalificeer ik de judosport als een economisch, filosofisch en ethisch systeem van opvoeding waarvan de studie harmonie brengt in de ontwikkeling, wat tot noodzakelijk gevolg zal hebben dat de beoefenaar gekenmerkt wordt door een gezond superioriteitsgevoel, berustend op een zelfvertrouwen en dat hij een evenwichtige en krachtige persoonlijkheid wordt.”

Het boek is niet enkel een lange uitleg over de grondbeginselen van judo en jiujitsu. Daarnaast is er ruime aandacht voor de technische vaardigheden, zoals de worpen en valbewegingen, rijkelijk geïllustreerd met fotomateriaal. Wat online zoekwerk bracht me ook bij een Franse versie van het boek die dateert van 1949.

Uitgeverij A.W. Bruna & zoon, Utrecht, 1948, eerste druk, 124 pagina’s

Bezoek aan het Boekenfestijn in Kortrijk

Half april landde het Boekenfestijn opnieuw in Kortrijk. Ik kocht er ‘Het Kanon’, de biografie van Coen Dillen, tussen 1949 en 1961 aanvaller bij PSV en met 43 stuks nog steeds recordhouder wat betreft het aantal doelpunten in één eredivisieseizoen (seizoen ‘56-‘57).

Dillen, zo staat op de achterflap te lezen, was een koele doelpuntenmachine met een onbedaarlijk hard schot, wat hem de bijnaam ‘Het Kanon’ opleverde. Hij overleed in 1990 op 63-jarige leeftijd. De biografie van Jeroen van den Berck dateert van 2006 en telt 207 bladzijden.

De Rode Duivels gaan naar Mexico

In een lokale kringloopwinkel ontdekte ik in de bak met elpees en singles ook deze klassieker van Will Tura. Onmogelijk om te laten liggen toch? :-)

De boekenplank van de maand maart

Ik vertel op deze website dat ik kamers vol oude sportboeken wil verzamelen. Elke maand bezoek ik kringloopwinkels en 2dehandsboekhandels. Ook snuister ik in de plooien van het internet. Ik zoek oude sportboeken, maar ben niet blind voor elpees, singles en andere sportmemorabilia. Na ‘TENNIS’ van René Lacoste (1928) ditmaal de memoires van Karel De Jager, de man die jarenlang in de hoek van bokser Jean-Pierre Coopman kampeerde, publicatiejaar 1979.

‘Verzorgers uit!’ | Karel De Jager & Jan Van den Berghe

De coverfoto van ‘Verzorgers uit!’ toont een in de lens kijkende Jean-Pierre Coopman. Over zijn schouder kijkt Karel De Jager vaderlijk toe. Op de achterflap lezen we dat De Jager was voorbestemd om deurwaarder te worden maar na een meningsverschil met zijn baas haarkapper werd. ‘Toen de internationale loopbaan van Jean-Pierre Coopman hem fulltime opeiste, kwam de techniek van het inzepen en de baard afdoen hem goed van pas. Het aandeel van de slimme Izegemse kapper in Coopmans fabelachtige carrière kan nauwelijks overschat worden.’

‘Verzorgers uit!’, een kreet die verwijst naar het signaal dat wordt gegeven wanneer een nieuwe ronde staat te beginnen, is geschreven in een aansprekende met-de-voeten-op-de-grond stijl. Journalist Jan Van den Berghe, die onder meer in 2013 ‘De artistieke uppercut: hoe kunst en boksen elkaar vonden’ publiceerde, bewerkte het manuscript van De Jager. Hij gaf het ook een swingende inleiding.

Een café in Izegem

Verzorgers uit! opent op een exhibitiekamp in de zomer van 1970 in het West-Vlaamse Rumbeke. Daar ontmoeten Karel De Jager en Jean-Pierre Coopman elkaar voor het eerst. ‘Coopman had iets innemend, iets ontwapenend sympathiek over zich. Waren het zijn vriendelijke ogen? Was het zijn open, spontane lach of dat gezonde, robuuste in zijn houding? Ik was in ieder geval onmiddellijk 100 procent voor hem gewonnen. Ik bleef wel zitten met mijn twijfels over zijn bokskunde.’

