De boekenplank van de maand mei

Ik vertel op deze website dat ik kamers vol oude sportboeken wil verzamelen. Elke maand bezoek ik kringloopwinkels en 2dehandsboekhandels. Ook snuister ik in de plooien van het internet. Ik zoek oude sportboeken, maar ben niet blind voor elpees, singles en andere sportmemorabilia. Na onder meer ‘TENNIS’ van René Lacoste (1928) en het verhaal van boksmanager Karel De Jager (1979) ditmaal de memoires van atleet Roger Moens uit 1964.

‘De Roger Moens Story’ | Roger Moens

Tijdens de zomervakantie van 1946 stuurt een grootmoeder haar kleinkinderen Roger en Pierre Moens naar een uitgestrekt hoppeveld om het onkruid te wieden. Na uren eentonig ‘opkrabben’ gooien de broers de werktuigen weg en houden tussen de hoppestaken blootsvoets een loopwedstrijd. Eerst over een afstand van tien staken, daarna dertig en tot slot veertig staken ver.

Roger Moens is dan zestien jaar. Hij schrijft hierover: “Ik ben ervan overtuigd dat de wedstrijden die we soms tientallen keren per dag tegen elkaar liepen, die op den duur zeer vermoeiend waren, maar die op buitengewone wijze de kracht van de benen ontwikkelden omwille van het lopen in losse aarde, er niet in geringe mate hebben toe bijgedragen mijn latere sportcarrière met een potentieel kracht te laten aanvangen, aanzienlijk groter dan die van andere atleten van dezelfde leeftijd.”

Wereldrecordhouder op de 800 meter

De filmische scene is de inleiding van ‘De Roger Moens Story’, de in 1964 gepubliceerde memoires van atleet Roger Moens. Moens specialiseert zich in de 400 en 800 meter. Op die laatste afstand verbetert hij in 1955 in Oslo het wereldrecord na een intense strijd met de Noorse thuisloper Audun Boysen. Roger Moens beschrijft de aanloop naar en de race tot in het kleinste detail.

“Terwijl het geroezemoes van de circa vijftienduizend toeschouwers langzaam uitstierf, zetten we ons in slagorde. Ik beefde als een riet. Er zijn van die ogenblikken in het leven van een mens, waar men zich rekenschap geeft dat er iets gaat gebeuren. (…) Het startschot bevrijdde me gedeeltelijk van de verlammende trac. (…) Tweehonderd meter waren gelopen en alles was OK. Ik ‘rolde’ zoals nooit voordien en het ademhalen gebeurde nog ritmisch en met diepe, volle teugen. (…)

De bel. Nog vierhonderd meter. (…) Na vijfhonderd meter begon ik echt te spurten in een tumult dat ieders verbeelding te boven gaat. (…) Bij het ingaan van de laatste bocht, zowat tweehonderd meter voor het einde, dacht ik dat ik reeds een substantiële voorsprong had genomen. Mijn spieren die zuurstof nodig hadden deden mijn mond meer en meer openvallen om naar lucht te happen. (…)

Een onzichtbare kracht stootte mij opnieuw vooruit, tien centimeter, dan twintig en uiteindelijk ongeveer één meter. Nog een paar stappen en mijn borst raakte het lint.

Nog honderd meter. Ik had nog slechts één doel: zo vlug mogelijk aan het einde geraken van die rechte lijn die me eindeloos toescheen. Mijn benen werden bijna gevoelloos, mijn blik wazig en mijn gedachten verward. (…) Gedreven door de aanmoedigingen van zijn publiek kwam Boysen opnieuw op mijn hoogte. Mijn lichaam was uitgeput, alleen mijn wilskracht hield mij recht. Een onzichtbare kracht stootte mij opnieuw vooruit, tien centimeter, dan twintig en uiteindelijk ongeveer één meter. Nog een paar stappen en mijn borst raakte het lint. (…)

Een paar minuten later bij een doodse stilte werd de uitslag bekend gemaakt. Het Noorse kennerspubliek had aangevoeld dat hier iets belangrijk was geschied. 1’45”7 klonk het plechtig. Ik was wereldrecordhouder. De ondraaglijk geworden spanning was gebroken.”

