Er is geen beter tijdstip om de ruim tweeduizend planten in de Sheffield Winter Garden te bezichtigen dan tijdens de tweede helft van de maand april. Dan bouwt de BBC er tijdens het wereldkampioenschap snooker een kleine televisiestudio en dat levert fantastische beelden op. Een gezette Brit hijgt in de hals van presentatrice Hazel Irvine. Oud-wereldkampioen John Parrott grapt en grolt. Zesvoudig wereldkampioen Steve Davis toont op de oefentafel hoe het had moeten zijn en lardeert het pomeransgeaai met deskundigheid. En af en toe wordt een quizje gespeeld. Zo gaat het elk jaar opnieuw. Snooker kijk je op de BBC. En snooker kijk je in stilte. Gesprekken gebeuren hoogstens op vezeltoon. De enige zin die je thuis luider de kamer inblaast is een interpretatie van John Virgo’s ‘Where’s the cue ball going?

De kleine Surrey Street en het Tudor Square scheiden de Winter Garden van het Crucible Theatre. Wat het Centre Court van Wimbledon is voor tennis, is The Crucible voor snooker: het heiligdom der heiligdommen. Zodra jongens een eerste keu in hun kleine kinderhanden krijgen gestopt, dromen ze slechts van één ding: op een dag aangekondigd worden in The Crucible.

“Al verliest Ronnie O’Sullivan in de eerste ronde, dan nog denk je op de laatste dag: ‘Daar had Ronnie moeten staan.'”

Het wereldkampioenschap telt 32 deelnemers. Toch draait alles om één man: Ronnie O’Sullivan. Al verliest Ronnie in de eerste ronde, dan nog denk je op de laatste dag: ‘Daar had Ronnie moeten staan.’ Voor Ronnie is de keu geen werkinstrument; het is het verlengde van zijn arm en brein. Ronnie is zo goed dat jaloezie bij tegenstanders om de hoek kan komen loeren. Toch is dat niet het geval. Ronnie is immers ook mens, want hij is een beetje gek. Af en toe is Ronnie alles beu. Dan stopt hij midden in een frame of houdt er enkele maanden mee op. In 2013 speelde hij in de aanloop naar het wereldkampioenschap één wedstrijd. In Sheffield kwam Ronnie vervolgens zijn titel verdedigen. Hij opende het wereldkampioenschap en sloot het voor een vijfde keer als winnaar af. Alsof hij gauw bij de bakker om de hoek een brood ging halen.

“Snooker is een eindeloze strafschoppenreeks. Missers worden genadeloos afgestraft en de veroordeling bestaat uit een stilleven in de spelersfauteuil.”

Ik kan Ronnie wel begrijpen. Het snookerbestaan is een mentale beproeving. Snooker is een eindeloze strafschoppenreeks. Missers worden genadeloos afgestraft en de veroordeling bestaat uit een stilleven in de spelersfauteuil. De Australische schrijver Clive James vergeleek snooker met schaken: ‘Whoever called snooker “chess with balls” was rude, but right.’ Joe Davis, vijftien keer wereldkampioen, beschreef het spelletje ooit als ’a game of simple shots played to perfection’. Perfectie. Dat is het woord. Die constante hang naar perfectie leidt vroeg of laat tot mentale droogte. En toch is dit het lot van elke snookerspeler.

Immers, enkel met de perfecte stoot laat de pocket zich bezwangeren.