Je kunt hier deel 1 van ‘Memoires van een beginnend tennisspeler’ lezen.

Ik was een tafeltennisspeler. Dat kwam zo. Ik ging met de schoolbus naar de lagere school. Tijdens het wachten speelden we bij de overburen in hun garage tafeltennis. Elke ochtend. Ik deed het graag en schijnbaar ook goed. Ik werd lid van een tafeltennisclub, zat tijdens mijn middelbareschooltijd in de schoolploeg en won verschillende keren het toernooi dat begin oktober tijdens de jaarlijkse wijkfeesten in de gemeente werd georganiseerd. En toch, toch wou ik nooit Jean-Michel Saive zijn en stond ik in onze garage nooit tegenover hem wanneer de tafeltennistafel half was dichtgeklapt. Neen, in mijn fantasie nam ik het op tegen Pete Sampras, Andre Agassi, Stefan Edberg, Jim Courier en Boris Becker. Zij speelden tennis.

“De oude Becker had een baard gekweekt en die machtige opslagbeweging was minder stabiel geworden. Hij sjokte over de court.”

Becker was mijn tennisheld. Niet de jongen van zeventien uit Leimen die in 1985 Wimbledon won en daarmee op slag een wereldster was geworden. Het was begin jaren negentig en zijn glorieperiode was voorbij. Ik was veroordeeld tot de oude Becker, de man die inmiddels tegen de dertig aanliep, een baard had gekweekt en wiens machtige opslag minder stabiel was geworden. Ik was fan van een man die sjokte over de court. In 1995 hoopte ik Becker eindelijk een grandslamtoernooi te zien winnen. Tijdens Wimbledon versloeg hij in de halve finales Andre Agassi. In de finale wachtte Pete Sampras. Becker won nog wel de eerste set in een tiebreak, maar terwijl ik steeds vlugger door de woonkamer ijsbeerde, serveerde Sampras zich naar de titel.

Mijn geduld werd op de proef gesteld, tot enkele maanden later Becker het ook bijzonder goed deed tijdens de Australian Open. In het weekend stond ik vroeger op en op woensdagmiddag hoopte ik in het huis van mijn grootmoeder, terwijl we zoals altijd balletjes in tomatensaus aten, op Eurosport nog de laatste wedstrijd van de avondsessie mee te pikken. Ik herinner me van het hele toernooi drie wedstrijden. Alleswinnaar Pete Sampras verloor in de derde ronde van Mark Philippoussis, een jonge thuisspeler, waardoor, zoals dat mooi heet, de bovenste tabelhelft zich opende. Becker speelde in de halve finales dus niet tegen Sampras maar tegen Mark Woodforde, een dubbelspecialist. Becker verloor amper zes games en plaatste zich voor een nieuwe grandslamfinale. Daarin werd verrassend niet Andre Agassi, maar de Amerikaan Michael Chang de tegenstander. Chang had zeven jaar eerder Roland Garros gewonnen, onder meer door een memorabele wedstrijd tegen Ivan Lendl, en stond toch vooral bekend als gravelspecialist. Kortom, Becker was favoriet. Op zondagvoormiddag bekeek ik uitgesteld de finale – de wedstrijd was de nacht voordien gespeeld. Becker deed wat ik niet gedacht had ooit nog te zullen zien: hij won een grandslamtoernooi. Zijn zesde, mijn eerste. Op het Centre Court pronkte hij met de beker. Het voelde onwerkelijk.

“Mijn tenniscourt bestond uit de tegels van het terras, geordend in rechte lijnen. Met het handvat van de garagepoort bepaalde ik de hoogte van het net.”

Tijdens diezelfde wintermaanden – mijn indoorseizoen in de garage – gebruikte ik mijn tafeltennispalet en een tennisbal in mousse om mijn tenniskriebels te uiten – een tennisracket was te groot voor de ruimte. Wanneer het weer beter werd en het daglicht langer scheen, trok ik opnieuw naar de andere kant van de garagepoort. Uren mepte ik er de gele balletjes in mousse tegenaan. Met het handvat bepaalde ik de hoogte van het net. Mijn tenniscourt bestond voorts uit de tegels van het terras, perfect geordend in rechte lijnen. Om de twee spelletjes ging ik zitten in de tuinstoel die ik naast mijn court had geplaatst, ik nam een slok water en stond op voor het volgende game. Tijdens Wimbledon verhuisde ik mijn court naar het grasveld in de tuin. De muur werd mijn tegenstander, krachtiger en minder wispelturig dan het oneffen oppervlak van de garagepoort. Nooit was ik in deze fantasiewereld nummer één op de wereldranglijst. Ik was altijd nummer drie en het maakte niet uit hoeveel grandslamfinales ik won, altijd bleef ik nummer drie. Alsof de fantasie nog een greintje realisme moest bevatten. Of ik voelde me prettig bij de underdogrol.

“Becker verloor van Patrick Rafter en nam afscheid van het tennis. Ik zei Becker vaarwel en vouwde mijn tenniscourt dicht.”

Die underdogrol zou ook Boris Becker tijdens de tweede helft van de jaren negentig vervullen. Hij kampte steeds vaker met blessures, en wanneer hij nog een keer op de baan verscheen, gebeurde dat tijdens Wimbledon. Becker verloor in 1999 in de vierde ronde van Patrick Rafter en nam afscheid van het tennis. Ik zei Becker vaarwel en vouwde mijn tenniscourt dicht. Tennis verdween naar de achtergrond, tot twee jaar na Beckers afscheid een Zwitser met korte paardenstaart tijdens Wimbledon Pete Sampras versloeg. Met een vriend ging ik nog enkele keren tennissen in een naburige club waar we deden alsof het gratis was. Maar verder ging het niet.

Tafeltennis, de sport die toevallig op mijn pad was gekomen, speelde ik in het openbaar. Toch voelde ik dat mijn ware sportroeping zich weg van de tafel bevond, bij grotere rackets, thirty-love en de doordringende geur van een tennisbal. Er was immers geen sport ter wereld die ik liever beoefende dan tennis.

Je kunt hier deel 3 van ‘Memoires van een beginnend tennisspeler’ lezen.