Na de oefenkamp verdwijnen de twijfels. Twee weken later, tussen pot en pint in een café in Izegem, zet voormalig arduinkapper Jean-Pierre Coopman de definitieve stap naar een professionele bokscarrière, symbolisch met het uitdoven van een sigaret. ‘Dat was de laatste. Vraag maar een vergunning aan.’

De stapstenen richting de kamp met Ali

Van dan af aan modereert De Jager Coopmans carrière. Via de eerste profkampen in het najaar van 1972 laveert de boksmanager zijn pupil behoedzaam langs valkuilen en kiest tegenstanders zorgvuldig uit. Kamp na kamp klimt Coopman hoger op de ladder. Ook moeder Coopman, aanvankelijk sceptisch, is inmiddels overtuigd. ‘Na elke kamp kwam zij hem in de kleedkamer feliciteren, angstvallig speurend of er geen blauwe ogen of blessures te zien waren.’

Coopman is in het najaar van 1974 een begrip geworden. ‘Jean-Pierre begon steeds meer voor zijn sport te leven. Hij bestudeerde het leven van alle zwaargewichten, probeerde allerlei trainingsschema’s en sloeg geen enkele raad in de wind. Thuis richtte hij zelf een oefenzaaltje in om alle dagen te kunnen trainen.’ Een jaar later telt Coopman 24 overwinningen uit 27 profkampen. Hij is de uitdager voor de Europese titel.

‘Ali heeft ook maar twee vuisten’

Op 18 december 1975 volgt nieuws uit New York. Niet Dunn (de mede-uitdager voor de Europese titel) maar Coopman zal boksen tegen Ali. Coopman krijgt de voorkeur omdat hij al tegen Amerikaanse boksers heeft gevochten. De Jager weet met zichzelf geen blijf. ‘Na het telefoongesprek wist ik niet meer of ik droomde of aan aderverkalking leed. Ik kneep me in de wangen en keek in de spiegel van mijn kapperszaak om te zien of alles wel in orde was.’ Twee weken later is de deal rond. ‘Dit is het mooiste nieuwjaarsgeschenk van mijn leven, zei Jean-Pierre. Hij sprak voor ons beiden.’

Jean-Pierre gedroeg zich als iemand die nooit anders in zijn leven had gedaan. Hij stapte flegmatiek op Ali af en zei gewoontjes: “Hello, Ali. I’m Coopman.”

In januari 1976 reist het gezelschap naar de Verenigde Staten. ‘In de beurs van New York op Wall Street, waar we te gast waren, werd de komst van Coopman in grote letters op een elektrische telex gezet. Overal werden wij als koningen onthaald.’ Op 4 januari volgt de eerste ontmoeting met Ali. ‘Toen wij om 17 uur in Mama Leone’s Restaurant binnenkwamen, was Ali al aanwezig. Jean-Pierre gedroeg zich als iemand die nooit anders in zijn leven had gedaan. Hij stapte flegmatiek op Ali af en zei gewoontjes: “Hello, Ali. I’m Coopman.”’

De aanloop naar 20 februari 1976

De kamp vindt plaats in San Juan in Puerto Rico, waar de Belgische delegatie begin februari 1976 feestelijk wordt onthaald. Zo zingen enkele door Don King ingehuurde muzikanten Arriba El Leon, Viva Coopman’, een coverversie van het Vlaamse ‘Viva bomma’. De Jager is onder de indruk van Ali’s trainingen.

