Beste Birger,

in 2012 publiceerde de Britse journalist Jonathan Wilson een boek over doelmannen. Hij gaf het de passende titel The Outsider. Wilson was niet de eerste die zich in de psyche van de doelman verdiepte. De Russisch-Amerikaanse schrijver Vladimir Nabokov, zelf doelman, beschreef de keeper als ‘afstandelijk, afzijdig en onbewogen. Hij is de eenzame adelaar, de man van het mysterie, de laatste verdediger.’ Ook de Franse filosoof Albert Camus was een doelman, bij een universiteitsploeg in Algiers. Hij beweerde dat het weinige dat hij over de moraal wist, had opgedaan op het voetbalveld, namelijk altijd voorbereid zijn op het onverwachte.

Over geen enkele veldpositie is meer gepubliceerd dan over de doelman, al vind ik doelwachter een mooiere en treffendere omschrijving. Torwart. Gardien de but. Goalkeeper. Guardameta. En, in jouw moedertaal, målvogter. Telkens keert één woord terug: beschermen. De doelwachter is meer dan een einzelgänger in het geheel, hij is de hoeder van de ploeg, en een cipier van onze supportersdromen. Dat was meer dan ooit het geval in het risicovolle spel van Ernst Happel. Dat moet een bijzonder iemand zijn. Ik vraag me af: kiest de man de positie of de positie de man?

“Ik heb gelezen over jouw passie voor het snookerspel. Dat is logisch. Snooker is een sport voor doelmannen, het is een eindeloze strafschoppenreeks.”

Ik ken jou alleen van gestolde fotobeelden en krakende internetfilmpjes. Op elk shot dat ik van jou terugvind, zie ik je in die legendarische gele outfit met een zwart biesje. Vroeger, in de tijd van Lev Yashin, speelde de doelwachter altijd in het zwart. Net zoals onze blauw-zwarte kleuren tot de ziel van Club behoren, zou elke Clubkeeper in geel-zwarte tenue moeten zijn uitgedost.

Ik heb gelezen over jouw passie voor het snookerspel. Dat is logisch. Snooker is een sport voor doelmannen, het is een eindeloze strafschoppenreeks. Eén misrekening en het frame kan verloren zijn. Er is een constante hang naar perfectie. Immers, enkel met de perfecte stoot laat de pocket zich bezwangeren. Ik denk niet dat jij je kon laven aan een duffe en klinische Steve Davis. Neen, jou kan ik niet anders dan linken aan Ronnie O’Sullivan, aan Jimmy White en natuurlijk aan Alex Higgins: zij die een sportarena in een theater veranderen omdat ze op elk moment iets speciaals kunnen doen en toeschouwers aan het televisiescherm lijmen.

Alex Higgins kreeg de bijnaam The People’s Champion. Dat lijkt me voor een sporter het mooiste compliment. Wanneer ik medesupporters over jou hoor spreken, dan was en ben je nog steeds de Clubdoelman van het volk. Dat volk eerde je door hun zonen naar jou te vernoemen. Vandaag lopen in ons land nog altijd bijna vijfhonderd kinderen, adolescenten, jonge en intussen volwassen mannen rond die jouw voornaam dragen. Nog elk jaar worden in kraamkamers door trotse moeders en vaders die zes aaneengekleefde letters uitgesproken wanneer naar de naam van hun pasgeborene wordt gevraagd. Het is dan overbodig te vragen waar ze die hebben gehaald.

Ik wens je het allerbeste toe. En vergeet niet: van alle voetballers komen doelmannen het dichtste bij het eeuwige leven.

Met blauw-zwarte groet,

Sven

Dit verhaal is een van de 125 verhalen in ‘de Club’, het boek naar aanleiding van 125 jaar Club Brugge, uitgegeven bij Lannoo. Meer weten over het boek en hoe je het kunt kopen? Je vindt hier alle informatie.