Tijdens de zomer van 1994 marcheerden over het uitgestrekte veld achter ons huis twee maaidorsers. Ze waren geel van kleur en hadden grote grijparmen en een bolle kont. Hun geroezemoes gaf het open landschap een soort sereniteit. De machines waren als shoppende dames. Volgeladen leverden ze hun buit af bij een oude tractor met een groene kar. Het daaropvolgende jaar was een van de maaidorsers verdwenen. In mijn fantasie genoot de machine van een verdiend pensioen in een hangar. Aan een maaidorserkerkhof durfde ik niet te denken. Later verdween ook de tweede maaidorser. Ze werden vervangen door twee blinkende hoekige bulldozers die een hels kabaal maakten. Zielloos bolden ze heen en weer en zetten niet langer aan tot fantaseren. Ze deden simpelweg waarvoor ze waren gemaakt: tarwe oogsten. Niets meer.

Diezelfde zomer namen de Rode Duivels deel aan het wereldkampioenschap voetbal in de Verenigde Staten. Ik herinner me levendig de openingswedstrijd tussen Duitsland en Bolivië. Marco Etcheverry, de ster van het Boliviaanse team, startte op de bank. De middenvelder viel tien minuten voor het affluiten in en kreeg drie minuten later de rode kaart, wat meteen het einde van zijn toernooi betekende. Jürgen Klinsmann scoorde het enige doelpunt. Wanneer ik mijn ogen sluit, dan kan ik de World Cup afspelen als een diareeks. Ik zie het frivole Nigeria met Rashidi Yekini en Daniel Amokachi, de stoere Bulgaren met Hristo Stoichkov en de inmiddels overleden Trifon Ivanov, die op zijn Paniniplaatje alle mogelijke richtingen uitkijkt. Ik zie het laatste kunstje van Diego Maradona tegen Griekenland, de Italiaanse finaletranen van Roberto Baggio en het wieggebaar in drievoud uitgevoerd door Romário, Mazinho en Bebeto.

“Vier jaar eerder, tijdens de Mondiali in Italië, was alles wazig. Het doelpunt van David Platt verdween tussen de plooien van mijn herinneringen.”

De wereldbeker van 1994 is de eerste waarvan ik de wedstrijden van Rode Duivels ten volle beleefde. Vier jaar eerder, tijdens de Mondiali in Italië, was alles wazig. Ik heb enkel een vage gedachte aan het vrijetrapdoelpunt van Patrick Vervoort in de wedstrijd tegen Spanje. Ik weet dat ik de achtste finale tussen België en Engeland heb gezien, maar het doelpunt van David Platt is verdwenen tussen de plooien van mijn herinneringen. De televisiebeelden roepen geen emotie op. Neen, de World Cup in de Verenigde Staten is mijn eerste echte wereldbeker, en daar genoot ik ten volle van. In de aanloop naar het toernooi verzamelde ik alles wat ik over de Rode Duivels te pakken kon krijgen: mutsen, sjaals, poppetjes, bierglazen, Coca Cola-blikjes. En ik kreeg van mijn moeder en vader ook mijn allereerste voetbalshirt. Knalrood van Diadora met op de mouwen het zwart, geel en rood van de Belgische vlag.

Tijdens de eerste groepswedstrijd tegen Marokko traden de Rode Duivels aan in hun witte uitrusting. Ik supporterde thuis mee met mijn moeder en vader. We juichten toen Marc Degryse al in de elfde minuut het enige doelpunt van de wedstrijd scoorde. De daaropvolgende groepswedstrijd tegen Nederland viel samen met het laatste verjaardagsfeestje van het schooljaar. We ambeteerden de buurman en aten frieten aan een kraampje dat niets anders was dan een open keukenvenster. In de woonkamer zagen we met zijn allen op het televisiescherm Philippe Albert de bal aan de tweede paal binnenschuiven. De euforie doofde pas enkele dagen later toen onze jongens bij het doelpunt van de Saoedi Saeed Al-Owairan smolten als tinnen soldaatjes.

“Thomas Helmer tackelde Josip Weber duizenden kilometers van ons af, maar het voelde alsof het in onze achtertuin gebeurde.”

Ook de achtste finale tegen Duitsland keek ik samen met een klasgenoot. We vloekten toen de Zwitserse scheidsrechter Kurt Röthlisberger geen strafschop floot wanneer Thomas Helmer Josip Weber onderuit schoffelde. Het speelde zich duizenden kilometers van ons af, maar het voelde alsof de tackle in onze achtertuin gebeurde. Er was geen weg terug. Voor de Rode Duivels was de wereldbeker voorbij.

Ik daarentegen hield mijn routine aan. Elke ochtend fietste ik in alle vroegte naar de enige krantenwinkel van het dorp. Ik kocht er Het Laatste Nieuws en ging vervolgens thuis, of bij mijn grootmoeder, aan de tuintafel zitten waar ik alle artikels en het wedstrijdschema van de dag doornam. Er waren geen sociale media. Ik had geen toegang tot het internet. Het waren, erop terugkijkend, momenten van intens geluk.

“Eden Hazard, Romelu Lukaku en Vincent Kompany lijken personages uit een feuilleton. Ik ontbreek de blik van een kind om hen helemaal aan de borst te drukken.”

Zo beleefden wij, de kinderen van het dorp met geboortejaar 1982, de wereldbeker in de Verenigde Staten. Wij die weldra zouden uitzwermen. Geen juffen en meesters meer, gauw spraken we onze leraressen en leraren aan met ‘mevrouw’ en ‘mijnheer’ en wisten we niet langer waar ze woonden en met welke auto ze reden. En hoewel de Rode Duivels vandaag nooit eerder zoveel talent telden, lijken ze zo veraf te staan van de boys next door die in 1994 op onze Coca Cola-glazen stonden en een poging deden het wereldbekerlied in te zingen. Eden Hazard, Romelu Lukaku en Vincent Kompany, ze zijn ongrijpbaar. Ik zie hen op mijn televisiescherm als personages uit een feuilleton. Ik ontbreek de blik van een kind om hen helemaal aan de borst te drukken.

Kon ik de tijd bevriezen, dan zou het altijd de zomer van 1994 zijn. Het is in mijn herinnering een soort Nooitgedachtland waarin ik als een Peter Pan eeuwig zou kunnen ronddwalen. Die zomer stond onze totale zorgeloosheid op losse schroeven en we wisten het zelf niet.

Ik besefte het pas jaren later. De maaidorsers met een bolle kont, dat waren wij.