Ook daarnaast scoort Ali punten. ‘Op een avond leerden wij ook een andere Ali kennen. Niet de snoever, maar de mens. Jean-Pierre, Elaine en ik liepen van het restaurant terug naar onze hotelkamer. In de gang botsten we op Ali en zijn verloofde Veronique Porche. Er was niemand anders in de buurt. Ali nam Jean-Pierre vriendelijk bij de schouder en vroeg hoe het met zijn conditie was gesteld. Hij lachte en gaf Eliane een knipoog. “Is dat je vrouw?” informeerde hij. We stonden erbij of we van de hand Gods geslagen waren.’

‘Oog in oog met de allergrootste’

Gaandeweg, zo lezen we, is Coopman meer in zijn kansen gaan geloven. ‘Jean-Pierre had uitstekend geslapen. Hij had gedroomd en was wakker geworden als wereldkampioen.’ Van de hotelkamer gaat het naar het Estadio Roberto Clemente. ‘Jean-Pierre zat erbij alsof hij in Izegem tegen een sparringpartner enkele rondjes zou oefenen,’ herinnert De Jager zich.

Klokslag 21 uur stapt Coopman in de ring. Ali volgt even later. De Jager ziet de bui gauw hangen. ‘Toen Jean-Pierre na de eerste ronde in de hoek terugkeerde, zag ik al dat hij erg geleden had. “Neen, neen, ik voel niks,” stelde hij mij gerust. Ik was overtuigd van het tegendeel.’ De kamp zal bijna zes ronden duren, alvorens Coopman wordt uitgeteld. ‘Toen Jean-Pierre terug op zijn stoeltje zat, kwam er niets anders uit dan een krachtige Vlaamse “Godverdomme”. Voor mij was het wel het beste wat kon gebeuren. Na de eerste ronde had ik met onrust het verdere verloop afgewacht. Ik geloof niet dat Coopman er iets mee gewonnen had indien het gevecht twee of drie ronden langer had geduurd.’

Op zijn hotelkamer staat Coopman BRT-journalist Marc Stassijns te woord. Tijdens het interview barst Coopman in tranen uit. ‘Het is pas toen dat ik inzag dat Jean-Pierre honderd procent in zijn kansen had geloofd, en dat de desillusie des te groter was.’ Wat later ontmoeten Ali en Coopman elkaar in Ali’s hotelkamer. Dat levert een fijne anekdote op. ‘Bij het afscheid liet Jean-Pierre Ali in diepe gedachten achter. De wereldkampioen zal wellicht nog altijd niet achterhaald hebben wat mijn “Leeuw van Vlaanderen” bedoelde toen hij hem in steenkappers-Engels zei: “Allez gauw, you are a flink boy!”’

De tweede carrière van Jean-Pierre Coopman

Na de kamp start Coopman als het ware een tweede carrière. Jean-Pierre Coopman zal op 12 maart 1977 in het Antwerpse Sportpaleis tegen de Spanjaard José Manuel Urtainde na een knock-out in de vierde ronde de Europese titel veroveren. Daarover schrijft De Jager. ‘Jean-Pierre viel op zijn knieën en bedekte zijn gelaat met de handschoenen. Hij kust het vilt en stak beide armen triomfantelijk in de lucht. We hadden ons doel bereikt. Het was ontegensprekelijk de mooiste dag uit onze loopbaan.’

‘De laatste loodjes’

Karel De Jager sluit op 1 januari 1979 zijn boek af met een ode aan zijn pupil. Hij looft zowel de mens als de bokser Coopman. ‘Coopman is erin geslaagd de hele wereld naar hem te doen kijken. Hij is een sympathieke ambassadeur voor België geweest. Ik heb dit boek geschreven voor mijn vriend-bokser Jean-Pierre Coopman. Ik wil dat het een soort getuigenis voor zijn karaktersterkte is voor de aankomende generatie.’

Hij eindigt met een prachtige oneliner.

Jean-Pierre kon voor zijn levensdoel lijden als de eerste christenen onder de Romeinse keizers.

Uitgeverij J. Hoste, Brussel, 1979, eerste druk, 88 pagina’s

Alle foto’s zijn afkomstig uit ‘Verzorgers uit!’