Roger Moens en de Olympische Spelen

Roger Moens neemt twee keer deel aan de Olympische Spelen. De eerste keer in 1952 in Helsinki, waar hij de 400 meter loopt en het Belgisch record verbreekt. Een tweede deelname volgt in 1960 in Rome, nadat hij de Spelen van 1956 in Melbourne heeft gemist. In Athene stuit Moens tijdens een trainingsloop op een niet verlicht tennisveld tegen een paaltje. Hij blesseert zich in de liesstreek en aan de linkerknie. De dan beste 800 meter-loper ter wereld zal niet deelnemen aan de Olympische Spelen.

Vier jaar later volgt de revanche. De 30-jarige Moens noemt dit ‘het seizoen van de laatste kans’ en traint naar eigen zeggen beter en anders dan ooit tevoren. Zo ligt de focus niet langer op het verbeteren van de basissnelheid, wel om die zo lang mogelijk te behouden.

Op 27 augustus landt de Belgische delegatie in Rome. Gedurende drie dagen, vanaf 31 augustus, wanneer de 1/8ste en kwartfinales plaatsvinden, tot en met 2 september – de dag van de waarheid – geeft Roger Moens in dagboekstijl een ultieme inkijk.

Woensdag 31 augustus (dag van de 1/8ste finales en kwartfinales)

“Er waren negen reeksen voorzien in de 800 meter, die gelopen werden vanaf 11 uur ’s morgens. Ik werd ingedeeld in de vijfde reeks, die omstreeks 11u30 van start ging. (…) In de laatste rechte lijn had ik geen moeite om te winnen in 1’50”7. (…) Vliegensvlug keerde ik terug naar het olympisch dorp – tien minuten van daar gelegen – om een kleine lunch te kunnen gebruiken want te 16 uur mochten wij opnieuw lopen.

Alvorens te gaan slapen, omstreeks 21 uur, liet ik mij nog eens flink de benen masseren, die zwaarder wogen dan lood. Ik kon zeer moeilijk de slaap vatten.

Na anderhalf uur te hebben gerust op mijn op de grond liggende matras, ging ik om 15 uur opnieuw naar het olympisch stadion. (…) In het begin ging het er niet zeer snel aan toe. Een volledig onbekende, met name Snell, ging het eerst aan het spurten. Op het einde kon ik hem echter de baas en won met een meter voorsprong in 1’48”5. (…)

Na die eerste dag was ik zo vermoeid dat ik ogenblikkelijk een bus nam naar het olympisch dorp. De hitte en vermoeidheid hadden mijn honger volledig weggenomen. (…) Alvorens te gaan slapen, omstreeks 21 uur, liet ik mij nog eens flink de benen masseren, die zwaarder wogen dan lood. Ik kon zeer moeilijk de slaap vatten.”

Donderdag 1 september (dag van de halve finales)

“Met een loodzwaar hoofd en extra stramme benen trok ik mij omstreeks 8 uur ’s morgens aan de vensterbank, waaronder ik met mijn matras was verhuisd, omhoog. Niet zonder een zekere angst zag ik de halve finales van ’s namiddags tegemoet. Op mijn nuchtere maag kreeg ik de indeling van de halve finales. (…) Snell won in 1’47”2, ikzelf was tweede in 1’47”4. (…)

Fysiek was ik om te zeggen volledig uitgeput en dat terwijl alleen het voorspel achter de rug was. De echte wedstrijd moest nog komen.

In die wedstrijd heb ik een grove psychologische flater begaan. Zoals de dag voordien had ik Snell kunnen kloppen in deze halve finale. Om mijn krachten te sparen voor ’s anderendaags drong ik echter niet aan en liet de overwinning aan de Nieuw-Zeelander. Die overwinning heeft de ambitie van Snell meer dan waarschijnlijk vastere vorm doen krijgen en het geloof in zijn eigen kunnen zonder twijfel versterkt. (…) Fysiek was ik om te zeggen volledig uitgeput en dat terwijl alleen het voorspel achter de rug was. De echte wedstrijd moest nog komen.”

