November 2015, kwart voor acht ’s avonds op een dinsdag om precies te zijn. Ik stap voor het eerst de tennisclub van mijn gemeente binnen. In mijn rechterhand draag ik een zwarte gitaarvormige tennistas. Daarin bevinden zich het tennisracket dat ik ruim tien jaar eerder heb gekocht – blauw met grijs frame en zwart handvat – en een paar zwarte tennisschoenen. Ik heb me die avond helemaal in het zwart aangekleed. Behalve mijn tennisschoenen zijn ook mijn short, T-shirt, kousen en trainingsvest gitzwart. Zoals de nationale rugbyploeg van Nieuw-Zeeland. Alvorens ik thuis ben vertrokken, heb ik voor de spiegel net geen haka uitgevoerd. Ik voel de nood om extra zelfvertrouwen uit te stralen. Diep vanbinnen – ach, niet eens zo diep – ben ik immers bloednerveus. Ik ervaar dezelfde spanning als toen ik jaren eerder mijn praktisch rijexamen heb afgelegd: ik ken de regels van het spel, maar ik heb geen idee hoe ik zal reageren wanneer het erom gaat.

In de tennishal klinken de geluiden waarnaar ik heb verlangd: de heerlijke plof wanneer de racketsnaren de tennisbal raken, de scherpe klank van piepende schoenen, het lichte gekreun tijdens een lange rally en het gevloek na een misser. Clubleden lopen heen en weer. Af en toe zegt iemand ‘Goedenavond’. Ik antwoord hetzelfde of knik aarzelend. Waar zich de kleedkamers bevinden, weet ik niet, dus neem ik op een laag stenen muurtje plaats, tussen de planten. Ik wissel mijn versleten zwarte All Stars voor de tennisschoenen. Het is inmiddels vijf voor acht geworden. Weldra zal ik tennis spelen.

“Ik heb mezelf een blind date bezorgd: ik weet niet wie ze zijn, wat hun leeftijd is, hoelang ze al tennis spelen en wat hun niveau is.”

Enkele dagen voordien kreeg ik telefoon van een clublid. Ik had weken eerder mijn contactgegevens doorgegeven aan de voorzitter van de tennisclub. Ik zocht een tennispartner. De voorzitter zou bij enkele leden informeren. De man aan de andere kant van de lijn vertelde dat hij elke dinsdagavond dubbel speelt en dat zijn gezelschap voor het lopende winterseizoen één iemand tekortkomt. ‘Of ik geen interesse heb om mee te spelen,’ vroeg hij. ‘Ja, natuurlijk. Ik zal er zijn,’ had ik zonder aarzelen gezegd, niet wetende waarin ik terecht zou komen. Ik had mezelf een blind date bezorgd: ik weet, behalve de mannenstem, niet wie ze zijn, wat hun leeftijd is, hoelang ze al tennis spelen en wat hun niveau is. Ik ben de nieuwkomer, een halve kluns, en misschien spelen zij wel heel erg goed. Toch overwon de goesting de angst. Dit was mijn kans. Terrein 13, daar zal ik debuteren.

“Terrein 13 is niet aangeduid, dus sta ik, iets voor acht, hulpeloos rond te kijken als een kind op een eerste schooldag.”

Terrein 13 bevindt zich helemaal achter in de tennishal. Vooraan liggen naast elkaar banen 10 en 11 en daarachter 12 en 13, tapijt als ondergrond in licht- en donkerblauwe kleuren. De voorste terreinen zijn aangeduid met vierkanten plakkaatjes in zwart en wit. Dat geldt niet voor 12 en 13, dus sta ik hulpeloos rond te kijken als een kind op zijn eerste schooldag. Het duurt tot twee mannen het terrein op komen wandelen. Terwijl ze hun rackets uit hun tassen halen, vraag ik hen of dit terrein 13 is. ‘Neen, dat is daar,’ zeggen ze, terwijl ze beiden naar het terrein aan de overkant wijzen. Ik volg hun vingertoppen en zie een drietal in vol tennisornaat. Ik stap naar hen toe en ontmoet een man en een vrouw, beduidend ouder dan ik en samen goed voor ruim een halve eeuw tenniservaring. De derde persoon, waarvan ik later zou leren dat hij een leeftijdsgenoot is, wordt geïntroduceerd als iemand ‘die heel vlug kan lopen’. Hij zal vanavond mijn tennispartner zijn. We spreken af wie welke kant van de baan voor zijn rekening zal nemen: de forehandzijde (rechts) of backhandzijde (links). Omdat mijn tennispartner over een goede backhand beschikt en de rechterkant de makkelijkere zijde is, speel ik vanavond aan de forehandkant.