De boekenplank van de maand februari

Ik vertel op deze website dat ik kamers vol oude sportboeken wil verzamelen. Elke maand bezoek ik daarom meermaals kringloopwinkels en 2dehandsboekhandels. Ook snuister ik in de plooien van het internet. Ik zoek oude sportboeken, maar ben niet blind voor elpees, singles en andere sportmemorabilia. Ditmaal gaat de aandacht naar een tennisboek uit 1928.

‘TENNIS’ | René Lacoste

Het gros van de sportboeken in mijn boekenkasten dateert van de jaren 70 en 80. Die boeken vind ik makkelijk in 2dehandsboekenwinkels. Zo af en toe ga ik op zoek naar een specialleke.

Ik zag vorig jaar op Bruzz deze reportage over de fantastische Royal Tennis Club de Belgique. De club is alvast een must visit voor de komende tijd. In de minidocu haalt voorzitter Gilbert Elseneer op een bepaald moment een bijzonder tennisboek uit de kast: ‘TENNIS’ van René Lacoste, publicatiejaar 1928, en uitgegeven bij het in 1907 door Bernard Grasset opgerichte Éditions Grasset. Overigens werd ook het eerste deel van Marcel Prousts beroemde roman ‘À la recherche du temps perdu’ in 1913 oorspronkelijk (in eigen beheer) uitgegeven bij Grasset.

In elk geval, de reportage triggerde mijn nieuwsgierigheid en dus zocht ik een exemplaar van het boek van René Lacoste. Ik vond het bij een antiquariaat nabij Bordeaux dat ook online boeken verkoopt. Een week na mijn aankoop ontving ik tot mijn opluchting het boek in goede staat. Met publicatiejaar 1928 is het meteen het oudste boek in m’n bezit.

René Lacoste, de Vier Musketiers en Roland Garros

Even situeren. Auteur René Lacoste werd geboren in 1904. Samen met landgenoten Jacques Brugnon, Jean Borotra en Henri Cochet domineerde hij tijdens de jaren 20 en 30 het internationale tennis. Het viertal werd dan ook toepasselijk ‘les Quatre Mousquetaires’ genoemd. Wie ooit de site van Roland Garros bezocht, passeerde ongetwijfeld al langs La Place des Mousquetaires, waar elk een standbeeld heeft.

De geboorte van ‘Le Crocodile’ en Lacoste het kledingmerk

René Lacoste kreeg van de Amerikaanse pers de bijnaam ‘Le Crocodile’. Die zou afkomstig zijn van een weddenschap waarbij men Lacoste een koffer in krokodillenleer beloofde bij het winnen van een beslissende wedstrijd (die hij overigens verloor). Lacoste omarmde de bijnaam en liet een afbeelding van een krokodil op zijn blazer borduren, zoals hier te zien. Diezelfde krokodil werd in 1933 bij de oprichting van zijn kledingmerk gebruikt als logo, ook vandaag nog.

Als tennisspeler was Lacoste een baseliner die zelden zelf in de fout ging. Hij stond erom bekend op die manier zijn tegenstander als het ware langzaamaan dood te knijpen.

Lacoste over elk aspect van het tennisspel

Over het boek dan. ‘TENNIS’ telt 21 hoofdstukken waarin Lacoste, na een korte inleiding hoe hij als vijftienjarige in Engeland met tennis in contact is gekomen, uitvoerig vertelt over de basisslagen en -technieken (forehand, backhand, lob, smash, opslag en return, netspel, dubbelspel).

Het meest boeiende hoofdstuk gaat echter over het mentale aspect. Lacoste noemt het ‘tempérament’ en staaft de verschillende vaardigheden (concentratie, kalmte, geduld en overwinningsdrang) met anekdotes uit wedstrijden tijdens de grootste toernooien. Vooral het stuk over geduld was voor deze, euh, weinig afwachtende tennisspeler erg nuttig. :-)

Extra leuk is dat naast de teksten heel veel foto’s zijn opgenomen, soms uitklapbaar met een vergelijking tussen de basisslagen van topspelers Bill Tilden, Bill Johnston en Lacoste.

