Ik weet niet meer waar en wanneer het is gebeurd, ik weet wel dat het alles heeft veranderd. Tot dan speelde ik voetbalspellen waar ik alles onder controle had. Ik stond op het veld, maakte acties en scoorde doelpunten. Liefst zo veel mogelijk. Ik speelde altijd met FC Barcelona. Barça was mijn favoriete buitenlandse voetbalclub. Begin jaren negentig had ik met mijn ouders Camp Nou bezocht. Het stadion was gigantisch, maar tegelijk vuil en aftands. In de kleedkamers mochten we niet binnen en ik mocht geen shirt kopen, dus kocht ik een wimpel, groot en in driehoekvorm. Ik poseerde bij een paspop die wel een shirt droeg.

“Ooit won ik 17-0 tegen Rayo Vallecano. Zeventien keer Begiristain. Zeventien keer een identiek doelpunt op mijn allereerste computer.”

Het Dream Team van Johan Cruijff bestond onder meer uit Hristo Stoichkov, Julio Salinas, Ion Andoni Goikoetxea, Guillermo Amor en doelman Andoni Zubizarreta. Ik koos een camerastandpunt waarbij ik het speelveld vanaf de korte kant zag. Met Txiki Begiristain, die doorgaans als linksbuiten werd geposteerd, sneed ik naar binnen. Ik gaf de bal een elegante krul die ervoor zorgde dat het schot steeds buiten bereik van de doelman bleef. Cristiano Ronaldo was amper uit de pampers en de term ‘zwabberbal’ moest nog worden uitgevonden. Ooit won ik 17-0 tegen Rayo Vallecano. Zeventien keer Begiristain. Zeventien keer een identiek doelpunt op mijn allereerste computer.

Spelletjes speelde ik daarvoor op de Sega Master System II. Op de zwarte console zat standaard Alex Kid in Miracle World. Met een aapachtig figuurtje reisde je door een fictieve wereld op zoek naar diamanten ringen. Omdat ik in de jaren voordien maar weinig over blingbling had gekwebbeld, kreeg ik meteen het spel van de wereldbeker 1990. Het zijaanzicht waarmee ik later met FC Barcelona de wereld zou veroveren was verre toekomst. Bij Italia ’90 was bovenaanzicht de enige optie. Hoe vaak ik ook probeerde, nooit geraakte ik met de Rode Duivels voorbij de achtste finales. Enkel met West-Duitsland, aangeduid als FRG, kon ik de wereldbeker veroveren. Er waren geen spelersnamen. Er was enkel winst en verlies en drie muziekjes die ik nog altijd kan neuriën: één bij een gelijke stand, één bij een achterstand en één bij een voorsprong. Het publiek maakte een licht zoemend geluid.

Bij Sensible Soccer, het spel dat ik de jaren daarna begon te spelen, werd gefocust op clubteams. Hoewel Club Brugge op dat moment een bij wijlen niet onaardig Europees parcours aflegde, was het aantal Belgische teams beperkt tot twee: Anderlecht en Antwerp. Meedingen kon naar fictieve Europese bekers. Omdat Sensible Soccer niet beschikte over een officiële licentie van UEFA en FIFA, hadden de meeste voetbalclubs, competities en spelers een licht aanpaste naam. In spelersnamen werden de klinkers vervangen door soortgenoten. Daardoor klonk elke naam alsof hij werd uitgesproken door Officer Crabtree. Ook hier was helikopterzicht de enige optie. Op de groene mat werd tegen een onrealistisch hoog tempo gespeeld.

Terwijl ik op het kleine grijze televisietoestel dat mijn moeder enkele jaren voordien van het werk had meegebracht verschillende Europese bekers won, boetseerden de broers Paul en Oliver Collyer in hun slaapkamer de eerste versie van Championship Manager. Het was 1 september 1992. Ik was tien en onwetend. Pas enkele jaren later gebeurde wat het best kan worden omschreven als een coup de foudre. Op het aangezicht dat mij aankeek stond in grijze en gele letters te lezen: Championship Manager 2. Ik liet achteloos het schijfje mijn computer binnenglijden. Wist ik veel dat dit moment mijn leven voorgoed zou veranderen. Het spel was grafisch nihil en net daarom zo anders dan voorheen. Ik was de coach. Ik was verantwoordelijk voor de tactiek en het kopen, verkopen, huren en verhuren van spelers. Ik moest een trainingsschema opstellen en spelers scouten. Leicester City, een club uit de Engelse tweede afdeling, werd mijn eerste werkgever. Het was het seizoen 1995-1996. Emile Heskey was zeventien. Hij scoorde en liet scoren. Samen promoveerden we naar de Premier League. In de daaropvolgende jaren savoureerde ik mijn nieuw verworven status als voetbalmanager. Ik lokte Duits international Mario Basler weg uit de Heimat en bezorgde Newcastle United, mét Philippe Albert centraal in de verdediging, de eerste landstitel sinds 1927.

