Je kunt hier de eerdere delen van ‘Memoires van een beginnend tennisspeler’ lezen.

Enkele maanden na mijn debuut vindt in onze tennisclub een dubbeltoernooi plaats. Samen met mijn vaste tennispartner, met wie ik het dinsdaguurtje volmaak en intussen een twaalftal uren samen op de baan heb gestaan, neem ik deel. We zijn steeds beter op elkaar ingespeeld geraakt. Hij serveert goed, zijn backhand is heel stabiel en hij is, zoals mij was voorspeld, aalvlug. Ik kan inmiddels doorduwen met de forehand en onze goede reflexen zorgen ervoor dat we aan het net heel wat punten scoren. Ook ons spelinzicht is een stuk beter geworden. We raken niet meer voortdurend verstrikt in het tactische web dat onze tegenstanders voor ons spannen. Tijdens het dubbeluurtje winnen we steeds vaker een set.

“Wanneer ik onze tegenstanders in levenden lijve zie, doen ze me qua postuur denken aan Laurel en Hardy.”

We nemen deel in de laagste reeks, maar ook daar zijn we complete groentjes. Zo zijn we in de toernooitabel het enige duo met de lettercombinatie ‘N.G.’ naast onze namen, wat ‘Niet Geklasseerd’ betekent. Twee dagen voor aanvang van het toernooi vindt een computerloting plaats. Op de website van Tennis Vlaanderen zie ik voor het eerst de namen van onze tegenstanders. Ik bekijk hun leeftijden en hun speelgeschiedenis. Ze hebben de voorbije jaren heel wat toernooien gespeeld. Wanneer ik hen enkele dagen later in levenden lijve zie, doen ze me qua postuur denken aan Laurel en Hardy. ‘Het is Wimbledon niet,’ zegt één van hen alvorens we de opwarming starten, waarmee hij wil zeggen dat het vooral om het plezier gaat. Ik besluit zijn uitspraak te onthouden. Voortaan zal ik ze herhalen voor elke officiële wedstrijd die ik speel.

“Vandaag sta ik bij hen bekend als degene die elk game één of twee dubbele fouten slaat. Het is mijn grote zwakte, onze zwakte als team.”

Ik heb veel gehoord en gelezen over het mentale aspect van het tennisspel. Nu onderga ik het allemaal. Ik ben het tekstboekvoorbeeld van de choker. Ik voel in elke slag het korte armpje, zoals dat in tennistermen heet. Hoewel de intensiteit niet heel hoog is en we het tempo goed kunnen volgen, speel ik met de handrem op. Ik durf mijn slagen niet te lossen uit schrik in de fout te gaan. Maar erger is dat mijn opslag niet draait. Tijdens het dinsdaguurtje was mijn service veel beter geworden, maar vandaag sta ik bij onze tegenstanders bekend als degene die elk game één of twee dubbele fouten slaat. Het is mijn grote zwakte, onze zwakte als team. We verliezen de eerste set met 6-2. Tijdens de kampwissels peppen we elkaar op. In de tweede set staan we gauw 5-2 achter. Met de rug tegen de muur spelen we bevrijd. We komen terug tot 5-5, maar verliezen de set alsnog met 7-5. Ik ben ontgoocheld in mezelf.

In bed kan ik de slaap moeilijk vatten. De hele wedstrijd speelt zich voor mijn ogen af, ik kan me elk moment minutieus herinneren. Elke keer ik goed anticipeerde aan het net, elke keer ik een rally kon beslechten met een winnende forehand, maar vooral elke gemiste kans. De dubbele fouten zitten me dwars. Laurel en Hardy zullen nog de hele nacht als spoken opdoemen.

***

“Ik bekijk mijn dubbelpartner nu op een andere manier. Hij is een counterpuncher en de trage gravelondergrond zorgt ervoor dat hij nog méér ballen kan terugbrengen.”

Tijdens het zomerseizoen van 2016, dat loopt van april tot en met september, speel ik voor het eerst enkelwedstrijden, telkens tegen mijn vaste dubbelpartner die al vier jaar tennist. Ik speel de eerste keer op gravel en dat bevalt me matig. De vele valse botsen zinnen me niet. Ik bekijk mijn dubbelpartner voortaan op een andere manier. Hij is een volbloed counterpuncher en de trage gravelondergrond zorgt ervoor dat hij nog méér ballen kan terugbrengen. Ook de aanpassing aan het enkelspel is groot. Zo moet ik voortdurend mijn backhandzijde beschermen, en omdat ik nauwelijks mijn backhand durf door te slaan, doe ik niets anders dan de bal terug te slicen. Ik probeer heel aanvallend te spelen, maar mijn voetenwerk is een ramp. Niet zelden wanneer ik naar het net oploop, kom ik met mijn passen helemaal verkeerd uit.

“Qua spelniveau heb ik vooruitgang geboekt, maar op fysiek vlak ben ik een ramp geworden.”

In onze wedstrijdjes zijn we nagenoeg gelijkwaardig. Een set eindigt vaak in een tiebreak. De lange wedstrijden zorgen ervoor dat er heel veel moet worden geserveerd, wat mijn opslag ten goede komt. Het liefste speelde ik elke dag uren aan een stuk – we zijn niet langer gebonden aan het vaste dinsdaguurtje – maar dat kan niet. Ik ben bezig met het schrijven van mijn eerste boek en de deadline ligt op half augustus.

Na afloop van het zomerseizoen zit mijn eerste jaar als tennisspeler erop. Qua spelniveau heb ik vooruitgang geboekt, maar op fysiek vlak ben ik een ramp geworden. De stress van het boek heeft voor extra kilogrammen gezorgd (en rijstwafels met aan de ene zijde een chocoladelaag). Ik weeg vijf kilogram meer dan enkele maanden geleden, twaalf meer dan tijdens mijn studententijd en dat kan ik niet laten gebeuren als ik mijn uiteindelijke doel wil bereiken: alsnog een deftig tennisspeler worden.

Lees hier deel 4 van ‘Memoires van een beginnend tennisspeler’.