René Lacoste won in zijn relatief korte carrière – hij speelde door gezondheidsproblemen amper zeven jaar op het hoogste niveau – zeven grandslamtoernooien in het enkelspel (waaronder Roland Garros in 1925, 1927 en 1929) en drie in het dubbelspel. In 1927 en 1928 won Lacoste met het Franse team de Davis Cup. Hij overleed in 1996 op 92-jarige leeftijd.

Ook ‘Lacoste on tennis’ en ‘Lacoste über Tennis’

Ik probeer nog uit te vissen wat destijds de oplage was van deze eerste druk. ‘TENNIS’ kreeg verschillende herdrukken in het Frans, waaronder een derde druk in 1935, maar opmerkelijker is dat het boek in 1928 onmiddellijk een Engelse en Duitse vertaling kreeg. ‘Lacoste on tennis’ en ‘Lacoste über Tennis’ werden gepubliceerd in samenwerking met de Britse Dunlop Sports Company.

Een primitieve versie van een ballenmachine (uit ‘TENNIS’ van René Lacoste)

Éditions Grasset, Parijs, 1928, eerste druk, 234 pagina’s

De boekenplank van de maand januari

Ik vertel op deze website dat ik kamers vol oude sportboeken wil verzamelen. Daarom bezoek ik maandelijks kringloopwinkels en 2dehandsboekhandels. Ook snuister ik in de plooien van het internet. Ik zoek oude sportboeken, maar ben niet blind voor elpees, singles en andere sportmemorabilia. Dit is een greep uit de vangst van de maand januari.

‘Ik, Jean-Marie’ | Lex Molenaar

“Iedereen denkt te weten hoe ik in elkaar zit. Nu wil ik zelf wel eens vertellen wie ik ben en wat ik tot nog toe heb gedaan.” Tot zover de bedoeling van deze memoires van Jean-Marie Pfaff, die in 1987 als ondertitel ‘de beste keeper ter wereld over zijn triomfen en nederlagen’ kregen. En dat is niet gelogen. Hoofdstukken boordevol fijne anekdotes worden afgewisseld met korte interviews met Carmen Pfaff en Guy Thys.

Het boek werd opgetekend door Lex Molenaar, destijds chef-redacteur van het weekblad Panorama, in een zeer entertainende schrijfstijl. Inhoudelijk af en toe met een korrel zout te nemen maar nooit ofte nimmer vervelend.

Uitgeverij De Ballon, Wommelgem, 1987, eerste druk, 160 pagina’s

‘Snooker’ | Rudy Bauwens

Auteur Rudy Bauwens is vandaag snookercommentator bij Eurosport. In 1986 schreef hij ‘Snooker’, dat een mooi overzicht geeft van de snookerwereld tijdens de jaren 80, het decennium waarin snooker met een stevige windstoot uit Engeland kwam overgewaaid.

Het boek bevat naast biografieën van topspelers ook tal van trainingstips, wat het ook tot instructieboek maakt. De laatste hoofdstukken zijn gewijd aan ‘de goddelijke 147’ (maximumbreak) en snooker in België. Het boek kreeg een mooie inleiding door Raymond Ceulemans.

Press, Antwerpen, 1986, eerste druk, 280 pagina’s

Björn Borg en Jack Kramer kregen gezelschap

Enkele jaren geleden kocht ik via eBay twee houten tennisrackets. Bij een online garageverkoop van een man uit Connecticut zag ik een zwarte Bancroft Björn Borg Personal en een witte Wilson Jack Kramer Authograph. Beide rackets waren in goede staat en de verleiding was te groot. Bancroft is een oud Amerikaans tennisracketmerk daterend van eind 19de eeuw, waarmee Borg om sponsorredenen buiten Europa tenniste. Binnen Europa gebruikte hij de rackets van het Belgische Donnay uit het Naamse Couvin. De Amerikaan Jack Kramer won tijdens de jaren 40 zowel Wimbledon als de US Open. Ik kocht een tijdje geleden ook zijn biografie uit 1979, maar daar schrijf ik in een latere boekenplankblogpost meer over.