“Wanneer na enkele aanpassingen in hoofdletters ‘GOAL FOR CLUB BRUGGE!’ op mijn scherm flikkerde, ervoer ik dezelfde gevoelens als bij een echt doelpunt.”

In de lente van 1999 werd Championship Manager 3 gelanceerd. Ik kon nu ook echt Club Brugge trainen. Buitenshuis punten sprokkelen was aartsmoeilijk, al mocht ik dat vooral mezelf aanrekenen. Ik was als coach nogal van de luie soort. Ik hield me niet bezig met trainingssessies en rekende vooral op het instinct en talent van mijn spelers. Het liep voor geen meter. Telkens ik de korte wandeling maakte naar het huis van mijn grootmoeder, dacht ik na over hoe ik mijn Club er bovenop zou kunnen helpen. Wanneer na enkele aanpassingen in hoofdletters ‘GOAL FOR CLUB BRUGGE!’ op mijn scherm flikkerde, ervoer ik dezelfde gevoelens als bij een echt doelpunt. Ik balde mijn pubervuist en schreeuwde het uit. Ik ademde de wedstrijdspanning in en blies ze na een intense wedstrijd weer uit.

Gaandeweg ontwikkelde ik een vorm van affectie voor clubs en spelers. De aficionado herkent het. Peter Prospar, een spits uit Trinidad & Tobago, leidde in een van de eerste versies Club naar de landstitel en Europese successen. Aanvaller Dale Watkins bezorgde me met het nietige Rushden & Diamonds FC verschillende promoties. Jamie Forrester en Geoff Pitcher deden hetzelfde toen ik het al even bescheiden Altrincham FC managede. Football Manager stond zo aan de wieg van mijn fascinatie voor de kleinere Engelse clubs en leagues. Toen ik eerder dit seizoen naar Manchester reisde, wou ik Altrincham Football Club bezoeken. Een stadionbezoek aan Moss Lane en het slaapstadje in het district Trafford paste echter niet in het drukke schema.

“Barnet is een kabouterclub uit het Noorden van Londen, meestal terug te vinden in de vierde of vijfde afdeling. Ik ben er nog nooit geweest. Toch kan ik moeiteloos elke speler benoemen.”

Ik ben een conservatief speler. Ik speel het spel nog steeds in het Engels en met Britse Pond als munteenheid. Ook bekijk ik de wedstrijden in 2D en niet in fancy 3D. En ik begin en eindig elke spelcyclus met dezelfde club: Barnet Football Club. Barnet is een kabouterclub uit het Noorden van Londen, meestal terug te vinden in de vierde of vijfde afdeling. Ik ben er nog nooit geweest. Toch kan ik moeiteloos elke speler benoemen. Voorzitter Anthony Kleanthous is in mijn gedachten een ver familielid. Door mijn successen bij de Bees denkt hij er na die ontelbare legendarische avonden in Underhill Stadium vast hetzelfde over. Onze dromen zijn ook in The Hive, het nieuwe stadion van de club, levensvatbaar. De identiteit van een club verloochen je niet, tenzij voor een hoger doel. Dus kies ik voor fútbol tiquitaca en trek niet gespeend van enige clichédrang Spaanse spelers aan. Enkele maanden geleden raasden we door de afdelingen. De oranjezwarte cirkeltjes legden de mooiste combinaties op het scherm. ‘GOAL FOR BARNET!’, een ontelbaar aantal keer. We bereikten samen de top van de Premier League. Ik heb inmiddels zulk een emotionele band met de club opgebouwd dat ik eraan denk om op een dag de eerste Belgische fanclub van Barnet FC te stichten. De Belgian Bees of zo, al is originaliteit nog enkele brainstormsessies verwijderd.

Van het gros van de jongens waarmee ik zes jaar lang in de klas heb gezeten kan ik me nog nauwelijks de namen herinneren. Maar Peter Prospar, Dale Watkins en al mijn Barnethelden, hen zal ik nooit vergeten.

Is dit de magie van Football Manager, of zegt het toch vooral iets over mezelf?