“Tijdens de eerste games heb ik moeite om het tempo te volgen. Ik krijg ook regelmatig een ace om de oren. Het vervalt echter in het niets bij dé uitdaging van de avond: bovenhands serveren.”

Tijdens de opwarming sla ik met licht trillende arm en op wankele benen de eerste ballen in mijn nieuwe tennisclub. Ik speel met zo weinig mogelijk risico en probeer de bal zo lang mogelijk in het spel te houden. Ik sla enkel forehands en loop zoveel als ik kan om mijn onbestaande backhand heen. Tijdens de eerste games van de wedstrijd heb ik moeite om het tempo te volgen. Ik krijg regelmatig een ace om de oren. Het vervalt echter in het niets bij dé uitdaging van de avond: bovenhands serveren. Wie niet bovenhands kan serveren, heeft op een dinsdagavond weinig te zoeken in een tennisclub.

Stiekem heb ik daarom de weken voordien in een naburige gemeente een tennisterrein bezocht. Niets groots, niet eens op een clubterrein. Ik bevond me op een veredelde parking waar op het beton enkele lijnen waren geschilderd en een net stond. Op YouTube had ik instructiefilmpjes bekeken met inspirerende titels als ‘How to hit fast tennis services’ en ‘How to effortlessly hit powerful tennis services’. Ik had ook geprobeerd in onze tuin te oefenen, maar dat werkte niet. Ik kon er niet voluit gaan. Pas op het beton deed ik de choreografie van de bovenhandse opslag in full flow: voorbereiding, opgooi, trofeehouding en slag. Stilaan ontdekte ik de juiste opgooi – ik gooide de bal aanvankelijk te ver naar achteren – en ook de snelheid van mijn service ging omhoog. Ik oefende ruim één uur. Een goede plaatsing was het verste van mijn gedachten. Mijn enige doel bestond erin de bal tegen een acceptabele snelheid over het net te krijgen en binnen het opslagvlak te laten landen. Daar slaagde ik steeds vaker in.

“Onze tegenstanders zijn goed op elkaar ingespeeld en roepen elkaar regelmatig instructies toe. Zij zijn één geheel. Wij spelen als kruimelende cake.”

Op baan 13 verliezen we de eerste set met 6-3. Ik sla elk opslaggame minstens één dubbele fout en kan geen enkele keer mijn service behouden. Het tempo ligt niet heel hoog en aan het net kan ik buigen op goede reflexen. Onze tegenstanders zijn goed op elkaar ingespeeld en roepen elkaar regelmatig instructies toe. Zij zijn één geheel. Wij spelen als kruimelende cake. In de tweede set staan we 4-2 achter. Dan verschijnt langs het terrein het kwartet dat het volgende uur heeft gereserveerd. Na afloop wisselen we zweterige handen uit en vertellen we elkaar dat we goed hebben gespeeld. Dat hoort zo.

Het is me gelukt. Ik heb het uur overleefd zonder me belachelijk te maken. Ik weet dat de volgende ochtend zal bestaan uit spierpijn over mijn hele lichaam. Toch kan ik me enkel overgeven aan dat overheersende gevoel: ik ben eindelijk thuisgekomen.

Je kunt hier deel 2 van ‘Memoires van een beginnend tennisspeler’ lezen.