Vrijdag 2 september (de dag van de finale)

“Eindelijk was het 2 september geworden, de dag waarop ik vier jaar had gewacht. (…) Van vermoeidheid hoef ik niet meer te spreken, want die was zo chronisch geworden dat ik ze zelfs niet meer voelde. Ik had alleen nog een gevoel van loomheid. (…) De finale zou gelopen worden omstreeks 16u30. (…) Juist na het middageten waren Prins Albert en Prinses Paola mij nog veel geluk komen toewensen. (…) Omstreeks 15 uur vertrok ik ook naar het marmeren stadion waar de kleedkamers van de atleten waren ingericht in lange, koele gangen waarin het heerlijk was te vertoeven, na het eentonig warmlopen in de verzengende zon. (…)

Ik denk aan de jaren opoffering die ik mij getroostte om hier vandaag in het gelid te staan, aan het vertrek van de 800 meter, de wedstrijd van mijn loopbaan. De wedstrijd die ik niet mag verliezen omdat het mijn eerste en ook mijn laatste kans is om olympisch kampioen te worden.

Finalisten van de 800 meter naar de oproepkamer klonk het door de luidsprekers. Samen gingen wij naar de tunnel, dat gapende donkere gat, dat uitmondde in de leeuwenkuil. Met Schmidt, Waegli, Matuschewski en Snell praatte ik over koetjes en kalfjes om de gedachte aan de komende strijd op het achterplan te duwen. Kerr gunde mij geen blik. Voelde hij zich superieur, of had hij schrik van mij? Ik deed ook alsof ik hem niet kende.

Vier uur tien. Voorafgegaan door een Italiaans officieel slenterden de zes finalisten de leeuwenkuil binnen. Onderweg heb ik hier en daar iemand mijn naam horen roepen en met een Belgische vlag zien zwaaien. Die mensen zijn gekomen om mij te zien winnen. Ook de duizenden, die thuis voor hun televisietoestel zitten, of naar de radio luisteren, hebben hetzelfde verlangen. (…)

Van bij het begin gaat het zeer snel. Maar jongens, wat zijn mijn benen zwaar.

Heren aan de lijn. Ik denk aan de jaren opoffering die ik mij getroostte om hier vandaag in het gelid te staan, aan het vertrek van de 800 meter, de wedstrijd van mijn loopbaan. De wedstrijd die ik niet mag verliezen omdat het mijn eerste en ook mijn laatste kans is om olympisch kampioen te worden. Ik heb mij zorgvuldig voorbereid en toch spijt het mij dat ik nog niet meer heb geofferd aan de God van de training. Nu is het echter te laat. Er is geen hulp meer mogelijk. Van nu af aan geldt de harde wet van de jungle: het recht van de sterkste. (…)

Van bij het begin gaat het zeer snel. Maar jongens, wat zijn mijn benen zwaar. (…) Het gaat snel en ik heb werkelijk last om te volgen. Heeft de trac mij zo lamgelegd, of is het de opeengehoopte vermoeidheid van drie 800-meterwedstrijden in 48 uur tijd? (…) De bel. Nog één ronde. Ik ben nog steeds vijfde, een bijna hopeloze situatie die ik koste wat kost moet rechttrekken. Roger, ge moet en ge zult winnen, gonst het door mijn hoofd. Dit is de allerlaatste kans. (…)

Peter Snell gaat mij onweerstaanbaar voorbij. Ik tracht nog te reageren, maar het bobijntje is af.