Beide rackets kregen de voorbije maand gezelschap. In een kringloopwinkel in de buurt vond ik een zwarte Snauwaert Caravelle St. en een witte Slazenger Professional. Vooral met de Snauwaert, het legendarische Belgische tennisracketmerk uit Roeselare, ben ik heel tevreden. Dit houten racket heeft immers nog een besnaring met het logo van Snauwaert en kwam met een originele beschermhoes. Beide rackets dateren vermoedelijk van midden tot eind jaren 70 of begin jaren 80.

Het is alleszins de bedoeling om de collectie tennisrackets uit te breiden. :-)

Gelezen | ‘Lat is hoog over’ – Arjan Peters

Arjan Peters, literair recensent bij de Volkskrant, schreef tijdens de wereldbeker voetbal in Rusland voor diezelfde krant elke dag een column. In 24 stukjes, niet langer dan driehonderd woorden, legt hij telkens de link tussen voetbal en literatuur. Na afloop van het toernooi werden de columns verzameld in een bundel met als titel ‘Lat is hoog over’.

Arjan Peters

Arjan Peters bekijkt voetbal op een andere manier. Hij observeert, kijkt naar de dag die zal volgen en schrijft zinnen die aanvoelen als momenten van zen. In elke column kleeft Arjan Peters een gebeurtenis, een opvallend iets, aan een passage uit een of meerdere voetbalboeken, vaak klassiekers, uit zijn naar eigen zeggen bescheiden voetbalbibliotheek.

België – Panama & dichter Remy

Zo wordt een vooruitblik naar België – Panama gelinkt aan Remy C. van de Kerckhove. Van de Kerckhove was, behalve dichter, eind jaren dertig en tijdens de jaren veertig ook aanvaller bij Racing Mechelen en later ook onder meer Union. Hij was ook voetbalverslaggever bij de toenmalige NIR, de voorloper van de BRT, tot hij in 1958 op 36-jarige leeftijd om het leven kwam bij een verkeersongeval.

In het prachtige Dichter Remy beschrijft Arjan Peters hoe van de Kerckhove voorafgaand aan de wedstrijd de kleedkamer van de tegenstander ingaat ‘om er wat bundeltjes te slijten’. “Het zou een stunt zijn als er voorafgaand aan de match op de kleedkamer van Panama wordt geklopt, omdat Leander Dendoncker zijn somberste sonnetten komt slijten, en Marouane Fellaini zijn vileine villanellen” sluit Peters de column af. Heerlijk.

Arjan Peters in de podcast ‘Bij Groenteman in de kast’

Arjan Peters was tijdens de wereldbeker ook te gast in de podcast ‘Bij Groenteman in de kast’, een podcast waarin schrijver, presentator en journalist Gijs Groenteman elke week in gesprek gaat met iemand die hem heeft verwonderd. De aflevering met Arjan Peters is een fijne blik op de wereldbeker en levert een boeiende babbel op over de ingrediënten van een goed voetbalboek.

‘Lat is hoog over’ van Arjan Peters telt tachtig bladzijden. Op de achterflap laat Peters weten dat hij het als zijn doel beschouwt de lezer aan te zetten klassieke voetbalverhalen te herlezen. Arjan Peters is in zijn opzet geslaagd. De goesting om die eigen voetbalbibliotheek uit te breiden is na het lezen van ‘Lat is hoog over’ alleen maar groter geworden.

Uitgeverij Prometheus, Amsterdam, 2018, eerste druk, 80 bladzijden