Hier kun je deel 1 en deel 3 van ‘Ici c’est Paris-Bercy’ lezen.

Het is woensdag 29 oktober, de derde dag van het hoofdtoernooi. Vandaag worden de laatste wedstrijden van de tweede ronde afgewerkt. Die worden verdeeld over twee terreinen. Naast de hoofdbaan, het Court Central, is er Court 1. Om deze te bereiken moet je naar de kelder van het complex. Je komt terecht in een tunnelwirwar waar zich aan de linkerzijde Court 1 bevindt. Rechts is Court 2 gelegen, een piepkleine baan en decor voor obscure dubbelwedstrijden.

Wie Court 1 betreedt, krijgt niet het gevoel op een van de vijftien grootste evenementen van de tenniskalender te zijn. De belichting is zwak, de tribunes tuitelig en het oppervlak van de donkerblauwe muren heeft de gladheid van een gegroefd aangezicht. Op het terrein staan David Goffin en David Ferrer. Goffin, een Belg van bijna 24 jaar met de postuur van een kuifjesfiguur, is een van de rijzende sterren aan het tennisfirmament. Sinds het begin van de zomer steeg hij op de wereldranglijst van een plaats buiten de top honderd naar een positie op de rand van de top twintig. Met zijn 1m80 is Goffin vrij klein voor een toptennisser. Hij heeft geen overheersende opslag en dwingende forehand, maar maakt dat goed met een hoge handelingssnelheid op de baseline. Het is een kwestie van tijd voor hij de beste Belgische man ooit op de wereldranglijst wordt (Xavier Malisse stond twaalf jaar geleden op de negentiende plaats). Aan de overzijde staat de acht jaar oudere Spanjaard David Ferrer, het nummer zes op de wereldranglijst. Volgens de website van de ATP is hij vijf centimeter kleiner dan Goffin. Ferrer is een straatvechter en beschikt over de mooiste kreun van het mannentennis: laag in toon en uitgesponnen in lengte. Ferrer is een basso profondo. Mijn respect voor David Ferrer is groot.

***

Sport kijken op televisie en live actie aanschouwen is een andere sensatie, zo ook bij tennis. Maar er zijn ook onderlinge verschillen, tussen tennis en voetbal bijvoorbeeld. Dat valt eenvoudig te verklaren: de eerste is een sport van precisie, de tweede een van overzicht. Wie tennis kijkt, wil de fysionomie van de speler taxeren en de forehand voelen aanwaaien. Voetbalvolgers verkiezen de visuele aankondiging van de doorsteekpas. Die verhouding verklaart zich in de rangorde van de ticketprijzen. De meest begeerde tennistickets bevinden zich aan de rand van de court, de duurste voetbaltickets zijn degene met het beste overzichtsbeeld.

Wat betreft fysionomie is er over Andy Murray, die nu op het Court Central staat, heel wat inkt gevloeid. Murray, tweevoudig grandslamwinnaar, torst de reputatie op het terrein een negatieve lichaamshouding te hebben: mopperpot en schreeuwerige brulboei richting begeleidingsteam. Daar is nu niks van te merken. De Brit kraakt tegenstander Julien Benneteau, een Fransman van tweeëndertig en het nummer achtentwintig op de wereldranglijst, met sterk serveerwerk en rist backhands langs de lijn.

Ik heb de gewoonte spelers te onthouden aan de hand van wedstrijden die ze hebben gespeeld tegen Roger Federer. Julien Benneteau heeft op die manier een bijzondere plaats in mijn tennisgeheugen. In 2012, het jaar dat Federer voor een zevende maal Wimbledon won, speelde Benneteau in de derde ronde tegen de Zwitser. Hij was onder het dak van Centre Court luttele punten verwijderd van een stuntzege. Zo heeft ook de Oekraïner Sergiy Stakhovsky, die een jaar later op Wimbledon Federer versloeg in de tweede ronde, een steekkaart in mijn memorie.

Lees hier deel 3 van ‘Ici c’est Paris-Bercy’.