Nog driehonderd meter. Ga, ga, ga, flitst het door mijn hoofd. Langzaam, heel langzaam, geraak ik voorbij Snell, die in vierde positie loopt. De derde, Kerr, biedt minder weerstand en dat geeft mij opnieuw moed. Schmidt voorbijgaan is een zwaar karwei, maar moeilijk gaat ook. Zo geraak ik op 200 meter voor het einde in de tred van Waegli, die vertraagt. Hij heeft zijn laatste krachten aangesproken, want bij het uitgaan van de laatste bocht, met nog honderd meter, valt hij werkelijk stil. Aan het einde van de lange rechte lijn wacht de beloning van een jarenlange strijd. Ik geef wat ik kan, maar zou toch graag weten wat er achter mij gebeurt. Even het hoofd naar rechts. Kerr, de gevaarlijkste klant, is ten minste drie meter achter. (…)

Wanneer de Nieuw-Zeelandse vlag de hoogte wordt ingetrokken en de tonen van het Nieuw-Zeelandse volkslied over de tachtigduizend toeschouwers wordt gestrooid, voel ik in hart en ziel de draagwijdte van de verkeken kans.

Nog vijftig meter. Nogmaals voel ik de noodzaak om even achterom te kijken. Alles OK, Kerr heeft vijf meter achterstand. Dan sluit ik even de ogen terwijl mijn benen minder en minder aan het commando beantwoorden. Ik ben aan het einde van mijn krachten, maar de meet is op enkele meter. Opeens een zwarte flits aan mijn linkerzijde. Peter Snell gaat mij onweerstaanbaar voorbij. Ik tracht nog te reageren, maar het bobijntje is af en de meet is te kortbij. De droom is uit. Peter Snell, de onbekende, gekomen uit het verre Nieuw-Zeeland, raakt als eerste het lint na 1’46”3, een nieuw olympisch record.

Op dat ogenblik stort de wereld voor mij in. Ik zal nooit olympisch kampioen zijn. Eén ding blijft over: het wereldrecord. Dat te weten brengt mij spoedig over mijn ontgoocheling heen. (…) Wanneer de Nieuw-Zeelandse vlag de hoogte wordt ingetrokken en de tonen van het Nieuw-Zeelandse volkslied over de tachtigduizend toeschouwers wordt gestrooid, voel ik in hart en ziel de draagwijdte van de verkeken kans.

Feitelijk betekenden de Olympische Spelen van 1960 het einde van mijn sportloopbaan. Al wat later zou komen was alleen nog ‘uitlopen’.

Toch zou ik een legende uit de wereld willen helpen, die de Romeinse nederlaag heeft toegeschreven aan het zogezegde “fatale hoofd naar rechts”. Peter Snell beschikte op het einde van de wedstrijd over meer weerstandsvermogen en was dan ook de logische en verdiende winnaar van de olympische 800 meter titel. (…) Feitelijk betekenden de Olympische Spelen van 1960 het einde van mijn sportloopbaan. Al wat later zou komen was alleen nog ‘uitlopen’.”

Peter Snell verbreekt in 1962 Moens’ zeven jaar oude wereldrecord op de 800 meter. Op de Spelen van 1964 in Tokio wint hij zowel de 800 als 1.500 meter.

Een loopbaan in gulden letters

‘De Roger Moens Story’ eindigt met een kort stuk van Marcel Hansenne, Frans sportjournalist en winnaar van de bronzen medaille op de Olympische Spelen van 1948 in Londen. “De loopbaan van Roger Moens verdient ten volle dat men hem hulde brengt. Na veel eerbetuigingen te hebben mogen in ontvangst nemen, een wereldrecord is een benijdenswaardige adelbrief, verdwijnt Roger Moens. Hij was een schitterend atleet, loyaal, moedig en de hoogste achting waardig.”

Mijn editie van ‘De Roger Moens Story’ is er een zonder omslag. Het is een groene hardcover met gulden letters, dus zocht ik online de cover van het boek op. Die toont een breed lachende Roger Moens met als ondertitel ‘een wereldrecordhouder vertelt zijn boeiend levensverhaal’, een ondertitel die deze lading anekdotes volledig dekt.

D.A.P Reinaert Uitgaven, Brussel, 1964, eerste druk, 254 pagina’s